Het schooljaar is goed en wel begonnen, maar niet voor alle kinderen. In Brussel hebben honderden kleuters hun start in het Nederlandstalig onderwijs letterlijk gemist. 987 kinderen vielen op maandag 2 september naast een stoel in de eerste kleuterklas, zo blijkt uit gegevens van Lokaal Onderwijsplatform Brussel. Die groep bestaat hoofdzakelijk uit dezelfde kinderen die een andere LOP-grafiek stofferen. Van de 2663 kinderen die eerder dit jaar werden aangemeld voor een Nederlandstalige onthaalklas, werden er 877 wegens plaatsgebrek geweigerd. De onthaalklas is de korte tussenstap na crèche of thuisopvang, bedoeld om ukkies vanaf 2,5 jaar voor te bereiden op de eerste kleuterklas waar ze als driejarigen aan hun eigenlijke schooltraject beginnen. Lang dus voor de leerplicht van 6 tot 18 jaar hun jonge levens in een plooi legt, maar dat doet niets af aan de ernst van de situatie. Alle pedagogen en onderwijskundigen zullen wijzen op de cruciale rol van kleuteronderwijs in de cognitieve en sociale ontwikkeling van jonge kinderen. Niet voor niets wordt daarbij gepleit voor een opwaardering van de opleiding en het statuut van kleuterleiders, met als inspiratie Finland, waar kleuteronderwijs door leerkrachten met een masterdiploma wordt verstrekt.

De groei komt grotendeels op het conto van gezinnen waar Nederlands geen thuistaal is.

In Brussel is de inzet nog net iets groter. Het Nederlandstalige onderwijs kende de voorbije 20 jaar een enorme groei in de hoofdstad. Volgens de jongste februaritelling zaten vorig schooljaar 47.151 kinderen _ van kleuters tot middelbare scholieren _ op een Nederlandstalige school. Ter vergelijking: in 1999 waren het er 31.917. Het marktaandeel schommelt naargelang de leeftijd: bij de kleuters ruim boven de 20 procent, in het secundair rond 16 procent. Feit is dat het Nederlandstalige onderwijs garant staat voor een vijfde van de onderwijsbehoeften in het hoofdstedelijk gewest. Dat is veel meer dan het Vlaamse aandeel in de Brusselse bevolking. Het aantal homogeen Nederlandstalige gezinnen wordt op 10 procent geschat, met de taalgemengde gezinnen erbij komt men op 15 procent uit. De groei komt dus grotendeels op het conto van gezinnen waar Nederlands geen thuistaal is. Die aantrekkingskracht is niet nieuw. Het Nederlandstalig onderwijs geniet kwalitatief een veel betere reputatie dan zijn Franstalige tegenhanger die al decennialang met onderfinanciering kampt en mede daardoor achterop hinkt in vergelijkende statistieken zoals de bekende PISA-ranking.

Niemand betwist dat een goede beheersing van de instructietaal noodzakelijk is voor een kansrijke schoolloopbaan. Anderstalige ouders die voor een Nederlandstalige school kiezen, hebben er dan ook alle belang bij hun kind zo snel mogelijk in een Nederlandstalig bad onder te dompelen. Vandaar de strijd om een stoel in de onthaalklas, de flessenhals van het systeem. Wie bij die eerste horde uit de boot valt, krijgt het immers knap lastig om verderop in het traject nog een plaats te versieren. De eerste kleuterklassen stromen meteen vol met kinderen uit de onthaalklas of anderen die voorrang genieten omdat ze al een broer of zus op dezelfde school hebben. Nog later instappen is helemaal heikel aangezien kinderen vanaf het tweede kleuterjaar aan een taaltoets worden onderworpen.

