Op het eerste gezicht is er weinig interessants te melden over de nunvlinder, die in de lente een van Vlaanderens algemeenste nachtvlinders is. Hij ziet er met zijn vaalgrijze vleugels uit als een doorsnee nachtvlinder met een vleugelspanwijdte van een paar centimeters. Hij heeft wel een opvallende zwarte vlek op elke vleugel. De tekening daarvan doet aan de Hebreeuwse letter 'noen' denken, vandaar dat ze slimme geesten inspireerde tot een slimme naamgeving.
...

Op het eerste gezicht is er weinig interessants te melden over de nunvlinder, die in de lente een van Vlaanderens algemeenste nachtvlinders is. Hij ziet er met zijn vaalgrijze vleugels uit als een doorsnee nachtvlinder met een vleugelspanwijdte van een paar centimeters. Hij heeft wel een opvallende zwarte vlek op elke vleugel. De tekening daarvan doet aan de Hebreeuwse letter 'noen' denken, vandaar dat ze slimme geesten inspireerde tot een slimme naamgeving. De grondlegger van de taxonomie, de Zweedse geleerde Carl Linnaeus, zag er een gotische boog in - hij gaf het dier de Latijnse naam Orthosia gothica. Waarom het in het Latijn een gotisch patroon is geworden en in het Nederlands een Hebreeuwse letter, is onduidelijk. De Engelse naamgevers hebben de Hebreeuwse piste gevolgd, de Franse en Duitse de gotische. De mot overwintert als pop. In maart of april sluipt de vlinder uit. Hij gaat meteen op zoek naar een partner. Mannetjes zoeken vrouwtjes aan de hand van lokstoffen (feromonen) die ze uitzenden. Na een bevruchting leggen de vrouwtjes eitjes, waaruit snel rupsen komen. Die leven van mei tot juli. Ze zijn knalgroen met witte strepen over de ganse lengte van hun lijf. Ze vreten zich vol met vooral bladeren van bomen als wilg, berk of appelaar. Appelaar zou het beste zijn voor hun groei (waardoor het spook van schade voor fruitkwekers opduikt), vervolgens wilg en dan berk. De groei blijkt niet af te hangen van de buitentemperatuur, zoals een recente publicatie in The Journal of Experimental Biology aantoont, wel van de hoeveelheid zuurstof waarmee een rups te maken krijgt. Hoe meer zuurstof, hoe zwaarder ze wordt en hoe groter de kans dat ze overleeft. Een dikke rups zou ook een vruchtbaarder vlinder opleveren. Als ze volgroeid zijn, kruipen de rupsen in de grond om een pop te worden, waarna ze de rest van het jaar in alle rust doorbrengen en geleidelijk een metamorfose ondergaan tot wat in de volgende lente een vlinder moet worden. Groei en voortplanting zijn bij vlinders over twee totaal verschillende levensvormen verdeeld, die aparte biotopen gebruiken, waardoor jong en oud elkaar niet voor de voeten lopen en elkaar dus evenmin concurrentie aandoen. Het eenvoudige verhaal van de nunvlinder inspireert tot bespiegelingen over de metamorfose van rups tot vlinder in de pop. Wetenschappers omschreven ze als een schijndood gevolgd door een verrijzenis. De pop kan beschouwd worden als een zakvormige ketel, waarin de rups bijna volledig wordt afgebroken - verteerd door enzymen die ze zelf produceert onder hormonale druk. Alleen haar ademhalingsstelsel en zenuwstelsel blijven min of meer intact. Het dier wordt herleid tot een soepje, waarin een klein aantal cellenhoopjes bewaard blijft. Daaruit groeien structuren die de latere vlinder nodig heeft, en waarover de rups niet beschikte, zoals ogen, antennen, vleugels en poten. Bizar is dat vlinders in experimentele omstandigheden dingen kunnen onthouden die ze als rups geleerd hebben - maar hoe dat in zijn werk gaat, is onduidelijk. In het genoom van een vlinder zit dus een dubbel programma: eentje voor een rups en een ander voor een vlinder. Hoe dat ooit georganiseerd is geraakt: ook dat is een raadsel. De hypothese dat rups en vlinder twee aparte levensvormen waren die toevallig met elkaar vermengd zijn geraakt tot beider voordeel, wordt niet ernstig genomen.