Opinie

Lien Bertier

‘Onmiddellijk draconische maatregelen opleggen aan alles wat met CRISPR is aangeraakt, is niet rationeel’

Lien Bertier postdoctoraal onderzoeker, University of California, Davis

‘Hebben we met de klimaatopwarming nog wel de tijd voor klassieke veredeling’, vraagt onderzoeker Lien Bertier (University of California) zich af bij de recente discussie over nieuwe teelttechnieken.

Gisteren besliste het Europees Hof van Justitie dat gewassen die genwijzigingen ondergingen aan de hand van CRISPR/Cas9 en andere NBT’s (new breeding techniques of nieuwe teelttechnieken) op dezelfde manier als ggo’s moeten worden gereguleerd. Volgens Groen en de milieubewegingen is dat een overwinning voor de consument en het milieu. Maar is dat wel zo?

Een voorbeeld van een belangrijk internationaal project dat enorm veel baat kan hebben van CRISPR technologie is de ontwikkeling van C4-rijst. Kort samengevat willen onderzoekers een bestaand mechanisme voor fotosynthese inbouwen in rijst, een gewas dat van nature op een minder efficiënte manier aan fotosynthese doet. Introductie van deze eigenschap zou de fotosynthesecapaciteit tot 50% kunnen verhogen, daarnaast zou ook stikstof efficienter gebruikt worden en zullen de planten dubbel zo zuinig omgaan met water.

Onmiddellijk draconische maatregelen opleggen aan alles wat met CRISPR is aangeraakt, is niet rationeel.

Een onmiddellijk gevolg van het ‘njet’ van het Europees Hof van Justitie zal het achterblijven van Europa zijn in dergelijk onderzoek. Ons land is nochtans een pionier in de biotechnologie. Marc Van Montagu en Jeff Schell, twee Belgische onderzoekers, ontwikkelden de eerste genetisch gemodificeerde plant in 1983. Ons eigen VIB (Vlaams Instituut voor Biotechnologie) is vandaag een internationale koploper in de plantenbiotechnologie. Groen-politicus en Europarlementslid Bart Staes blijft herhalen dat hij niet tegen fundamenteel onderzoek is, maar deze beslissing zal ongetwijfeld de financiering van dit soort onderzoek afremmen.

Tegenstanders grijpen ook steeds terug naar het voorzorgsprincipe dat stelt dat ‘als een ingreep ernstige of onomkeerbare schade kan veroorzaken aan de samenleving of het milieu, de bewijslast bij de voorstanders van de ingreep ligt als er geen wetenschappelijke consensus bestaat over de toekomstige schade’.

Aan de wetenschappelijke consensus over de precisie en veiligheid van CRISPR wordt hard gewerkt, en (gecontroleerde) veldproeven zoals die van het VIB zijn daarbij noodzakelijk. Dat die consensus er nog niet is is logisch gezien de technologie nog in de kinderschoenen staat (CRISPR is slechts 5 jaar oud). Ondertussen zou de eventuele regulering van nieuwe plantentoepassingen op een ‘case-by-case’ basis kunnen geëvalueerd worden, zoals dat bijvoorbeeld in Argentinië en Canada wordt gedaan.

Onmiddellijk draconische maatregelen opleggen aan alles wat met CRISPR is aangeraakt, is niet rationeel. Met de klimaatopwarming hebben we creatieve technologiën zoals deze nodig om voedseltekorten te vermijden. Voedselschaarste is zelfs in Europa mogelijk, maar zal zich eerst en het hardste uitspelen in ontwikkelingslanden. In Europa hebben we voorlopig nog de luxe om CRISPR voedsel uit de supermarkt te bannen, maar op wereldschaal getuigt deze beslissing van een gebrek aan lange termijnvisie.

CRISPR zorgt in de meeste gevallen voor gerichte mutaties in het DNA die niet te onderscheiden zijn van mutaties die op natuurlijke wijze (bijvoorbeeld door UV of hybridisatie) geïntroduceerd werden. Er zijn dus geen ‘vingerafdrukken’ in het DNA te vinden en er is daardoor ook geen manier om deze CRISPR mutanten van natuurlijke mutanten te onderscheiden. Zulke CRISPR-toepassingen in planten vallen dus ook buiten de officiële definitie van een ggo. Toch zullen ze als dusdanig gereguleerd worden. Moesten er door CRISPR toch ongewenste mutaties ontstaan, iets wat zelfs in de klassieke veredeling niet uitgesloten is, kunnen we dit eenvoudig controleren en oplossen aan de hand van DNA sequencing en terugkruisingen, vooraleer die planten in het milieu los te laten.

Er lijkt ook een duidelijke verschuiving te zijn in de argumenten die de anti-biotech beweging aanhaalt in hun betoog tegen CRISPR en ggo’s. Waar men zich vijf tot tien jaar geleden vooral zorgen maakte over de volksgezondheid, wordt nu vooral gefocust op maatschappelijke en socio-economische aspecten. Mag ik dan nu aannemen dat zij stilzwijgend akkoord gaan met het feit dat CRISPR en/of ggo’s geen gevaar zijn voor de volksgezondheid? Actuele stokpaardjes zijn het patenteren van zaden en gewassen en monopolievorming in de agro-industrie, wat volgens hen door de hoge ontwikkelingskost van ggo’s en NBT’s wordt bewerkstelligd.

Dat zijn belangrijk aspecten, maar is het niet juist de extreem dure reglementering die de ontwikkelingskost van ggo’s zo hoog hebben gemaakt, en dus de facto enkel betaalbaar door grote bedrijven?

Er wordt vanuit de politiek ook opgeroepen naar meer transparantie van wetenschappers omtrent de potentiële risico’s van NBT’s.

Op dat punt kunnen wetenschappers inderdaad best een versnelling hoger schakelen, alleen al om de wetenschappelijke (on)geletterdheid van vele politici wat bij te schaven. Er zijn tot op vandaag echter weinig stimulansen voor academici om hiervoor hun nek uit te steken. Academische jobs en onderzoeksfinanciering worden voornamelijk uitgedeeld op basis van het aantal publicaties. Met inspanningen rond wetenschapscommunicatie wordt weinig rekening gehouden. Tenslotte kan ik met een oude anekdote misschien licht werpen op een tweede reden waarom gentechnologen niet staan te popelen om naar buiten te komen.

Een tiental jaar geleden kreeg ik een opmerking van een studiegenoot Bio-Ingenieur. Toen ik antwoordde op de vraag welke afstudeerrichting ik volgde (biotechnologie) kreeg ik – inclusief ontgoocheling op het gezicht – te horen: ‘Ah, jij bent er zó een’.

Lien Bertier is postdoctoraal onderzoeker aan de University of California, Davis en behaalde haar doctoraat in de toegepaste biologische wetenschappen aan de UGent in 2014, ze studeerde af als bio-ingenieur in de cel- en genbiotechnologie aan de KU Leuven in 2008.

Partner Content