Er zijn twee manieren om naar de toekomst van de wereld te kijken: een optimistische en een pessimistische. Beide visies staan in debatten over de impact van de mens op onze planeet lijnrecht tegenover elkaar. Pessimisten hameren op de nefaste effecten van de overbevolking, die de natuurlijke rijkdommen dreigt uit te putten en de wereld voor de mens en vele andere diersoorten onleefbaar dreigt te maken. Optimisten gaan ervan uit dat het tij nog gekeerd kan worden als we duurzaam gaan leven, want wetenschappers en ondernemers ontwikkelen methodes om de problemen op te lossen.
...

Er zijn twee manieren om naar de toekomst van de wereld te kijken: een optimistische en een pessimistische. Beide visies staan in debatten over de impact van de mens op onze planeet lijnrecht tegenover elkaar. Pessimisten hameren op de nefaste effecten van de overbevolking, die de natuurlijke rijkdommen dreigt uit te putten en de wereld voor de mens en vele andere diersoorten onleefbaar dreigt te maken. Optimisten gaan ervan uit dat het tij nog gekeerd kan worden als we duurzaam gaan leven, want wetenschappers en ondernemers ontwikkelen methodes om de problemen op te lossen. De vraag of het beter dan wel slechter gaat met de wereld houdt denkers bezig. Doemdenkers zijn van alle tijden, en je vindt ze ook in de wetenschappelijke wereld. Maar ook optimisten zijn onuitroeibaar. De bekende Deense milieu-econoom Bjorn Lomborg probeert in het blad New Scientist uit te vissen wie aan de winnende hand is in deze eindeloze boksmatch. Zijn verdict: geen van beide groepen heeft volledig gelijk, maar de optimisten winnen op punten. De tien indicatoren voor levenskwaliteit die hij bestudeerde, gaan in meerderheid in de goede richting, zeker in wat wij als de beschaafde wereld beschouwen - en we gaan ervan uit dat ook ontwikkelingslanden in die richting zullen evolueren. We leven langer en gezonder, we krijgen een betere opvoeding en we brengen lucht- en watervervuiling onder controle. We werken hard aan het ontwikkelen van een duurzame levensstijl met aandacht voor het welzijn van andere diersoorten. We proberen de klimaatopwarming in te dammen, voorlopig met beperkt succes, maar we zijn ons bewust van de risico's als we niets doen. De verwachting is dat de mensheid in de nabije toekomst een geringere invloed op haar omgeving zal uitoefenen dan vandaag. Landbouw zal productiever worden, en op veel plaatsen zal de wereld opnieuw vergroenen. Een studie van de Zweedse milieu-expert Johan Rockström wijst in dezelfde richting. In het kader van het project 'Predicts' verzamelde hij met een internationale groep collega's een massa gegevens over hoe ecosystemen reageren op menselijke druk. De voornaamste conclusies liggen voor de hand: veel dieren en planten krijgen het moeilijk, omdat landbouw en steden een enorme druk op hun leefmilieu leggen. De vervanging van bossen door landbouwgebied impliceert het verlies van bijna de helft van de oorspronkelijk aanwezige soorten. Voor Rockström en de zijnen is biodiversiteit een bruikbare graadmeter voor de gezondheid van een systeem. In het tijdschrift Nature rekenen ze voor dat we moeten proberen om in alle ecosystemen minstens zeventig procent van de aanwezige soorten te bewaren. Geen sinecure, want het aantal soorten in een biotoop is de laatste vijfhonderd jaar gemiddeld met zestien procent afgenomen. Centraal-Europa en Noord-Amerika zijn in die periode veertig procent van hun soortenrijkdom kwijtgeraakt. Om verdere verliezen te vermijden, is er volgens de modellen maar één weg te volgen (in de veronderstelling dat het snel terugdringen van het aantal mensen geen realistische optie is): er mag niet nog meer land aan landbouw worden prijsgegeven. We hebben de maximale capaciteit bereikt van wat kan worden opgeofferd. De landbouwproductie per eenheid oppervlakte moet omhoog, binnen de grenzen van het huidige landbouwareaal. Landbouw moet dus nóg intensiever worden. Rockström en zijn collega's benadrukken dat de werking van de biosfeer er nu al voor zorgt dat de menselijke impact niet nóg erger is. Insecten bestuiven gewassen, rijke ecosystemen zijn goed voor vruchtbare bodems en planten in al hun versies (groot en klein, boven en onder water) plukken het broeikasgas koolstofdioxide (CO2) uit de lucht. Dat doet denken aan de Gaia-hypothese van de Britse wetenschapper James Lovelock, die in de jaren zeventig poneerde dat het leven er zelf voor zorgt dat onze planeet leefbaar blijft. Wetenschappers raken het er stilaan over eens dat Gaia weliswaar een geweldig idee is, maar dat het zelfregulerende aspect van het leven nooit op meer dan een kleine schaal kan werken. De ijstijden waren niet vriendelijk voor het leven, en zeker niet in hun extreme vorm, toen de aarde volledig bevroren zou zijn geweest. De opstapeling van zuurstof in de atmosfeer als gevolg van het ontstaan van fotosynthese door planten, moet een ramp geweest zijn voor leven dat was aangepast aan zuurstofarme condities. De manier waarop stikstof, een essentiële component voor het leven, op de aarde voorkomt, is totaal niet levensvriendelijk, en zonder de hulpvaardige medewerking van stikstofverwerkende micro-organismen zou het complexe leven niet aan stikstof komen. Wij zijn zelf ook niet vriendelijk voor de rest van het leven. Wetenschappers hebben onlangs