De geneeskunde, en dan in het bijzonder de huisartsgeneeskunde, vervrouwelijkt sinds enkele decennia. Volgens de recentste statistieken (2018) van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid telt Vlaanderen 9204 erkende huisartsen, van wie 3801 vrouwen en 5403 mannen. In de oudste groep (65+) daarvan vind je nog 2211 mannen tegenover slechts 197 vrouwen. Maar in het jongste segment (25-29 jaar) zijn er 448 vrouwen tegenover 168 mannen. En ook in de opleiding helt de balans al enkele jaren over naar de vrouwelijke kant.
...

De geneeskunde, en dan in het bijzonder de huisartsgeneeskunde, vervrouwelijkt sinds enkele decennia. Volgens de recentste statistieken (2018) van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid telt Vlaanderen 9204 erkende huisartsen, van wie 3801 vrouwen en 5403 mannen. In de oudste groep (65+) daarvan vind je nog 2211 mannen tegenover slechts 197 vrouwen. Maar in het jongste segment (25-29 jaar) zijn er 448 vrouwen tegenover 168 mannen. En ook in de opleiding helt de balans al enkele jaren over naar de vrouwelijke kant. Alleen: die vervrouwelijking zet zich niet door in de hogere lagen van het docententeam. Aan de top van de academische wereld blijven vrouwen voorlopig witte raven. Een van hen is Birgitte Schoenmakers, pas benoemd hoogleraar huisartsgeneeskunde aan de KU Leuven. Schoenmakers is niet de eerste vrouw aan de top van opleiding. Aan de Universiteit Gent volgde professor An De Sutter in 2017 Jan De Maeseneer op, die toen met emeritaat ging. De Sutter is hoofddocent en voorzitter van het Centrum Huisartsgeneeskunde aan de UGent. Noch De Sutter, noch Schoenmakers voelde zich naar eigen zeggen tegengewerkt omdat ze vrouw zijn. Waarom zet de vervrouwelijking zich dan zo moeilijk door in de hogere echelons? Schoenmakers is op haar qui-vive als we haar polsen naar genderongelijkheid in de artsenwereld. De vervrouwelijking van het artsenberoep wordt vaak als een probleem voorgesteld. Merkt u dat ook? Birgitte Schoenmakers: Dat voel je, ja. Bij de vervrouwelijking van het artsenberoep wordt in de eerste plaats gedacht aan een soort reorganisatie, een noodzakelijke herziening van de planning. Voor elke mannelijke arts die met pensioen gaat, zullen twee, drie vrouwelijke artsen moeten worden ingezet, redeneert men, want de oudere generatie werkte lange dagen en delegeerde alle gezinstaken. Die telling gaat niet meer op: ook jonge mannelijke artsen willen best meer evenwicht in hun work-life-balans. Je voelt ook de vrees dat er minder aandacht zal zijn voor bepaalde technische competenties, zoals het zwaardere werk in de orthopedische chirurgie, wat voor problemen zou kunnen zorgen. Het kan best zijn dat chirurgie of orthopedie (overwegend bevolkt door mannelijke artsen, nvdr) mannen beter ligt, maar daarom zijn vrouwelijke artsen nog niet minder geschikt. Ik zie het probleem niet. Er zijn nog meer dan genoeg mannelijke artsen die dat graag doen. Hoe kijkt u naar de vervrouwelijking van de huisartsgeneeskunde? Schoenmakers: Dat is een verrijking. We maken een verschuiving mee in de gezondheidszorg: we gaan van cure naar care, van acute geneeskunde naar meer chronische, multidisciplinaire zorg. Mannen en vrouwen zijn even competent, ze moeten over dezelfde lat, maar het zorgende ligt vrouwen vaak net iets beter. En daar is nu veel vraag naar. Mannen voelen zich doorgaans meer aangetrokken tot acute zorg. Dat meer vrouwen voor het huisartsenberoep kiezen, is dus een zegen gezien de behoeften van tegenwoordig. Genderevenwicht in het beroep is een goede evolutie, zolang de balans niet doorslaat naar de andere kant. Een te groot overwicht aan vrouwen, zoals in het onderwijs, kan net zo problematisch worden als een overwegend mannelijk korps. Maar dat is vandaag niet aan de orde in de huisartsgeneeskunde. Zijn vrouwelijke artsen beter geschikt voor de chronische zorg? Schoenmakers: Vrouwelijke en mannelijke artsen zijn complementair, ze versterken elkaar. Laten