Peter Winnen, oud-wielrenner en schrijver: ‘Je moet zo compassievol mogelijk leven’

Peter Winnen: 'Tussen start en finish moest ik tot het gaatje, maar buiten de wedstrijd stond ik veel meer reflecterend in het leven.' © foto Carmen De Vos

Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden. ‘De beste momenten zijn die waarin je loskomt van je lichaam’, zegt Peter Winnen. Na de dood van zijn vrouw vond de Nederlandse oud-wielrenner en schrijver spiritualiteit in muziek, literatuur, het zonlicht en een nieuwe liefde.

Met een knikje in zijn tred stapt Peter Winnen over de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn, vlak bij zijn woonplaats Venray. Op het gras tussen de kruisjes kleeft een wit laken van bevroren dauw. Meer dan 30.000 jonge Duitse soldaten liggen hier, even ten oosten van Eindhoven, begraven. Ze zijn gesneuveld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van hen is een naamgenoot van Winnen.

‘Als kind kwam ik hier vaak’, zegt hij. ‘Mijn moeder sprak altijd met een grote compassie over deze jonge knullen, die niets te vreten hadden en in broeken liepen die ze van de boeren moesten stelen. Op verzoek van een Duitse man die op een dag in ons dorp stond, heeft ze na de oorlog jarenlang het graf van een jonge soldaat, zijn zoon, verzorgd.’

Zelf ontsnapte Winnen aan de dienstplicht. Wegens ‘geestelijk ongeschikt’ werd hij afgekeurd voor het leger en dus kon hij wielrenner worden. Vooral in de Ronde van Frankrijk schitterde hij: hij won twee keer op Alpe d’Huez en werd derde in de Tour van ’83.

Toen al las hij Primo Levi, Ivan Toergenjev, Nescio en Gerard Reve. Voor de krant hield hij een dagboek bij en na zijn carrière legde hij zich verder op het schrijven toe. Zijn debuut, Van Santander naar Santander, werd meteen een klassieker, zijn columns verschenen in NRC Handelsblad en later ook in de Volkskrant. Tweeëndertig van zijn wielerverhalen zijn nu gebundeld en uitgebracht onder de titel De dag dat ik in de berm ging zitten.

Ik zou nog steeds niet kunnen zeggen hoe je het moet doen, rouwen. Een deel van de pijn zit zo diep en is zo pijnlijk dat ik er niet meer aankom.

‘Ik heb een instabiel bekken’, zegt Winnen bij het begin van onze wandeling. ‘Sinds een aanrijding met een auto, waardoor ik ben moeten stoppen met wielrennen. Vooral tijdens het wandelen heb ik er last van. Soms moet ik om de tweehonderd meter even halt houden.’

Hoe gaat u om met uw veranderende lichaam?

PETER WINNEN: Ik vind het wel prima, zolang het allemaal maar een klein beetje werkt. Toen ik pas gestopt was met koersen, heb ik door die heupblessure jarenlang niets kunnen doen. Dat was een enorme schok, hoe ik in zo’n korte tijd mijn conditie helemaal kon kwijtraken. Maar intussen fiets ik weer drie, vier keer per week. Wel meestal alleen en nooit langer dan twee uur.

U wilt uzelf niet langer meten met anderen?

WINNEN: De competitiedrang was verdwenen op de dag dat ik stopte met koersen. Mijn middelste zoon, 41 is hij, begon een jaar of vier geleden te fietsen, terwijl hij vroeger nooit iets van sport moest weten. En nou is die fanatiek! Ik kan hem niet meer bijhouden. Afgelopen zomer reed hij met een vriend een parcours langs de provinciegrens van Limburg: 405 kilometer, met een gemiddelde snelheid van bijna 34 kilometer per uur! Dat kan ik niet meer. Zo’n lange rit heb ik zelfs nooit gereden. (lacht)

Brengt het fietsen ook uw geest in beweging?

WINNEN: Ik kom nog iedere keer weer met een frisse kop thuis, en dat helpt me natuurlijk bij het schrijven. Na een halfuur of drie kwartier op de fiets hoef ik geen enkele moeite meer te doen voor het vormen van een gedachte, die komen me zomaar gratis en voor niks te binnen.

