Het vliegend hert dankt zijn naam aan de sterk ontwikkelde kaken van de mannetjes, die op het einde vertakkingen als een gewei krijgen. Net als een gewei dienen de kaken voor rituele gevechten, waarin mannetjes bepalen wie de sterkste is en dus toegang krijgt tot vrouwtjes. Ze putten zich daarbij uit in krachtmetingen die wat aan die van sumoworstelaars doen denken, maar dan in een kleine donkerroodbruine versie met zes poten.
...

Het vliegend hert dankt zijn naam aan de sterk ontwikkelde kaken van de mannetjes, die op het einde vertakkingen als een gewei krijgen. Net als een gewei dienen de kaken voor rituele gevechten, waarin mannetjes bepalen wie de sterkste is en dus toegang krijgt tot vrouwtjes. Ze putten zich daarbij uit in krachtmetingen die wat aan die van sumoworstelaars doen denken, maar dan in een kleine donkerroodbruine versie met zes poten. Een onzalig neveneffect van de enorme ontwikkeling van de kaken is dat de dieren er niet mee kunnen bijten. De grote kevers zijn dus ongevaarlijk voor mensen. De kleinere vrouwtjes kunnen wel - lichtjes - bijten: hun kaken vervullen een normale functie. Ze gebruiken ze om door de bast van een boom te knagen om aan zijn sap te kunnen. Mannelijke kevers kunnen dat niet, ze kunnen uitsluitend voedsel oplikken. Als ze geluk hebben, krijgen ze wat sappen van de vrouwtjes die ze veroverden. Dat de mannen niet goed kunnen eten, is geen probleem, want ze leven slechts enkele weken, zo goed als uitsluitend voor de voortplanting. De vrouwtjes zingen het iets langer uit, een maand of twee, want zij moeten eitjes leggen, hoewel dat er zelden meer dan enkele tientallen zijn - weinig naar insectennormen.De dieren worden pas op de eerste warme junidagen wakker uit een lange winterslaap. Ze mogen niet vroeger ontwaken, want de zware mannetjes, die vooral in de avondschemering actief zijn, kunnen niet vliegen bij temperaturen lager dan 16 °C. Hun vlucht is bizar, want ze hangen verticaal in de lucht, anders trekken hun lange kaken hen omlaag. Ze vliegen maximaal drie kilometer om een geschikte plek te zoeken om vrouwtjes te ontmoeten. Dat is doorgaans een omgevallen boom, want de vrouwtjes zetten hun eitjes af in dood hout. De larven, die drie tot acht jaar ondergronds kunnen leven, hebben hout nodig voor hun ontwikkeling, en liefst vermolmd hout dat al wat in de bodem is gedrongen - een exclusieve biotoop dus. Hun levensduur en maximale lengte - ook zij kunnen bijna 10 centimeter lang worden - hangt mee af van de hoeveelheid verteerbaar hout die ze ter beschikking hebben. Omdat de levenscyclus van het vliegend hert gekoppeld is aan de beschikbaarheid van dood hout, is de soort uiterst zeldzaam in ons land. Haar voorkomen heeft een communautair karakter: ze is uitsluitend talrijk in het Brussels Gewest en de Voerstreek, waar nog oude bossen met dode bomen aanwezig zijn. Elders is het vliegend hert uitgeroeid door wat een modern bosbeheer heet, met het systematisch verwijderen van dode bomen. Het voortbestaan van de soort in ons land is afhankelijk van beschermingsmaatregelen. Omdat vrouwtjes zich niet verder dan enkele honderden meters verplaatsen, zijn de kansen op herkolonisatie van bossen waar de soort vroeger voorkwam, beperkt. Op verzoek van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek zijn er, in samenwerking met de Dienst Hondensteun van de federale politie, twee honden opgeleid om de anders onvindbare larven van het vliegend hert in bosbodems op te sporen. Dat moet de bescherming van de soort bevorderen. Een speurhond opleiden en inzetten is duur, maar het is veruit de efficiëntste manier om zeldzame dieren te vinden. Geen enkele mens slaagt erin larven van het vliegend hert te ontdekken zonder hun biotoop te beschadigen.