De ene bij is de andere niet: ’Een derde van de bijen is afhankelijk van één plant’

Vroege zandbij. © VildaPhoto
Dirk Draulans
Dirk Draulans Redacteur bij Knack

Één derde van onze wilde bijensoorten wordt met verdwijnen bedreigd. Door pesticiden, driftig maaien én concurrentie met de honingbij.

Op zondag 22 mei, de internationale dag van de biodiversiteit, zwierven er vier soorten hommels in onze niet-gemaaide tuin: aardhommel, akkerhommel, steenhommel en weidehommel. Het determineren van solitaire bijtjes liep niet even vlot – de beestjes zitten zelden lang genoeg stil om er een duidelijke foto van te kunnen nemen. Toch kwamen er enkele leuke soorten uit de bus, zoals wimperflankzandbij, grote wolbij en behangersbij.

‘De laatste twee zijn wel bijtjes van bloemenborders en niet van gazons’, zegt Jens D’Haeseleer van Natuurpunt, een van de grootste bijenkenners van ons land. ‘Het niet maaien van een gazon in mei kan een groot effect op wilde bijtjes hebben. De paardenbloem is een van onze belangrijkste bijenplanten en bloeit vooral in mei. Ook de akkerdistel is een door bijen gegeerde wilde plant die in niet-gemaaide tuinen terecht kan komen, net als het biggenkruid. Je hoeft voor een diverse bijenpopulatie niet in te zetten op zeldzame planten. De beste bijenplanten zijn algemene inheemse soorten, zoals ook klaverachtigen en klimop.’

Groenslingers met bijenvriendelijke klimplanten als wingerd boven smalle straten kunnen geveltuintjes verbinden.

D’Haeseleer hoopt dat de ‘Maai Mei Niet’-campagne van Knack een opstap zal zijn naar een minder intensief gazonbeheer gedurende het hele jaar, en niet alleen in mei: ‘Als je systematisch blijft maaien in april en juni, zal het effect van niet maaien in mei op wilde bijtjes beperkt zijn. Veel solitaire bijtjes vliegen gedurende een beperkte periode van ongeveer een maand, waarna ze in rustmodus gaan. Je kunt ze door overdreven maaien plaatselijk in de problemen brengen.’

Slobkousbij

In 2019 lijstte D’Haeseleer met enkele collega’s 403 bijensoorten voor België op. Sommige hebben vrolijke namen, zoals de slobkousbij en de pluimvoetbij. Ongeveer de helft van de soorten bevindt zich in de gevarenzone voor verdwijnen. Er zijn bijtjes met zo’n gespecialiseerde levenswijze dat de kans klein is dat ze het bij ons zullen redden. Een voorbeeld is de ericabij, die uitsluitend in het noordelijkste puntje van de Kalmthoutse Heide voorkomt en exclusief op dopheide leeft. Door verdroging en vermesting staat haar leefgebied onder grote druk.

‘Dat er zo veel bijensoorten zijn, heeft te maken met het feit dat veel soorten een heel eigen niche hebben’, legt D’Haeseleer uit. ‘Een derde van onze bijtjes is voor hun overleving afhankelijk van slechts één plantensoort. Het is een manier om competitie te vermijden. Bovendien zijn een kleine honderd van onze bijensoorten echte koekoeken die parasiteren op andere bijtjes, dikwijls ook maar één soort. Overdreven specialisatie kan soorten in de problemen brengen in een landschap dat steeds minder divers wordt. Als gevolg van de klimaatopwarming komen er elk jaar wel een paar nieuwe bijensoorten bij. De meeste daarvan lijken blijvers te zijn. Maar waar klimaatsoorten verschijnen, verdwijnen er andere.’

Bijen zijn echte zonnekloppers, dus zullen veel soorten profiteren van de opwarming. Maar ze hebben naast warmte ook voedsel en schuilplaatsen nodig, en dat is minder vanzelfsprekend. Liefst 80 procent van onze bijen maakt een nest in de grond, wat het belang van de steeds populairder wordende bijenhotels nuanceert. ‘Ze zijn nuttig voor slechts 5 procent van onze soorten’, zegt D’Haeseleer, ‘en dan moeten ze nog goed gemaakt en geplaatst zijn – een huis zonder eten in de buurt is zinloos. Veel solitaire bijtjes vliegen zelden meer dan een paar honderd meter van hun nest. Zandige plekjes in een niet gemaaid gazon zijn betere bijenhotels dan houten structuurtjes. Een natuurlijk beheerd gazon is het grootste bijenhotel dat er bestaat.’