In de eerste helft van uw leven hebt u zich grotendeels gewijd aan uw lichaam, in de tweede aan uw geest. Voelde dat aan als een wedergeboorte?

WINNEN: Het was een totale omslag, ja. Ik kreeg er als het ware een tweede leven bij. Hoewel ik als kind en als puber al veel schreef, gedichten vooral, en ik uit een nest kom waarin de kinderen allemaal wel een of andere aanvechting hadden. Mijn drie zussen hebben kunstacademie gedaan en mijn broer speelde in zijn vrije tijd in een orkestje. We zochten dus elk op onze manier naar expressie. Bovendien delen wielrennen en schrijven veel: een bepaalde gepassioneerdheid, een hang naar perfectionisme en esthetiek ook. Hoe lelijk de renners er soms ook uitzien na tweehonderd kilometer koersen, ik kan nog altijd genieten van de schoonheid van de sport. Er is toch bijna niets mooiers dan een beeld uit de helikopter van een lint coureurs dat begint te verbrokkelen? De kleine mens in het grote landschap: het is de vrije ruimte op zich, zonder begin en zonder einde. En datzelfde gevoel heb ik bij literatuur of poëzie. Je weet wat je wilt maken, maar de vorm is er nog niet. Die moet telkens weer vanuit het niets opgetrokken worden.

‘Het verlangen om een mythe te worden, het verlangen om in de overlevering bezongen te worden als de vogel Phoenix terwijl men al krom loopt en rochelt en wartaal uitslaat, is van alle tijden en onuitroeibaar’, schrijft u in uw nieuwe boek. ‘Het is de motor van de jeugd.’ Is het u daar nog altijd om te doen, een mythe worden?

WINNEN: Nee, tijdens het schrijven ben ik niet bezig met de overlevering. Ik kijk net met zoveel plezier terug op het wielrennen omdat het alles te maken heeft met jeugd, absurde dromen en ijzer breken met je blote hand. Maar dat kun je alleen maar op die leeftijd, zo rigoureus en compromisloos en onbezonnen erin gaan. Tussen je vijftiende en je dertigste slaag je erin om een bewustzijnslaag, een energielaag aan te boren waar je daarna niet meer goed bij kunt. Je neemt risico’s, je probeert dingen uit, je bent toch een beetje een ontdekkingsreiziger. Als wielrenner trek je de wereld in, maar je ontdekt ook wat er in jezelf speelt en broeit en tevoorschijn gebracht kan worden. Dat gevoel is weg.

Peter Winnen, De dag dat ik in de berm ging zitten, Thomas Rap, 256 blz., 21,99 euro
Peter Winnen, De dag dat ik in de berm ging zitten, Thomas Rap, 256 blz., 21,99 euro

Wat hebt u destijds in uzelf ontdekt?

WINNEN: (denkt na) Ik had altijd al een vreemde houding: ik was tegelijk beschouwer, student van mezelf én actief deelnemer. Tussen start en finish moest ik tot het gaatje, maar buiten de wedstrijd stond ik veel meer reflecterend in het leven. Ik genoot van de waanzin, maar vanaf een afstand zag ik ook dat het inderdaad waanzin was en kon ik er nog hartelijk om lachen ook.

In zijn voorwoord bij uw nieuwe boek dicht Bert Wagendorp u een ‘speelse geest’ toe.

WINNEN: Ik weet zelf niet of dat wel zo is. Ik kan ook somberen en piekeren. Dan moet ik me er als het ware doorheen vreten, door de realiteit. Het is niet altijd even gemakkelijk om er een zin in te ontdekken.

Wat is voor u de zin van het leven?

WINNEN: Ik heb geen idee. Echt niet. Terwijl ik me toch al veel moeite heb getroost om een antwoord op die vraag te vinden. In mijn adolescentie, net voordat ik beroepsrenner werd, was het een wezenlijke vraag die ik per se moest beantwoorden om verder te kunnen. Mijn antwoord toen was: koersen. Maar is dat nou zo zinvol? Niet direct, maar het paste bij mijn aard. Als ik nu een antwoord zou moeten formuleren, zou ik zeggen dat je op de toppen van je bewustzijn moet proberen te leven. Dat je zo ruim mogelijk moet zijn, zo compassievol mogelijk. Iedereen zit in hetzelfde schuitje, er is niemand die echt antwoorden heeft: die houding.