Niet meer kamperen

Capaciteitstekort in het lager onderwijs in Brussel is een oud zeer. Els Lenaerts, onderwijzeres in een vrije basisschool in hartje Molenbeek, richtte vier jaar geleden een burgerforum op om het probleem aan te kaarten. Ieder Kind Een Stoel hield het niet bij mediacampagnes maar sleurde de Belgische staat, de Vlaamse Gemeenschap en het GO! voor de rechter wegens het schenden van het grondwettelijk recht op onderwijs. Tevergeefs, de via crowdfunding gefinancierde vordering werd in februari in eerste aanleg afgewezen. Maar Lenaerts en haar medestanders geven niet op. Bij het begin van het schooljaar lanceerden ze een meldpunt voor gedupeerde ouders. 'De voorbije weken moest onze directrice dagelijks enkele wanhopige mama's en papa's uit de buurt teleurstellen', zegt ze. 'Dat ze beter een Franstalige school konden zoeken, en anders konden ze het in januari via het digitale aanmeldingssysteem nog eens proberen. Zo gaat dat ieder jaar in september.'

Anderstalige ouders die voor een Nederlandstalige school kiezen, hebben er alle belang bij hun kind zo snel mogelijk in een Nederlands taalbad onder te dompelen.

Dankzij het onlineaanmeldigssysteem wordt er niet meer gekampeerd voor de schoolpoort. 'Een goede zaak,' geeft Lenaerts toe, 'maar dat kamperen had een voordeel voor laaggeschoolde ouders met weinig kennis van het schoolsysteem - ouders zoals er in Molenbeek heel veel wonen. Een wachtrij of tenten voor een schoolpoort, dat was het signaal om alsnog in actie te schieten. Nu lopen de klassen vol zonder dat ze er erg in hebben, tot ze voor voldongen feiten staan. We proberen wel te helpen, samen met partners zoals De Foyer en jongerencentrum D'Broej die ouders sensibiliseren en begeleiden bij het inschrijven. Maar het blijft dweilen met de kraan open. Voor ons is dit een kwestie van sociale rechtvaardigheid. Het is onaanvaardbaar dat kinderen van 2,5 jaar al in de marge van de samenleving worden geduwd.'

Maar niet alleen kansarme kinderen worden getroffen, dat heeft Dorien (*) ondervonden. Homogeen Nederlandstalige gezinnen zijn in Elsene dun gezaaid. Reden genoeg voor Dorien en haar partner om de inschrijvingsprocedure voor de onthaalklas met vertrouwen tegemoet te zien. 'Onze voorkeursschool lag op 500 meter van onze deur', zegt ze. 'In januari waren er volgens de LOP-website nog 10 plekken vrij. Voor de zekerheid hebben we nog twee andere scholen opgegeven met telkens 5 vrije plaatsen. Tot onze ontzetting kregen we in maart het bericht dat geen van de drie scholen een plaats had voor mijn dochter. Te veel vraag, was de uitleg aan de telefoon. Ik kreeg de raad een school in de Vlaamse Rand te zoeken, in Kraainem of Wezembeek-Oppem. Dat was wel het toppunt: we hebben juist voor Brussel gekozen om dicht bij het werk te wonen'.

Slapeloze nachten en stress waren het gevolg, Dorien en haar partner overwogen zelfs om uit Brussel te verhuizen. 'Je wordt er wantrouwig door', zegt ze. 'Waarom hebben anderen wel een plek gekregen? Hebben ze misschien gesjoemeld met hun werkadres? De afstand van woon- of werkadres speelt mee in de toewijzing, naast GOK-criteria (Gelijke Onderwijskansen, nvdr) die voor ons niet van toepassing waren, en uiteraard de taalfactor waarvan, we dachten dat die in ons voordeel zou spelen. Dat bleek een misrekening. Volgens het inschrijvingsdecreet volstaat het dat een van de ouders een certificaat Nederlands B2 kan voorleggen, een zeer haalbaar niveau voor de hoogopgeleide Franstaligen en expats in Elsene. Uiteindelijk hebben we ons erbij moeten neerleggen: de criteria werden objectief toegepast, het lag inderdaad aan het structureel plaatsgebrek in het Nederlandstalige basisonderwijs.'