we er dan op toezien dat vrouwelijke artsen in de voor hen meest geschikte functies terechtkomen: in posities waar ze zich het best voelen en tegelijk competent zijn. Dat kan acute zorg zijn of chirurgie, maar het zal net iets vaker een zachtere discipline zijn, zoals huisartsgeneeskunde. Ook als arts moet je kunnen kiezen wat je graag doet. Man of vrouw zijn, is daarin van ondergeschikt belang. Kan een beginnende arts dan niet kiezen welke richting hij of zij uit wil? Schoenmakers: Sommige richtingen in de geneeskunde, zoals traumatologie, chirurgie en orthopedie, zijn overwegend mannelijk. Geregeld komen er klachten over seksisme op de werkvloer, van de weinige vrouwelijke artsen in opleiding die voor zulke richtingen kiezen. Dat seksisme en het overwicht van mannen schrikken sommige vrouwen af, terwijl ze wat graag voor zo'n richting zouden willen gaan. Dat wekt misschien de indruk dat vrouwen bepaalde competenties missen, wat helemaal niet klopt. Als er meer vrouwelijke orthopedisten of chirurgen betrokken zouden worden bij de opleiding, zouden meer vrouwelijke studenten voor die opleidingen kiezen. Seksistische opmerkingen zouden dan vanzelf achterwege blijven. Een chirurg die een vrouwelijke arts-assistent in haar billen knijpt, dat kan natuurlijk niet, maar het is zinvoller om seksisme te bestrijden door te zorgen voor een beter evenwicht van bij het begin van de opleiding. En in de opvoeding, natuurlijk. Maar dat ligt buiten onze bevoegdheden. Houdt het academische milieu genoeg rekening met vrouwen? Schoenmakers: Te weinig. De personeelsplanning in een academische setting is erop gericht om mensen binnen een welbepaald aantal uren zo efficiënt mogelijk te laten presteren. Dat klinkt logisch, en het is ook in andere sectoren zo. En toch zal een mannelijke doctoraatsstudent doorgaans enkele jaren eerder zijn doelen bereiken dan een vrouwelijke doctoraatsstudent, omdat zij, als ze een gezin wil stichten, precies in die jaren kinderen krijgt. Als ze allebei hun doctoraat behaald hebben, heeft de man meer carrièrekansen omdat hij jonger is en dus meer potentieel lijkt te hebben. Hij heeft het toch maar sneller gedaan, nietwaar? De oorzaak van dat verschil dringt nog onvoldoende door. De tijdsdruk in combinatie met een kinderwens is geen goede zaak. Het doet nogal wat vrouwen afhaken. En dat kun je niet oplossen met quota - die ik trouwens een slecht idee vind. Wat kan de universiteit doen om vrouwelijke artsen in opleiding evenveel carrièrekansen te bieden als hun mannelijke collega's? Schoenmakers: Je zou voor de opleidingsplaatsen voldoende artsen kunnen inschakelen, bijvoorbeeld anderhalve per plek, zodat zwangerschappen van collega's opgevangen kunnen worden en niet voor extra stress zorgen. Nogmaals: vrouwelijke artsen kunnen niet evenveel uren presteren als hun mannelijke collega's. De opleidingsjaren vallen tussen 25 en 35 jaar, dat zijn cruciale jaren voor wie kinderen wil. Vrouwelijke assistenten raken soms in paniek wanneer ze zwanger zijn, laat staan dat ze ouderschapsverlof durven of kunnen opnemen. Een opleider moet voor elke assistent een stageplan voorleggen, en die stage moet binnen een bepaalde termijn worden afgerond. Dat tijdsysteem zet een rem op de carrière van jonge vrouwen. De zorg voor de kinderen wordt tegenwoordig wel vrij goed verdeeld tussen de ouders. Onderzoek dat we daarnaar hebben gevoerd, toont dat jonge mannelijke artsen net zo goed als hun vrouwelijke collega's de zorg voor kinderen op zich nemen. De work-life-balans en de tijd die men met zijn gezin wil doorbrengen, heeft veel meer met leeftijd dan met gender te maken. Het is een maatschappelijke trend. Het idee dat vooral vrouwen die taken op zich nemen, gaat niet langer op in de wereld van jonge artsen. Maar zolang de academische wereld tijdlimieten hanteert, hebben jonge vrouwen dus minder kansen om carrière te maken. Je moet binnen een bepaalde tijd presteren, wil je kunnen opklimmen op de academische