Zwarte bijen. © Getty

Het is bekend dat bijen leveranciers van nuttige ecosysteemdiensten voor de mens zijn, en dan hebben we het niet over de honing geproduceerd door gedomesticeerde honingbijen. Alleen al voor ons land zijn bijen, door het gratis bevruchten van vooral groenten en fruit, goed voor een geschatte economische meerwaarde van 252 miljoen euro per jaar. Niet iedereen is zich daar goed van bewust. Niet zelden maaien fruittelers de madeliefjes en paardenbloemen weg van tussen hun bomenrijen, waardoor bijen na het bloesemseizoen zonder voedsel achterblijven. Gebruik van pesticiden is uiteraard altijd en overal funest.

Ook in steden kunnen bijen gedijen. Het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid reikt elk jaar, naar aanleiding van de Week van de Bij, een prijs uit voor de bijenvriendelijkste gemeente. Dit jaar kreeg Gent de prijs voor een grote gemeente, en Diksmuide voor een kleine. Architect van het gelauwerde Gentse bijenbeleid is stadsecoloog Andreas Demey. ‘Uiteraard streven we ernaar om parken en bermen zo weinig mogelijk te maaien’, legt Demey uit. ‘Maar tegelijk zetten we in op het bereiken van een zo breed mogelijke bloeiboog voor bijen. Dat betekent dat er altijd bloemenbronnen beschikbaar moeten zijn om bijtjes te voeden.’

Begraafplaatsen

De groendienst van de stad organiseert haar maaibeleid ook zo dat er overal plekjes overblijven die kunnen fungeren als schuilplaats – voor de biodiversiteit is het nuttig dat niet alles ineens wordt gemaaid. Speciale zones als begraafplaatsen of oude spoorwegbermen die parken en andere landschappen verbinden, krijgen extra aandacht. Het kerkhof van Gentbrugge, het Ter Durmenpark en het Westerringspoor tussen het station van Gent-Sint-Pieters en deelgemeente Wondelgem zijn er voorbeelden van.

‘Stedelijk groen is lang ondergewaardeerd geweest, maar het kan een grote rol spelen als drager van biodiversiteit’, zegt Demey. ‘Sommige stadsbiotopen, zoals parken en begraafplaatsen, zijn oud en kunnen dienen als surrogaatleefplaats voor specifieke soorten. Het aantrekken van bestuivers is zeker nuttig voor de vele moestuintjes in en rond de stad. Wij nemen ook kleinere initiatieven om gebiedjes met elkaar te verbinden, zoals groenslingers die aan kabels over smalle straten van het ene geveltuintje naar het andere lopen. Daaraan hangen we bijenvriendelijke klimplanten als wingerd of kamperfoelie. We kunnen het aantal aanvragen daarvoor amper volgen. Als we bijenmengsels inzaaien, hebben we vooral oog voor de lange termijn. We moeten vermijden dat we een ecologische val voor bijtjes creëren door ze te lokken naar een perk van eenjarige bloemen die er het volgende jaar niet meer zijn.’

Demey benadrukt dat hij geen groot voorstander is van het plaatsen van bijenkasten in stadsnatuur, omdat honingbijen concurrenten kunnen worden van wilde bijen. Er zijn waarschijnlijk geen wilde honingbijen meer in Vlaanderen. De honingbij is een landbouwproduct geworden – ze valt ook onder de bevoegdheid van het Departement Landbouw. Sommigen bestempelen honingbijen als ‘zespotig vee met vleugeltjes dat overal graast waar het de kans krijgt’ – imkers zijn in die visie boeren zonder weilanden. Anderen zien bijenkasten als een variant op nestkastjes voor vogels, waar amper iemand over valt.

Honingbijen houden omdat wilde bijtjes het slecht doen, is als kippen kweken omdat het vogelbestand achteruitgaat.