'École poubelle'

Wachten tot eind mei, het begin van de vrije inschrijvingen, was een riskante optie. Eventuele opengevallen plaatsen - niet alle toewijzingen worden met een effectieve inschrijving verzilverd - worden per school vergeven, vaak volgens het 'eerst komt, eerst maalt'-principe. Dorien koos een andere weg: na de nodige telefoons en e-mails naar kabinetten en ambtenaren kon haar dochter alsnog op de gewenste school terecht. Geen achterpoortje voor laaggeschoolde ouders zonder netwerk, ze is de eerste om het toe te geven. De meeste ouders moeten zich met een minder ideale oplossing tevredenstellen.

172 kinderen, veelal peuters van 2,5 à 3 jaar, bleken uiteindelijk helemaal nergens ingeschreven.

Het LOP Brussel voerde een onderzoek naar de 3300 kinderen die vorig schooljaar in een instelling van het Nederlandstalig onderwijs werden geweigerd. Het cijfer omvat alle leeftijden, eerste aanmeldingen zowel als herinschrijvingen, maar kleuters vormen het leeuwendeel. Vier maanden na de start van het schooljaar bleek 70 procent toch in een Nederlandstalige school ingeschreven, 22 procent in een Franstalige school. Van de resterende 8 procent had de grote helft een andere oplossing gevonden, meestal buiten Brussel. 172 kinderen echter, veelal peuters van 2,5 à 3 jaar, bleken helemaal nergens ingeschreven.

Niet alleen de kinderen delen in de brokken, het missen van een school legt een hypotheek op het sociale en professionele leven van ouders. Hetzelfde geldt vaak voor degenen die zich tevreden moeten stellen met een school buiten hun voorkeurslijstje. 'De capaciteitsproblemen zijn het grootste in Molenbeek, Brussel Stad, Laken, Schaarbeek en Sint-Joost', zegt Lenaerts. 'Niet toevallig de armste buurten met de grootste bevolkingsgroei. Vaak zijn er nog enkele paar plaatsen vrij in perifere gemeenten zoals Ukkel, Sint-Lambrechts Woluwe of Vorst. Vanuit Laken of Schaarbeek betekent dat dagelijks twee uur pendelen in volle spits. Ik ken ouders met kinderen op twee of drie verschillende scholen. Die hebben helemaal geen leven meer.'

Volgens Lenaerts is er boven op die groep van 172 sprake van een dark number: kinderen die verdwijnen in de administratieve kloof tussen de twee taalgemeenschappen. Er worden wel leerlingengegevens uitgewisseld tussen het Nederlands- en het Franstalige onderwijs, maar van structureel overleg of samenwerking is nauwelijks sprake. Het Franstalig onderwijs is bovendien erg verschillend georganiseerd. Kleuters worden niet centraal geregistreerd, er bestaat geen digitaal aanmeldingsplatform, directies zijn evenmin gebonden aan stringente criteria zoals het Vlaamse inschrijvingsdecreet. De vrijheid om de instroom te sturen, verklaart waarom er nog veel meer dan in Vlaanderen sprake is van witte elitescholen en concentratiescholen, ook wel écoles poubelles genoemd.

'Ook het Franstalige onderwijs kampt in Brussel met capaciteitsproblemen', zegt Lenaerts. 'Alleen worden die anders opgelost. In plaats van kinderen te weigeren, plaatsen ze almaar meer stoelen, desnoods tot in de kelder. De wet laat het toe: er zijn geen decretale klasnormen zoals bij ons. Slecht voor de reputatie, dat wel, maar heel wat directies krijgen het niet over hun hart een kind te weigeren. Ook de Franstalige basisschool waarmee we de campus in Molenbeek delen, is hopeloos overbevolkt. De directeur heeft dit jaar voor het eerst een kind moeten weigeren. Hij was er niet goed van.'

Ik ken ouders met kinderen op twee of drie verschillende scholen. Die hebben helemaal geen leven meer.

