Volgende week: De spanningen tussen Noord en Zuid.
...

Volgende week: De spanningen tussen Noord en Zuid.Koning Willem I bezat een goed ontwikkeld zakeninstinct en grote belangstelling voor de beginnende industrialisering in de Zuidelijke Nederlanden. Tijdens de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) kende de zware industrie in het Zuiden een grote bloei. Er werd op grote schaal steenkool en ijzererts gedolven, de Gentse katoenindustrie floreerde, en in Luik introduceerde John Cockerill de eerste cokeshoogoven van het Europese vasteland. Het Noorden was in die tijd een koloniale handelsnatie op haar retour. De wat bekrompen koopmansgeest van de Noord-Hollandse elite stond een correcte appreciatie van de industriële experimenten in het Zuiden in de weg. Dat vertelt Erik Buyst, professor economie aan de Katholieke Universiteit van Leuven. 'In de jaren 1820-1830 stond het huidige België, samen met Zwitserland, qua industrialisering aan de top van het Europese continent.'De tijd van het Verenigd Koninkrijk kan als een zegen voor de economische modernisering van de Zuidelijke Nederlanden worden beschouwd. En toch zag de toekomst er in 1815 vrij somber uit. ERIK BUYST: Bepaald niet schitterend. De oorzaak daarvan is tamelijk voor de hand liggend. In 1795 werden wij bij Frankrijk ingelijfd. Twintig jaar lang hadden wij daardoor een enorme afzetmarkt. Het hele Franse imperium lag voor ons open. Gevolg was dat onze textielindustrie in die periode sterk kon expanderen, denk aan de katoenindustrie in Gent en de wolindustrie in Verviers. Hetzelfde gold voor de Waalse metaalnijverheid. Sommigen horen dit misschien niet graag, maar het Franse leger was in die tijd een belangrijke afnemer van ons wapentuig en onze uniformen. De periode van de Franse republiek, en vooral het Franse keizerrijk, was dus heel gunstig voor onze economie. Niet het minst door de fameuze continentale blokkade van Napoleon, waardoor Engelse producten uit het Europese continent werden geweerd. Door die boycot hadden wij geen last meer van de concurrentie uit Engeland, waar de industriële revolutie al een stuk verder was gevorderd. BUYST: Dat was het zeker. Er kwam vrede in Europa, de continentale blokkade werd opgeheven en dus werden we opnieuw aan de Britse concurrentie blootgesteld. Op een moment dat we ons eigenlijk in die comfortabele situatie genesteld hadden. Als ondernemers geen prikkels meer krijgen van buitenaf, wordt er nog weinig aan innovatie gedaan - het geld komt toch binnen. Toen de Britten opnieuw toegang kregen tot de Europese markt, werden wij dan ook helemaal weggespeeld. Er waren heel veel faillissementen, zelfs de beroemde industrieel Lieven Bauwens ging over de kop. Tweede tegenvaller was dat wij onze producten niet meer naar Frankrijk konden exporteren - de Fransen waren heel protectionistisch - waar we toch een vrij grote marktpenetratie hadden. Vandaar dat 1815 een echt crisismoment was voor onze economie. BUYST: De textielindustrie zal met Nederlands Oost-Indië, het huidige Indonesië, een nieuwe afzetmarkt ontdekken. Een beloftevolle markt, omdat in die dagen veel Nederlanders daar naartoe trekken, en katoenen stoffen nodig hebben om in dat klimaat te kunnen gedijen. Maar in 1830 is ook dat van de ene op de andere dag afgelopen. Dan mag iedereen daar zijn stoffen aan de man brengen, behalve de Belgen. De textielindustrie heeft dus in korte tijd heel wat klappen moeten incasseren. De metaalindustrie doet het wat beter, omdat we een industriële gigant hebben als John Cockerill, die wél belangrijke vernieuwingen in zijn bedrijfstak heeft doorgevoerd. In de jaren 1820 heeft hij de allereerste hoogoven die met cokes wordt gestookt, in