Imker Dylan Elen werkt als bijenonderzoeker bij het Zwitserse landbouwinstituut Agroscope en wil een natuurvriendelijker honingbijbeheer. Hij zet zich, samen met een aantal gelijkgezinden, in voor een terugkeer van de zwarte bij: de ondersoort van de honingbij die oorspronkelijk in onze contreien leefde, maar volledig verdrongen is door gekweekte rassen uit vooral de Balkan. ‘In de buurt van het Waalse Chimay en op twee Nederlandse Waddeneilanden komen nog kolonies van wilde zwarte bijen voor’, vertelt hij. ‘We zijn gestart met een project om enkele zwermen daarvan te herintroduceren in het Limburgse natuurgebied Bosland, met steun van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). Wilde honingbijen maken hun nesten vooral in holle bomen, die schaars geworden zijn in ons overbeheerde landschap. Maar in Bosland zijn er veel verlaten nestholtes van de zwarte specht, die geschikt zijn voor de zwarte bij. Het belangrijkste probleem zal waarschijnlijk het vermijden van hybridisatie met uitheemse honingbijen zijn. Koninginnen en mannelijke darren vliegen kilometers ver van hun nest om te kunnen paren.’

Onafhankelijke bij

Elen werkt zelf met zwarte bijen: ‘Voor mij zijn ze niet gedomesticeerd, zoals andere honingbijrassen. Zelfs in moeilijke periodes blijven ze hun ding doen, wat goed is, want ik ben een nogal luie imker. Veel imkers denken dat de zwarte bij te agressief is om handelbaar te zijn, maar ik kan vanuit tien jaar ervaring getuigen dat het niet het geval is. Ze is wel onafhankelijker dan de andere rassen. Toen in de zomer van 2021 imkers hun bijenvolken door de vele regen actief moesten ondersteunen om te vermijden dat ze uithongerden wegens een tekort aan voedsel in de omgeving, gold dat niet voor mijn zwarte bijen. Die trokken hun plan.’

Elen heeft een hekel aan het argument van veel imkers dat ze moeten inzetten op honingbijen om de teloorgang van wilde bijen te compenseren: ‘We moeten de solitaire wilde bijen en hommels in eerste instantie helpen, niet vervangen. Als gevolg van de chronische stikstofvervuiling van ons landschap komen veel voedselplanten voor solitaire bijtjes in de verdrukking. In tegenstelling tot veel solitaire wilde bijen zijn honingbijen echte generalisten die van het ene bloemenaanbod naar het andere gaan, naargelang van de beschikbaarheid. Dat verhoogt hun overlevingskansen.’

De Nederlandse tegenhanger van ons ANB, Staatsbosbeheer, heeft beslist dat er geen bijenkasten meer komen in natuurgebieden, tenzij in uitzonderlijke omstandigheden (en dan uitsluitend met de zwarte bij). Elen erkent dat er concurrentie kan zijn tussen honingbijen en wilde bijen, maar niet altijd en overal: ‘Honingbijen gaan graag voor massabloeiers die ineens veel voedsel verschaffen, zoals wilgen in het voorjaar of een straat vol valse christusdoornbomen. Dan zijn ze niet geïnteresseerd in plantjes als beemdooievaarsbek of klaproos, waar wilde bijtjes van leven. Maar als de grote leveranciers tijdelijk wegvallen, kan er wel competitie zijn met solitaire bijtjes.’

Ook bijenexpert Jens D’Haeseleer van Natuurpunt is een koele minnaar van de honingbij, zeker in natuurgebieden. ‘Honingbijen houden omdat wilde bijen het slecht doen, is als kippen kweken omdat het vogelbestand achteruitgaat’, zegt hij. ‘De honingbij is de minst bedreigde bij ter wereld, dus hoeft er niet noodzakelijk veel aandacht naar te gaan.’

D’Haeseleer: ‘Er is berekend dat van de nectar en het stuifmeel nodig voor de voeding van een honingbijenvolk van 50.000 individuen, liefst 110.000 solitaire bijtjes kunnen leven. Als imkers toch iets voor de natuur willen doen, zou het helpen dat ze wat natuurlijker dichtheden van hun beestjes nastreven – nu wordt ons landschap soms overspoeld door honingbijen. Je gaat voor het graasbeheer in natuurgebieden ook geen honderd koeien per hectare inzetten. Maar als je honingbijen hun eigen ding zou laten doen, met nestholtes die ze zelf zoeken, krijg je een ander verhaal. Alleen horen de meeste imkers dat niet graag.’

Voor informatie over de zwarte bij, zie www.ZwarteBij.org. Op 25 juni is er een kennismakingsdag in het Limburgse Bosland.

De Week van de Bij van 29 mei tot 5 juni staat opnieuw in het teken van ontharding en vergroening. Ontdek hier hoe je van je stenen voortuin een bijenoase kan maken.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content