in New Scientist een overzicht gemaakt van hoe het leven op aarde er zonder de grote greep van de moderne mens zou hebben uitgezien. Dat betekent het levensmodel vanaf zo'n 125.000 jaar geleden laten lopen, maar dan zonder ons (en in de veronderstelling dat er onderweg geen ander groot drama zou zijn opgedoken). Het belangrijkste verschil zou zijn dat er zonder mensen nog veel grote dieren op aarde zouden hebben rondgelopen. Wij zijn een ramp voor bijna alles wat groter is dan onszelf, omdat we dat als een potentieel gevaar beschouwen, zoals leeuwen en tijgers, of als een gemakkelijke bron van voedsel en energie, zoals bizons en walvissen. Zo'n 100.000 jaar geleden moet de mens ermee zijn begonnen om zich van de rest van de natuur los te koppelen en het systeem naar zijn hand te zetten. Vooral de landbouw leidde ertoe dat nog slechts weinig plaatsen op aarde er 'natuurlijk' uitzien. De helft van het landoppervlak wordt nu op de een of andere manier door de mens gebruikt. Dat heeft natuurlijk gevolgen. De grote vlakten van Noord-Amerika moeten tot zo'n 15.000 jaar geleden rijker aan leven zijn geweest dan de Serengeti in Tanzania met zijn miljoenen wildebeesten en zebra's vandaag. Nu zijn die Amerikaanse vlakten zo goed als leeg. Grote vissen, zoals tonijnen, zijn uit de oceanen aan het verdwijnen, omdat we ze in de vernieling vissen, en walvispopulaties zijn slechts een fractie van wat ze voor de menselijke druk op hun biotoop waren. Ooit moeten er miljoenen grote walvissen in de oceanen rondgezwommen hebben, vandaag gaat het om tienduizenden. Zonder menselijke dominantie zou het leven op aarde er nu vergelijkbaar met 125.000 jaar geleden uitzien, stellen wetenschappers nogal voorspelbaar, maar evolutie is uiteraard een traag proces als er zich geen catastrofen voordoen, zoals een komeetinslag of de opmars van een vernietigende soort als de mens. Zonder mensen zou de wereld nu wel aan een nieuwe ijstijd begonnen zijn, zeggen sommige wetenschappers, hoewel niet iedereen het daarmee eens is. De ijskappen zouden opnieuw oprukken, de zeespiegel zou dalen en het zou beduidend kouder worden. Dat het niet gebeurt, heeft alles te maken met die andere opvallende verandering die wij sinds enige tijd in de hand werken: de versterking van het broeikaseffect. De voorbije maand november was de warmste sinds het begin van meteorologische metingen, een witte kerst behoort ondertussen tot de nostalgie naar een ver verleden, en de voorspellingen over hoe sterk het aardklimaat tegen het einde van de eeuw zal zijn opgewarmd, schommelen tussen twee en acht graden Celsius. Als gevolg van die opwarming wordt de aarde vandaag aanzienlijk groener. Het vakblad Global Change Biology stelt dat het noordpoolgebied twee keer sneller opwarmt dan de rest van de wereld, en dat vegetatie in sneltreintempo naar het noorden oprukt. De toendra wordt vervangen door een open struiksavanne. Dat heeft niet alleen met het verminderen van de ijsbedekking te maken, ook met het gegeven dat hogere CO2-concentraties in de lucht plantengroei bevorderen - iets wat overigens ook gunstig zou kunnen zijn voor de landbouw. Verwacht wordt dat de grens van begroeiing tegen het einde van de eeuw 2000 kilometer noordelijker zal liggen dan nu. Verwacht wordt ook, zoals Nature Climate Change aangaf, dat de intensere begroeiing het broeikaseffect zal versterken, omdat ze ertoe zal leiden dat grote hoeveelheden methaangas die nu in de permafrost opgeslagen liggen, zullen vrijkomen, en methaan is een veel sterker broeikasgas dan CO2. Er wordt ook voorspeld dat de druk op het land zal verminderen doordat steeds meer mensen in steden gaan leven - steden die gevoed moeten worden door een combinatie van nieuwe stadslandbouwmethodes en intensieve teelten eromheen. Steeds meer van de weinige min of meer grote dieren die nog overblijven, passen zich aan een leven in de stad aan, zoals beren, poema's en coyotes in Noord-Amerika. Een grappige anekdote over kinderen in een Amerikaanse stad, gepubliceerd in een overzichtsartikel in Science, zegt dat bijna geen enkel kindje ooit een beer in het wild heeft gezien, maar ze hebben er wel allemaal in hun tuin gezien. Onder druk van de groeiende aandacht voor dieren neemt de tolerantie ten opzichte van grote dieren toe, althans in wat de beschaafde wereld heet. Wetenschappers speculeren wel over wat er zou gebeuren als het toch volledig fout zou gaan, als om een of andere reden niet alleen de mens, maar ook de rest van het leven van de aarde zou verdwijnen. In New Scientist deden ze de oefening, en het resultaat was dat de aarde snel in een uit de hand lopend broeikasverhaal zou terechtkomen, met een geleidelijke stijging van de temperatuur en de zeespiegel, waardoor de gemiddelde temperatuur binnen tien miljoen jaar zo'n 50 °Celsius hoger zou zijn dan vandaag en het zeepeil zeventig meter hoger. Binnen honderd miljoen jaar zou onze planeet te vergelijken zijn met Venus: met temperaturen tot 1000 °C en oceanen die volledig zouden zijn verdampt. Totaal onleefbaar dus. Zou de Gaia-hypothese dan toch juist zijn? DOOR DIRK DRAULANSDe werking van de biosfeer zorgt ervoor dat de impact van de mens op zijn omgeving niet nóg erger is. Ooit moeten er miljoenen grote walvissen in de oceanen hebben rondgezwommen, vandaag gaat het om enkele tienduizenden.