plaats van met houtskool, op het Europese vasteland geïntroduceerd. Cockerill nam bovendien niet alleen de Britse innovaties snel over, hij paste ze ook aan de omstandigheden hier aan. Want het ijzererts dat in de Ardennen werd gedolven, was van een andere chemische samenstelling dan dat in Groot-Brittannië. Hetzelfde gold voor steenkool. En dus moesten die primitieve industriële processen worden bijgesteld. Om die reden heeft Cockerill lang gesukkeld met die eerste cokeshoogoven. Wat werkte in Engeland, werkte niet noodzakelijk hier. Dat betekende jarenlang experimenteren en vereiste heel wat doorzettingsvermogen. Cockerill is ook begonnen met wat we nu 'verticale integratie' noemen. Hij zal van de steenkoolmijnen, de ijzererts-mijnen, de ijzerfabrieken - staal is dan nog veel te duur om te produceren - en de fabrieken waar de machines gebouwd worden, één gestroomlijnd geheel maken, zodat hij alle stadia van het productieproces beheerst. Ten slotte was hij ook de man die Wallonië op grote schaal stoommachines liet bouwen. Dat was toen op technologisch vlak echt het neusje van de zalm. BUYST: Ongetwijfeld. Toen Cockerill in slechte papieren zat omdat niemand wilde investeren in zijn - gemeten naar de schaal van het Verenigd Koninkrijk - toch wel megalomane plannen, was Willem I een van de enigen die er wel in geloofde, en soms zelfs persoonlijk met geld over de brug kwam. De koning was dus zeker iemand met economische visie. Dat mag ook niet verbazen: tijdens zijn ballingschap in Engeland had hij de industriële revolutie aan het werk gezien. Hij droomde ervan een soortgelijk proces in de Zuidelijke Nederlanden op gang te brengen. Maar zakenlui zijn per definitie mensen die graag hun eigen zaakjes beredderen. Dat was vaak niet naar de zin van de koning. Dan kwamen zijn autocratische trekjes naar boven. Daardoor vervreemdde hij van nogal wat mensen voor wie hij een natuurlijke bondgenoot had kunnen zijn. BUYST: Een concreet voorbeeld is de geboorte van de Algemene Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Volksvlijt - de Société Generale - in 1822. Oorspronkelijk was dat een initiatief van Brusselse zakenmensen. Onze gewesten waren dan wel volop aan het industrialiseren, maar onze kapitaalmarkt stelde helemaal niets voor. Bankieren was iets wat handelaars als nevenberoep uitoefenden. De weinige echt professionele bankiers werkten bovendien heel lokaal, per stad of per regio. In de jaren 1820 begon het besef te dagen dat de financiële sector dringend gemoderniseerd moest worden. En dus dachten die Brusselse zakenmensen aan een Banque de Bruxelles. Koning Willem had daar wel oren naar, maar vond hun plannen veel te kleinschalig. Hij wilde een bank die heel de Zuidelijke Nederlanden zou overspannen. Dat schrikte die zakenlui dan weer af. Met veel machtsvertoon heeft Willem zijn wil uiteindelijk toch doorgedrukt, en zo is de Algemene Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Volksvlijt ontstaan. 'Maatschappij' omdat het woord 'bank' toen heel negatieve connotaties had. Een bankier was een oplichter. Maar het was natuurlijk gewoon een bank, meer bepaald een discontobank, bedoeld om handelskrediet te verstrekken aan ondernemers en zakenmensen. De koning had zijn zin gekregen, maar er moest wel geld in het laatje komen. En dus werd er een intekening georganiseerd op de aandelen van de nieuwe bank, maar de respons was teleurstellend. De mensen vonden de bank te grootschalig en ze vertrouwden Willem I ook niet. Achteraf bezien had Willem het bij het juiste eind, maar toen leek het een groot risico. Om de bank toch van de grond te laten komen, heeft Willem I er dan maar eigen geld in gestopt. Dat is slechts één typisch