Het gaat niet slecht met West-Vlaanderen. Izegem werd enkele weken geleden door het weekblad Trends nog gebombardeerd tot economisch best boerende zakenstad van België. Het steekt, in relatieve cijfers, zelfs de grootsteden Antwerpen en Brussel naar de kroon. Maar ook de zegeberichten van de andere groeipolen in de provincie, en de veel bezongen boom van kleine en middelgrote ondernemingen, kunnen niet verhullen dat er her en der nog behoorlijk wat sociale achterstand is.
...

Het gaat niet slecht met West-Vlaanderen. Izegem werd enkele weken geleden door het weekblad Trends nog gebombardeerd tot economisch best boerende zakenstad van België. Het steekt, in relatieve cijfers, zelfs de grootsteden Antwerpen en Brussel naar de kroon. Maar ook de zegeberichten van de andere groeipolen in de provincie, en de veel bezongen boom van kleine en middelgrote ondernemingen, kunnen niet verhullen dat er her en der nog behoorlijk wat sociale achterstand is. Twee regio's kleuren in de recente statistieken, op basis waarvan het geld van het Sociaal Impulsfonds wordt verdeeld, zwart. De kuststreek heeft vanouds een zeer specifieke problematiek, en de kustburgemeesters hebben lang genoeg moeten lobbyen in 'Brussel' om daar ook aandacht voor te krijgen. En dat is gelukt. Van de zeven West-Vlaamse gemeenten die dit jaar extra middelen krijgen van het SIF, en in het jargon de nominatie SIF Plus-gemeente krijgen, liggen er vier aan de Vlaamse/Belgische kust: De Panne, Nieuwpoort, Blankenberge en Oostende. Ook het sociale plaatje in Knokke-Heist, Bredene en Middelkerke baart zorgen. Als het daar dit jaar slechter gaat, en als één of enkele van de SIF-indicatoren (zie grafiek hiernaast) in het rood gaat, mogen ze daar de volgende keer ook op meer Vlaamse middelen voor kansarmoedebestrijding rekenen. Opvallende uitzondering aan de kust is De Haan. Behalve Oostende kent ook Brugge zijn stedelijke kwaaltjes, zij het in beperktere mate. Oostende zit vijfentwintig procent boven de kritische grens van vijftig (het gemiddelde voor alle SIF-indicatoren), Brugge haalt de vijftig nipt.OP DE SCHREEFDe tweede 'zwarte' regio van West-Vlaanderen bevindt zich in het zuiden van de provincie. Na Oostende is Kortrijk de 'armoedigste' stad, met op zijn beide flanken het piepkleine Spiere-Helkijn, Menen en Wervik. Dat vertaalt zich onder meer in het aantal bestaansminimumtrekkers (1 op de 100 Kortrijkzanen): op dat van Blankenberge na moet het Kortrijkse OCMW het vaakst in de portemonnee tasten. De ronduit 'armste' gemeente van de provincie ligt tussen Kortrijk en Wervik: Menen, op de Frans-Belgische grens. Voor de elf SIF-indicatoren gaat het stadje tien keer in het rood. Dat levert een totale 'score' op van vijfentachtig procent. Bijna één op de vier woningen (22,9 procent) mist elementair sanitair comfort. Met zijn 2,01 procent langdurige werklozen belandt Menen onderaan de top vijf: Mesen (3,46 procent langdurig UVW's), Spiere-Helkijn (3,1 procent), Blankenberge (2,36 procent) en Oostende (2,14 procent). Voor vijf van de tien SIF-indicatoren scoort de provincie in zijn geheel slechter dan het gemiddelde van het Vlaams Gewest. In West-Vlaanderen zijn er net iets meer kinderen van alleenstaanden, en ook jongeren in de bijzondere jeugdbijstand. Ook het aantal bestaansminimumtrekkers ligt met 0,52 procent net boven het Vlaamse gemiddelde. Opvallend is het hoge aantal woningen zonder 'klein comfort': 18,38 procent versus het Vlaamse gemiddelde van 13,83 procent. West-Vlaanderen heeft ook iets meer weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen met beperkte inkomens (de zogenaamde WIGW's) dan de rest van Vlaanderen.F.R.