STRANGERS ON A TRAIN (1951)
...

STRANGERS ON A TRAIN (1951) Highsmith was een jonge schrijfster van zevenentwintig toen haar eerste boek verscheen en meteen door Alfred Hitchcock werd verfilmd. De premisse: de psychopaat Bruno weet een keurige onbekende ervan te overtuigen dat ze elkaars moorden kunnen ruilen. In de roman komt de argeloze Guy zijn afspraak met de duivel na; in de film begaat alleen de ziekelijke Bruno een moord. Daardoor was de moraal gered, maar volgens scenarioschrijver Raymond Chandler was dit geen kwestie van terugkrabbelen, maar van gezond verstand en logica. Highsmith vond Robert Walker een prima keuze als de stevig gestoorde Bruno: " He was excellent. He had elegance and humour, and the proper fondness for his mother." PLEIN SOLEIL (1960) René Clément schonk Alain Delon een van zijn beste rollen met deze Franse bewerking van The Talented Mr. Ripley. De jonge, bloedmooie Delon maakt van Ripley een amorele, zelfverzekerde gigolo en zet een hypernarcistische vertolking neer (waar Richard Gere zich later zou aan spiegelen voor American Gigolo). Hoewel Ripley verliefd lijkt op Marie Laforêt, bevat ook hier de relatie tussen Delon en de door Maurice Ronet gespeelde lanterfantende rijkeluiszoon troebele ondertonen. Anders dan in de nieuwe versie van Minghella gaat Ripley aan het eind niet vrijuit, maar wordt hij gesnapt. Helemaal in tegenspraak met Patricia Highsmith, die het postulaat dat misdaad altijd wordt bestraft complete onzin vond: " I find the public passion for justice quite boring and artificial; for neighter life nor nature cares if justice is ever done or not." DER AMERIKANISCHE FREUND (1977) Wim Wenders klutste voor Der Amerikanische Freund twee Ripley-boeken door elkaar, Ripley's Game en Ripley Under Water (respectievelijk het derde en vijfde deel in de serie). Dennis Hopper zet een verwarde Ripley neer en zijn filosofische praatjes hebben niks met Highsmith te maken. De auteur vond de Wenders-film wel stijlvol en roemde de fantastische scènes op de trein. Der Amerikanische Freund is pretentieus en bij vlagen vervelend, maar desondanks een van de meest bezienswaardige films in het oeuvre van de Duitse filmmaker. Waarmee vooral bewezen is dat Highsmith moeilijk kapot te krijgen is. DIE GLASERNE ZELLE (1978) Een jaar na Wenders bracht een andere Duitse regisseur - Hans Werner Geissendorfer - een veel minder bekende maar aanzienlijk betere Highsmith-verfilming, deze keer gebaseerd op The Glass Cell (1964), een van haar meest indringende psychologische misdaadromans. Dit is een zeer scherp getekend portret van een respectabele architect (Helmut Griem), die ten onrechte verantwoordelijk wordt gesteld voor het instorten van een schooltje en na zes jaar gevangenisstraf zijn vrouw (Brigitte Fossey) ervan verdenkt een verhouding te hebben met zijn advocaat. Hij wordt onherroepelijk naar de misdaad gedreven. Met akelige nauwgezetheid toont Geissendorfer de ijselijke transformatie van een onschuldige in een moordenaar. Bezit niet de hallucinante subjectieve kracht van de oorspronkelijke roman - Highsmith weet als geen ander de lezer in de gestoorde geest van haar gekwetste personages te dwingen - maar blijft toch beklemmend en meeslepend. Highsmith was zo in de wolken met deze bewerking dat ze Geissendorfer ook de verfilming toevertrouwde van Edith's Diary, een van haar weinige romans met een vrouwelijke protagonist - maar ze verafschuwde de freudiaanse nonsens die Geissendorfer er in 1983 van bakte. P.D.