In de mensenwereld kom je geregeld blaaskaken tegen, maar in de dierenwereld zijn blaaskaakjes - ze zijn zelden een centimeter groot - nog algemener. Het zijn vliegjes die hun naam danken aan de bolle witte wangen. Daarmee onderscheiden ze zich van andere geslachten uit de familie van de blaaskopvliegen.

Volgens de waarnemingensite van Natuurpunt zijn er in Vlaanderen dertien soorten bekend. Het fopblaaskaakje heeft van die soorten de mooiste naam. Het beestje zou als logo voor België kunnen fungeren: zwart lijf, gele kop en grote rode ogen.

Andere blaaskaakjes zijn genoemd naar hun voornaamste biotoop (heide of kalkgrond) of naar een opvallend kenmerk (zoals het oranje of vurig blaaskaakje). De dieren determineren is voer voor specialisten, en zelfs die lijken het niet altijd goed te weten. In de vakliteratuur verschijnen er af en toe revisies van de blaaskaakjestaxonomie.

Wie in onze regio blaaskaakjes wil zien, zoekt het best in de buurt van wilgenbomen vol katjes in de lente. Daar komen de talrijkste soorten voor, bij ons vooral het gevlekt blaaskaakje en het stipblaaskaakje. De volwassen diertjes voeden zich met nectar. Het grootbrengen van hun nakomelingschap delegeren ze aan de bijenfamilie. Als ze niet aan het eten zijn, zitten ze op een takje te wachten tot er een geschikte gastheer voor hun kroost passeert. Is dat het geval, dan vliegen ze er meteen achteraan en proberen ze een botsing te forceren.

Voor hun voortplanting lokken de vliegenvrouwtjes een botsing met een bijtje uit.

De botsing met een bij is cruciaal voor de voortplanting van de vliegjes. Vrouwtjes hebben speciale eigenschappen ontwikkeld om in de vlucht een eitje in het arme bijtje te leggen, dat niet doorheeft welk triest lot het te wachten staat. De eileg gebeurt in een fractie van een seconde. Nederlandse onderzoekers hebben beschreven hoe blaaskaakvrouwtjes een met borsteltjes bezet richeltje op hun buik gebruiken om de achterlijfsegmenten van een bijtje uit elkaar te halen. Met een legboortje maken ze dan vliegensvlug een gaatje in het bijtjesmembraan. Dat komt bloot te liggen, waarna een eitje wordt afgezet. Het vergt een ongelofelijke timing om dat voor elkaar te krijgen.

Het is überhaupt verrassend dat wetenschappers zo'n snel en ingewikkeld proces kunnen observeren en beschrijven. Maar de kennis vordert traag, zeker omdat elke vliegjessoort een welbepaalde bijensoort nodig lijkt te hebben. Nederlandse onderzoekers schreven vorig jaar in het vakblad Zootaxa dat ze pas een vierde zekere relatie hadden ontdekt tussen een blaaskaakje en de bijtjessoort die het viseert. Ondanks de alomtegenwoordigheid van blaaskaakjes en bijtjes blijft het meestal gissen wie wie nodig heeft. DNA-technieken kunnen uitsluitsel bieden. Maar omdat het zo moeilijk is larven in besmette bijtjes te vinden, blijft de ware aard van de parasitaire relaties dikwijls onzeker.

De eerste zekere link tussen een blaaskaakjessoort en haar specifieke slachtoffer werd al in 1912 beschreven door een toen befaamde entomoloog in Amsterdam. Honderd jaar later zijn er dus maar drie zekere associaties bij gekomen, terwijl er tientallen moeten zijn. De beestjes weten het gelukkig wél, en dat is het belangrijkste.

Voor een bijtje betekent een infectie met een blaaskaakeitje het einde: de vliegenlarve die eruit komt vreet het van binnenuit op.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.