voorbeeld van iemand die altijd mordicus zijn zin wou krijgen. BUYST: Hij was inderdaad gefortuneerd. Hij bezat veel onroerend goed en uitgebreide staatsdomeinen. Het Zoniënwoud bijvoorbeeld was zijn persoonlijke eigendom. Hij heeft dat trouwens als kapitaalbasis in de Generale Maatschappij ingebracht. BUYST: In de periode 1822 tot 1830 viel het resultaat eigenlijk wat tegen. Precies omdat de bank, ondanks het geld dat Willem erin gestoken had, aan onderkapitalisatie leed. Ze beschikte over te weinig middelen om een echt grote speler te worden. Aan de andere kant neemt het aantal discontoverrichtingen, waarvoor de bank in hoofdzaak was opgericht, toch wel toe in de Zuidelijke Nederlanden. We kunnen dus van een bescheiden succes spreken. BUYST: Precies. Onderkapitalisatie was namelijk niet het enige zwakke punt van de Société Générale. Probleem was ook dat Willem I de maatschappij als staatsbank gebruikte. Dat is ook de belangrijkste reden waarom de bevolking er wantrouwend tegenover stond. Het Verenigd Koninkrijk torste immers een enorme staatsschuld, iets van de orde van 200 procent van het bbp, opgebouwd tijdens de 18e eeuw en de oorlogen tegen Napoleon. Een instrument dat zich met díé staatsfinanciën inliet, daar had de bevolking geen fiducie in. Willem I was bovendien altijd achter de rug van het parlement aan het marchanderen. Reden te meer om sceptisch te zijn. BUYST: De gouverneur van de Generale Maatschappij was een Nederlander, zijn adjunct ook geloof ik. De rest van de directeurs waren vrijwel allemaal Brusselaars. Bij het uitbreken van de Belgische Omwenteling hebben die Nederlanders het op een lopen gezet. Op dat moment heeft de Belgische directie de macht gegrepen. Dat ging vrij gemakkelijk. In de reglementen van de bank stond namelijk dat buitenlanders wel mochten intekenen op het kapitaal van de bank, maar niet mochten deelnemen aan de algemene aandeelhoudersvergadering. België was een onafhankelijk land geworden. Hoewel Willem I de meerderheid van de aandelen bezat, had hij dus niets meer in de pap te brokken. Hij mocht niet eens op de algemene aandeelhoudersvergadering verschijnen. In de jaren 1840, na de echte vrede, zal Willem I ook inderdaad worden uitgekocht en zal een groot stuk van zijn aandelenpakket in Belgische handen komen. Vanaf de Belgische onafhankelijkheid kan de Generale Maatschappij zich ook losmaken uit haar rol als staatsbankier. Ze zal nog één keer een grote som geld lenen aan het Belgische Voorlopig Bewind, maar daarna trekt ze de handen af van alles wat met staatsfinanciën te maken heeft. Dan wordt het echt een commerciële bank, al zal ze nog geruime tijd een slechte reputatie behouden. Ze wordt als 'orangistisch' gebrandmerkt, ten onrechte eigenlijk. BUYST: Het probleem van John Cockerill was dat geen enkele gewone bankier hem geld wilde lenen, juist omdat de ijzerindustrie zo kapitaalintensief was, en het zo onzeker was of die hoogovens en ijzerfabrieken in Luik ooit een succes zouden worden. Zelfs de Generale Maatschappij heeft hem op een bepaald moment gezegd, luister vriend, we geloven er niet meer in, go home. Als grootste aandeelhouder heeft koning Willem I toen met de vuist op tafel geëist dat het geld er toch zou komen. Schoorvoetend is de Generale Maatschappij dan toch over de brug gekomen. Cockerill heeft heel veel aan Willem I te danken. BUYST: Dat valt wel te begrijpen. Wie handel drijft, moet zijn handen ook wel vuil maken, maar toch veel minder dan wie in de steenkoolmijnen werkt of met stoommachines in de weer is. Mijngangen zakten soms ook in, stoommachines durfden al eens te exploderen, dat was dus levensgevaarlijke arbeid. Wij hebben een wat mythisch beeld van de industriële