Wie 'kleine mantelmeeuw' leest, denkt meteen: dan moet er ook een grote zijn. En inderdaad, de grote mantelmeeuw is de grootste meeuw die je geregeld in onze contreien kunt zien - maar de kleine is niet veel kleiner. De bovenkant van de grote mantelmeeuw is bijna zwart, die van de kleine donkergrijs. De kleine heeft gele poten, de grote roze.
...

Wie 'kleine mantelmeeuw' leest, denkt meteen: dan moet er ook een grote zijn. En inderdaad, de grote mantelmeeuw is de grootste meeuw die je geregeld in onze contreien kunt zien - maar de kleine is niet veel kleiner. De bovenkant van de grote mantelmeeuw is bijna zwart, die van de kleine donkergrijs. De kleine heeft gele poten, de grote roze. Hoewel de grote mantelmeeuw niet zeldzaam is, wordt de kleine vaker gezien. Ze is een succesverhaal van de jongste decennia. De eerste broedvogels in Vlaanderen werden in 1985 geregistreerd in het Zwin. Het broedbestand in de kuststreek piekte in de jaren 2000 tot liefst vijfduizend koppels. Dat aantal is ondertussen gehalveerd, maar de meeuw is nu wel het binnenland aan het veroveren. Op veel plekken in Vlaanderen wordt ze in het zomerhalfjaar courant gezien. Ze broedt ook al in het binnenland, dikwijls op daken van grote gebouwen - zoals bedrijven in de Antwerpse haven, die de dieren niet graag zien komen. Veel mensen zien de aanwezigheid van meeuwen automatisch als 'overlast'. De flexibiliteit van de kleine mantelmeeuw uit zich in zijn verplaatsingen en voedingsgewoonten. Broedvogels uit een kolonie in het Nederlandse Vlissingen bezoeken tijdens het broedseizoen Brussel. Sommige vogels specialiseren zich in het aardappelafval van een chipsfabriek in Moeskroen, waar ze keer op keer naartoe vliegen. Andere patrouilleren geregeld in de rand van een kokmeeuwenkolonie, waar ze al eens een kuiken meepikken. Bioloog Eric Stienen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) rapporteert met een aantal collega's in het vakblad Science of the Total Environment over verschillen in foerageergedrag tussen individuele kleine mantelmeeuwen. Zo blijken vrouwtjes die overwegend op de zee gaan eten grotere eieren te leggen dan vrouwtjes die voeding op het land verkiezen. De zeemeeuwen hebben meer kwik in hun eieren, maar dat lijkt hun groei en de overleving van hun kuikens niet merkbaar te beïnvloeden. Biologe Marwa Kavelaars (UAntwerpen) en haar collega's hebben bestudeerd hoe beide meeuwenouders samen hun kuikens grootbrengen - hun verslag verscheen in Behavioral Ecology. Het is zaak dat ze hun taken op elkaar afstemmen om te vermijden dat één partner er de kantjes af loopt, wat nadelig is voor de andere. Mantelmeeuwen kunnen dertig jaar oud worden en broeden graag jaar na jaar op dezelfde plek met dezelfde partner. Dat brengt stabiliteit in hun bestaan. Vrouwtjes spenderen gemiddeld iets meer tijd op het nest dan mannetjes, maar het verschil is gering. Op een (klein) aantal nesten neemt een van beide ouders het leeuwendeel van de broedzorg voor zijn of haar rekening. Kavelaars en co. deden een intrigerende vaststelling: hoe meer twee meeuwenouders met elkaar communiceren tijdens de aflossingen op het nest, hoe gelijkwaardiger hun inbreng in het broeden is. Zeker voor grotere broedsels hebben paren die intenser samenwerken een hoger succes: ze krijgen dan meer jongen groot dan koppels waarvan één partner het laat afweten. Wat de meeuwen elkaar vertellen weten we niet, maar de onderzoekers omschrijven de interactie toch als een vorm van 'actief overleg'.