Niemand, ook Lenaerts niet, zal ontkennen dat de Vlaamse overheid het probleem ernstig neemt. De VGC, het kanaal waarlangs Vlaamse middelen voor gemeenschapsmateries zoals onderwijs, cultuur, jeugd en welzijn naar Brussel worden gesluisd, investeert fors. Sinds 2012 werden in het basisonderwijs 6300 extra plaatsen gecreëerd, de komende jaren volgen er nog 4300. In het secundaire onderwijs staat een expansie met 5600 plaatsen op stapel, een noodzaak aangezien het capaciteitsprobleem vanaf de onthaalklas schooljaar na schooljaar opklimt. Voorlopig is er in het middelbaar nog geen acuut probleem, maar de druk neemt toe. Uit onderzoek blijkt dat anderstalige kleuters die in een Nederlandstalige school instromen meer dan vroeger geneigd zijn hun volledige onderwijstraject in het Nederlands af te leggen.

Meertalig onderwijs

Het Nederlandstalige onderwijs in Brussel, verspreid over 177 basisscholen en 56 secundaire scholen, is een zegen voor de bouwsector. Naast de uitbreiding en modernisering van de bestaande infrastructuur worden er compleet nieuwe scholen opgetrokken. Het GO! opende vorig jaar in Koekelberg een aso-campus voor 800 leerlingen waar binnenkort een basisschool met kinderdagverblijf bovenop komt. Het katholiek onderwijs kreeg groen licht voor het Pacheco-project in Schaarbeek, een pedagogische hub met een tienerschool als schakel tussen de lagere en secundaire afdeling. Het aantrekken van leerkrachten om al die extra klassen in het 'moeilijke' Brussel te bedienen vinden, is een uitdaging op zich.

Het voorbije schooljaar groeide de capaciteit in het basisonderwijs voor het eerst sneller dan de vraag, een verschil van één procent. Te weinig om van een echte kentering te spreken, en een magere troost voor de honderden ouders die alweer geen school hebben gevonden. Sven Gatz (Open VLD), minister in de nieuwe Brusselse regering, tevens minister van Brusselse aangelegenheden in de ontslagnemende Vlaamse regering, is bevoegd voor het Nederlandstalige onderwijs in de hoofdstad. Hij erkent maar relativeert het capaciteitsprobleem. 'Het is heus niet zo dat er in Brussel honderden kinderen ronddwalen bij gebrek aan schoolbanken', zegt hij. 'Oké, heel wat ouders krijgen niet hun eerste keuze, maar uiteindelijk komt iedereen wel terecht, in het Nederlands- of het Franstalige onderwijs. We werken trouwens steeds nauwer samen, daar heeft mijn voorganger Guy Vanhengel nog voor gezorgd.'

Het aantrekken van leerkrachten om al die extra klassen in het 'moeilijke' Brussel te bedienen vinden, is een uitdaging op zich.

Gatz is als Brussels minister onder meer bevoegd voor meertaligheid. Dat treft, want heel wat onderwijsexperts zien een eigen, meertalig, Brussels net als dé oplossing voor de problemen in het hoofdstedelijke onderwijs. Er lopen al experimenten in die richting: aan de Erasmushogeschool en de Haute-École Francisco Ferrer wordt de eerste lichting tweetalig gevormde leerkrachten opgeleid die in lagere scholen van beide gemeenschappen aan het werk kunnen.

'Een goed initiatief', zegt Gatz. 'Maar een Brussels onderwijsnet zie ik niet meteen zitten. Dat idee duikt om de zoveel jaren op, zoals het monster van Loch Ness. Alleen al de crisis in het Franstalige onderwijs staat zo'n scenario in de weg. Als je de twee systemen nu zou fuseren, is het nettoresultaat een daling van de gemiddelde kwaliteit. Natuurlijk is meertaligheid in het onderwijs een troef, maar er is meer dan één weg naar de zaligheid. Ga een kijkje nemen in onze Vlaamse scholen in Brussel, dan zul je merken dat daar lang niet alleen Nederlands wordt gesproken. De realiteit loop voor op de politiek, zoals vaak.'

(*) Om privacyredenen werd een schuilnaam gebruikt.