revolutie, maar die ging in werkelijkheid met veel misère gepaard. Degenen die daar aan het werk werden gezet, dat was echt het lompenproletariaat. Mensen die de kans zagen buiten die eerste fabrieken te blijven, deden dat ook. Wegens het gevaar, de stank, de onmenselijke arbeidsomstandigheden. In die zin is het niet verwonderlijk dat die Noord-Nederlandse elite, die vooral met koloniale waar - 'edele producten' als specerijen en suiker - bezig was, daarop neerkeek. Bovendien dreven de Nederlanders al enkele eeuwen koloniale handel. Daarmee bevond de elite zich dus op bekend terrein. Maar die nieuwe industrie, wat zou dat worden? De indu-striële conjunctuur was heel grillig. Diepe crisissen en hevige bloeiperiodes volgden elkaar snel op. Hollandse kooplui vonden dat iets voor avonturiers. BUYST: De zwaarste arbeid werd verricht in de mijnen, vooral omdat de mijnschachten nauwelijks geventileerd waren. Maar het werk in de textielfabrieken was ook geen pretje. Er hing verschrikkelijk veel stof, fijn textielstof, waar de mensen het van aan de longen kregen. Er werd ook veel met water gewerkt. De arbeiders zaten dag na dag in het vocht. Eigenlijk is het onvoorstelbaar dat mensen in die vroeg negentiende-eeuwse fabrieken uren aan een stuk konden werken. Er was het helse lawaai, de stank, de vochtigheid, het stof... Je moest al bijna wanhopig zijn om daar te gaan werken. BUYST: Dat niet nee, maar er waren toch gradaties. De 'tex- tiliens' van Gent hadden het duidelijkste profiel. Zij waren grotendeels orangist. Een aantal van hen is zelfs, toen ze zagen dat de zaak verloren was, naar Nederland geëmigreerd. Bij John Cockerill bijvoorbeeld, lag dat anders. Hij heeft veel meer de kat uit de boom gekeken. Hij was actief in Luik, waar de echte relschoppers van de zogenaamde Belgische revolutie vandaan kwamen. En Cockerill was op de eerste plaats een Realpolitiker. Hij wist natuurlijk dat er veranderingen op til waren, keek eens naar zijn goeddraaiende fabrieken, zijn ijzerwaren en zijn stoommachines, en besefte dan dat heel continentaal Europa sowieso aan zijn voeten lag, onafhankelijk van wie uiteindelijk het pleit zou winnen. BUYST: Er waren inderdaad substantiële transfers, een flink stuk van de belastingopbrengsten van de Zuidelijke Nederlanden verdween naar het Noorden. Je mag dus best stellen dat de Zuidelijke Nederlanden voor Willem I een wingewest waren. Hoe komt dat? Deels omdat wij die grote staatsschuld van de Hollanders mee moesten helpen afbetalen. Om de handel te stimuleren, had Willem bovendien heel wat kanalen laten graven in Nederland. Maar dat kost natuurlijk handenvol geld. Opvallend is ook dat Nederland, nadat wij als wingewest waren weggevallen, Oost-Indië veel sterker is gaan exploiteren. Het beruchte cultuurstelsel, waar Multatuli zich later zo fel tegen zou verzetten, werd uitgebouwd in de jaren 1840. Na de oorlog met België was de staatsschuld van de Nederlanders immers nóg gegroeid. BUYST: Dat durf ik niet te zeggen. Terwijl wij in een industrialisatieproces verwikkeld waren, zaten de Hollanders immers met heel wat nijverheden die op hun retour waren, zoals de scheepsbouw, met nog grotendeels hout als grondstof. Het enige wat floreerde was hun koloniale handel en de industrieën die daarop gebaseerd waren, denk aan suikerraffinaderijen of tabaksverwerkende bedrijven. Bovendien kwam de haven van Antwerpen, dankzij haar gunstige ligging, in die periode sterk op. Antwerpen werd zo een te duchten concurrent voor Amsterdam en ging met de koloniale handel aan de haal. Nogal wat Hollanders waren dan ook blij dat ze in 1830 van ons verlost waren. Han Renard'Hollandse kooplui vonden de nieuwe industrie iets voor avonturiers.'