Lukt u dat elke dag?

WINNEN: Zeker niet, maar over het algemeen ben ik best wel opgewekt en solide. Grond onder de voeten, dat gevoel. Ik treed de mensen die me nabij zijn met begrip en liefde tegemoet. En het liefst zadel ik hen niet op met mijn eigen onvolkomenheden, dat is ook belangrijk. (zwijgt even) Maar hier lopen en naar de zon kijken vind ik ook al zinvol.

U kunt naar verluidt goed nietsnutten.

WINNEN: Dat heeft daar inderdaad ook mee te maken. Ik denk dat het belangrijk is om af en toe niet als een kip zonder kop rond te hollen. Want dat maakt toch een groot deel van ons bestaan uit: rondhollen als een kip zonder kop, in cirkeltjes ook nog eens. De mens moet nu eenmaal alles bestuderen, mentaliseren en catalogiseren met een instrument dat er helemaal niet op toegerust is om het leven te begrijpen. Maar zolang je maar vaak genoeg nietsnut, is het allemaal goed te behappen. (lacht) Dan overvalt me weleens het gevoel: wat is het toch verschrikkelijk mooi, dit leven.

De voorbije jaren hebt u nochtans ‘alle hoeken van de existentie gezien’, na de dood van uw vrouw in 2013.

WINNEN: O ja. Dat was een lastige periode en ik zou nog steeds niet kunnen zeggen hoe je het moet doen, rouwen. Onlangs overleed de partner van een goede bekende en ik zou hem graag willen bijstaan. Dat kan tot op zekere hoogte wel, maar er is geen enkel recept voor dat soort verdriet, voor dat soort leegte. Ik heb mezelf niet afgesloten voor gelijk welke emotie, ik heb het allemaal binnengelaten en voor zover dat kon ook weer bestudeerd. Op zich is het best leerzaam om te weten te komen wat er in een wezen omgaat, maar het is niet de gemakkelijkste weg om het zo te verwerken, zo reflecterend. Het lijkt soms wel of ik het verdriet projecteer op een scherm, om het vanaf een zekere afstand te bekijken. Bij een deel van de pijn kom ik gewoon niet meer, die zit zo diep en is zo pijnlijk dat ik er niet meer aankom. Zoals bij een geologische bodemkaart zijn de lagen verdriet op elkaar gestapeld.

Zolang je maar vaak genoeg nietsnut, is het allemaal goed te behappen. Dan overvalt me weleens het gevoel: wat is het toch verschrikkelijk mooi, dit leven.

Vervloekt u uw geest weleens?

WINNEN: Ik denk soms: kon ik maar wat minder reflecteren. Het is toch veel gemakkelijker om er zomaar op los te leven? Op zulke momenten is er maar één ding dat zinvol is en dat is op een fiets stappen. Dan kom ik weer tot rust en verdwijnen mijn vastgelopen gedachten helemaal. (zwijgt even) Als je erin slaagt wat afstand te nemen, komt er tegelijk ook veel ruimte in de plaats van de pijn. Dan zie je je persoonlijke verdriet in een groter perspectief, in een groter geheel, en lijkt het op te lossen in een groter licht, als ik dat woord mag gebruiken. Alsof er een zon schijnt over je pijn.

Bent u gelovig?

WINNEN: Vroeger was ik erg devoot. Ik ben misdienaar geweest en in mijn jongenskamer hing een schilderijtje van een engelbewaarder. Hij stond aan de rand van een kanaal, met zijn vleugels om twee kindjes heen om hen te beschermen. Dat beeld alleen al is voor een groot deel bepalend geweest voor mijn levenshouding. Ik heb altijd een zekere onbevreesdheid in me gehad, ik had altijd het gevoel dat het allemaal wel goed zou komen. Door wat er in de wereld gebeurde, de Vietnamoorlog vooral, ben ik mijn geloof kwijtgeraakt. Maar ik ben toch in positieve zin door het geloof geaffecteerd, als een omgekeerd trauma. Al denk ik intussen wel dat je vooral niet bij de godsdiensten moet zijn als je op zoekt bent naar religiositeit. De instituten hebben veel aan spiritualiteit weggehaald, vermoord zelfs.

Waar vindt u die spiritualiteit?