ladder. Dat is wettelijk zo geregeld en dat mag wel eens veranderen. Het zou beter lukken als er meer vrouwen in regulerende beleidsorganen zouden zitten en ze het punt op de agenda kunnen zetten. Helaas zitten daar amper vrouwen in. Hebben vrouwelijke artsen te weinig rolmodellen? Schoenmakers: Voor elke tien mannelijke hoogleraren is er maar iets meer dan één vrouwelijke hoogleraar. Op die manier krijgen studenten geneeskunde een mannelijke opleiding. Een van mijn studentes begint een onderzoek naar het gebrek aan vrouwelijke rolmodellen in de opleiding geneeskunde, en dat vind ik een verfrissend initiatief. Ik heb het destijds niet als een gebrek ervaren, maar ik kan me voorstellen dat het wel zinvol is in bepaalde domeinen, zoals dat van mijn jaargenote Ilse De Greef, orthopedisch chirurg in het UZ Leuven.Academisch onderwijs wordt onvoldoende gewaardeerd. Het prestige zit in onderzoek. Schoenmakers: Vrouwen nemen in de academische wereld vaker onderwijstaken op zich - dat ligt ons kennelijk beter -, maar een universiteit heeft moeite om dat te valoriseren. Wetenschappelijke publicaties kunnen makkelijk geteld worden, waardoor men liever daarop focust. Voor onderzoek en publicaties gelden strikte quota, terwijl onderwijs beoordeeld wordt aan de hand van studiepunten. Studenten evalueren hun prof ook, maar dat is moeilijk numeriek uit te drukken. Als gevolg daarvan wordt minder gewicht toegekend aan onderwijs, en zo vallen vrouwen opnieuw uit de boot. Toch is het niet onmogelijk om waardering te krijgen via onderwijstaken: ik ben er het levende bewijs van. Maar het is wel jammer dat ik een uitzondering ben. Zo word ik misschien toch een rolmodel voor vrouwelijke geneeskundestudenten, terwijl ik dat eigenlijk niet wil zijn. Waarom niet? Schoenmakers: Ik heb de middelen en de kansen gekregen om te studeren. Als het nodig was, kon ik opvang regelen voor mijn kinderen. De caissière van de supermarkt kan dat niet. Ik wil niet dat er naar mij opgekeken wordt. Oké, ik combineer mijn hoogleraarschap met een groot gezin, maar dat betekent niet dat iedere vrouw dat moet kunnen. Die boodschap wil ik absoluut niet geven. Wel hoop ik dat mijn benoeming mensen in de academische wereld aan het denken zet: tiens, het lukt haar wel. Daarvoor wil ik wel als rolmodel fungeren. (lacht)Er is een grote behoefte aan chronische zorg, maar toch gaat het gros van de middelen naar acute en technische ingrepen. Hoe verklaart u dat? Schoenmakers: De zorg voor de individuele patiënt, rekening houden met zijn wensen en behoeften, samen tot beslissingen komen: iedereen heeft er de mond van vol. En toch moeten die aspecten te vaak wijken voor specialistische en technische geneeskunde, waarbij de stem van de patiënt te weinig gehoord wordt. Ze worden in het overwegend mannelijke beleid soft gevonden, minder prestigieus. Een patiënte van mij, een vrouw van 90 die geen nieuwe hartklep meer wil omdat ze liever nog enkele jaren geniet van cruises en niet wil sterven op de operatietafel, krijgt een veeg uit de pan van de specialist omdat ze met haar leven zou spelen. Een andere patiënte, die haar alzheimermedicijnen niet langer wil innemen omdat ze er meer last dan voordelen van heeft, botst op onbegrip. In haar dossier lees ik: 'Patiënte weigert medicatie.' Maar er staat niet bij waarom. Kennelijk heeft niemand haar dat gevraagd. Er is nog een lange weg te gaan vooraleer de patiënt echt centraal staat in de zorg. Ik hoop dat dat proces versneld wordt als er meer vrouwelijke artsen aan zet zijn en een plaats innemen in beleidsorganen. En tegelijk kunnen jongere generaties mannelijke artsen er meer oog voor krijgen. (stilte) Weet u, ik hou niet van stereotyperingen. We zouden dit gesprek niet hoeven te hebben, het zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn dat er vrouwelijke hoogleraren huisartsgeneeskunde zijn. Maar tot het zo ver is, zullen we ons best doen voor meer evenwicht in alle echelons van de artsenopleiding.