Beestenboel: de bultvelddwergspin beschikt soms over een machosupergen

© BELGAIMAGE

Wat onderzoekers ontdekten over de bultvelddwergspin vloekt met de klassieke mechanismen van biologische overerving.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Er leeft een twintigtal dwergspinnetjessoorten in Vlaanderen. De beestjes worden zelden groter dan 3 millimeter. De bultvelddwergspin is niet de algemeenste soort, want ze is meer aan natte biotopen gebonden dan de andere, wat in ons uitdrogende landschap geen voordeel is. Maar ze is wel de interessantste, wat verklaart waarom ze al decennialang de speciale aandacht van enkele Vlaamse spinnenadepten geniet.

Het begon met de vaststelling dat er van de soort twee typen mannetjes bestaan: een met en een zonder bult op de rug, ‘platte’ of ‘gebochelde’ zoals de onderzoekers ze noemen. Volgens bioloog Frederik Hendrickx (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) zijn de verschillen minstens even groot als die tussen soorten als leeuw en tijger. Maar als je leeuwen en tijgers met elkaar laat kruisen krijg je tussenvormen, omdat de genen van de twee soorten ‘als kaarten door elkaar worden geschud’. Bij de bultvelddwergspin behoud je in alle omstandigheden dezelfde twee typen mannetjes. Het is een vaststelling die vloekt met de klassieke mechanismen van biologische overerving.

De verschillen tussen de mannetjes zijn minstens even groot als die tussen soorten als leeuw en tijger.

De platte mannetjes van de bultvelddwergspin lijken op vrouwtjes. Ze zijn sneller volwassen dan de gebochelde mannetjes, waardoor zij het eerst vrouwtjes kunnen bevruchten. Maar de gebochelde mannetjes hebben verleidingstrucs ontwikkeld, waarmee ze vrouwtjes die al gepaard hebben over kunnen halen om het nog eens te doen. Hendrickx en zijn collega’s ontdekten in 2003 – zo lang zijn ze al met het beestje bezig – een harige gleuf op de rug van de gebochelde mannetjes, die vlak voor hun bult ligt. Daarin scheiden ze een vloeistof af, die ze als een spinnenvariant van een bruidsschat aan vrouwtjes aanbieden om ze klaar te stomen voor een paring. Meestal werkt het, want de stof lijkt onweerstaanbaar. De bult zou gevormd zijn door de klieren die de verleidingsstof produceren.

Eind 2021 verscheen in Nature Ecology & Evolution een genetisch vervolg op dat verhaal. De onderzoekers konden aantonen dat de gebochelde mannetjes over een pakket genen beschikken dat de platte mannetjes niet hebben. In de loop van hun evolutie kwamen die genen bij elkaar op één chromosoom te liggen, waarna ze steevast als een geheel worden doorgegeven: een machosupergen. Het is bekend dat genomen erg plastisch zijn en onderhevig aan genetisch knip-en-plakwerk, maar de koppeling van een rist genen in een supergen is toch vrij uitzonderlijk.

Omdat de genen nooit los van elkaar worden doorgegeven, zijn er geen tussenvormen van mannetjes. De platte mannetjes hebben ze niet nodig om zich voort te kunnen planten, waardoor de mannetjespopulatie van de bultvelddwergspin netjes uit elkaar valt in supermannetjes en iets vrouwelijker mannetjes.

Andere onderzoekers beschreven voor de verwante bolkopvelddwergspin, die bij ons algemeen is, een soort kuisheidsgordel die mannetjes na een paring in het voortplantingskanaal van een vrouwtje inbrengen. Het is een vloeistof die in het vrouwtjeslichaam verhardt en een barrière tegen bevruchting door andere mannetjes vormt. Hoe harder de barrière, hoe moeilijker mannetjes ze kunnen verwijderen of omzeilen. Bij de bultvelddwergspin is nooit zoiets gevonden. Als supermannetjes na een plat mannetje paren, verzekeren zij zo goed als altijd de bevruchting. De platte mannetjes zouden moeten leren een kuisheidsgordel te fabriceren.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content