WINNEN: Ik zoek niet actief, meestal komt ze gewoon tot me. In een paar noten, als ik muziek aan het luisteren ben. In een paar regels, proza of poëzie. In een bepaalde stand van de zon of in de manier waarop een schaduw valt. Hele kleine dingen, niets bijzonders. En in de liefde natuurlijk ook. Ik woon nu samen met Mieke, een goede vriendin van Yvonne, mijn vrouw, en ik merk opnieuw dat de liefde een van de grootste krachten in de existentie is. En dan heb ik het niet alleen over mensen, ik zie vaak dieren die een grotere liefde in zich hebben dan veel mensen. En ze denken er niet eens over na ook. (lacht)

Is er een dier waarmee u zich vereenzelvigt?

WINNEN: Typisch dat je dat vraagt: ik kwam niet zo lang geleden een opstelschrift van mezelf tegen van toen ik tien was. De opdracht was om een verhaal te schrijven over wat voor dier je zou willen zijn en waarom. Ik hield het toen op een olifant, ook al kende ik niets van olifanten. Ze leken me gewoon zo majestueus. (lacht) Nu zou ik voor de albatros of de buizerd kiezen. Op thermiek vliegen, overzicht hebben, je onttrekken aan de wereld onder je, solitair leven: daar herken ik me wel in. Ik ben geen extravert, dat is wel duidelijk. De ‘gezelligheid’ die veel mensen nu zo missen, in coronatijd, ik begrijp het niet. Goed gezelschap sla ik niet af, ik ben geen kluizenaar en ook geen asceet, maar het hoeft toch niet 365 dagen per jaar ‘gezellig’ te zijn?

U gaf uw moeder als grafgift de witte jongerentrui uit de Tour van ’81 mee. Gelooft u in een hiernamaals?

WINNEN: Nee, hoegenaamd niet. Ik vond het gewoon een mooie geste. Mijn moeder was een grote fan, van mij maar ook van de sport. Pas een paar jaar voor ze stierf, ben ik te weten gekomen dat ze in haar jeugd, op de boerderij van haar ouders, al stiekem naar de radioverslagen van de Tour luisterde. Ze was een nieuwsgierig mens, maar ze zat opgesloten op de boerderij en in de conventies van de streek, waarin niets kon en mocht, alleen maar werken en baren. Wielrennen was voor haar een uitvlucht.

Voor u ook?

WINNEN: Voor een groot deel wel, ja. Wielrennen was voor mij ook escapisme, een uitweg uit het geregelde leven. Ik had een grote hang naar vrijheid en ruimte. Terwijl ik nu denk: ik had net zo goed natuurwetenschapper kunnen worden, dan was ik even gelukkig geworden. (zwijgt even) De bodem van ons bestaan is de totale ontkenning van leven, denk ik, en de beste momenten zijn die waarin je een bepaalde tijdloosheid kunt ervaren, waarbij je loskomt van je lichaam. Want een lichaam is vaak een probleem: je zit er maar in, je kunt er niet uit, het is niet perfect. Er is een of andere blinde energie aan de gang die het allemaal maar blijft opduwen, alsof we een vulkaan zijn. Dan is het toch wonderlijk dat er zoiets als een evolutie plaatsvindt, met de homo sapiens als voorlopig eindresultaat, en dat het allemaal maar verder sukkelt en pruttelt op deze aarde. (lacht) Misschien komen die tijdloze ervaringen nog wel het meest in de buurt van een hiernamaals. En gek genoeg krijg je ze meestal net wanneer je fysiek bezig bent. Ik herinner me nog goed hoe ik als jongetje hier in de buurt keer op keer een grote zandduin afreed: totale controle hebben zonder controle uit te oefenen, zo lekker was dat.

Peter Winnen

– is 64 jaar

– Woont in Venray, met zijn nieuwe vriendin

– Behaalde zijn diploma voor onderwijzer, maar werd beroepswielrenner

– Won vier etappes in de Ronde van Frankrijk, waaronder twee op Alpe d’Huez, en werd in 1983 derde in het eindklassement

– Legde zich na zijn carrière toe op schrijven

– Zijn bekendste boek is Van Santander naar Santander – Brieven uit het peloton. Zijn columns verschijnen in de Volkskrant

Partner Content