Drie keer, zo weet Tom Steels, heeft hij in zijn carrière een wedstrijd met voorsprong gewonnen. Hij genoot er niet echt van. 'Ik kreeg er vreemd genoeg nauwelijks een kick van, ik miste de spanning en de sensatie', zegt de Belgisch kampioen en hij meent het uit de grond van zijn hart. Geen renner die het sprinten zo adoreert en cultiveert als Tom Steels. Als hij over zijn specialiteit praat, flikkert er vuur en passie in zijn ogen, en wijkt de ingetogenheid die hem anders buiten de koers kenmerkt. Steels wordt gedreven door pure snelheid, hij gaat de risico's niet uit de weg. Het trekken en duwen, smakken en kwakken, rekenen en berekenen, kreunen en kermen, versnellen en exploderen, het jaagt zijn adrenaline steeds weer de hoogte in.
...

Drie keer, zo weet Tom Steels, heeft hij in zijn carrière een wedstrijd met voorsprong gewonnen. Hij genoot er niet echt van. 'Ik kreeg er vreemd genoeg nauwelijks een kick van, ik miste de spanning en de sensatie', zegt de Belgisch kampioen en hij meent het uit de grond van zijn hart. Geen renner die het sprinten zo adoreert en cultiveert als Tom Steels. Als hij over zijn specialiteit praat, flikkert er vuur en passie in zijn ogen, en wijkt de ingetogenheid die hem anders buiten de koers kenmerkt. Steels wordt gedreven door pure snelheid, hij gaat de risico's niet uit de weg. Het trekken en duwen, smakken en kwakken, rekenen en berekenen, kreunen en kermen, versnellen en exploderen, het jaagt zijn adrenaline steeds weer de hoogte in. Tom Steels (31) is op de fiets een vat vol buskruit. Maar te weinig kon hij de afgelopen jaren de lont aansteken. Door een hardnekkige klierkoorts tuimelde de Waaslander in juli 2000 in een bodemloze put. Als een brok ellende moest hij toen in de Ronde van Frankrijk opgeven. Er volgde een lange periode van vallen en opstaan, van sporadische uitschieters en troosteloze wedstrijden. Steels zag zijn handelswaarde zakken en moest dit seizoen een stap achteruit- zetten: na een verblijf bij de Italiaanse topploeg Mapei belandde hij bij het modeste Landbouwkrediet. Daar, in een klimaat van rust, werd hij langzaam weer zichzelf. Recente ritoverwinningen in de Ronde van België en de Ronde van Oostenrijk demonstreerden de groeiende vormcurve. Tom Steels is klaar om zondag in Vilvoorde voor de vierde keer de Belgische titel te pakken. Het zou een record zijn. Maar geobsedeerd is hij daardoor niet. Steels heeft zich de kunst van het relativeren eigen gemaakt. De geboorte van zijn gehandicapte dochter Lobke, vandaag drie en een half jaar, heeft hem en zijn vrouw Leen doen beseffen dat er andere waarden zijn in het leven dan winst en verlies in een wielerwedstrijd. Maar Steels wil niet zo ver gaan om te beweren dat de zorg om Lobke een rem is op zijn carrière. Tom Steels: 'Ik ben nog altijd even nerveus voor een wedstrijd als vroeger. En als ik in een koers zit, dan denk ik niet aan thuis. Maar het is duidelijk dat Lobke onze manier van leven volledig bepaalt. Ze is autistisch, ze ontwikkelt zich niet als een ander kind, de witte stoffen in de hersenen zijn beschadigd. Normaal sturen die de hersenprikkels naar de zenuwen en de spieren, maar bij haar is dat niet het geval. Bovendien heeft ze ook epilepsieaanvallen. Het is altijd afwachten hoe ze op bepaalde situaties zal reageren. Als er iemand in de straat met een drilboor begint te werken, verroert ze niet, maar als ze een hond hoort blaffen, kan ze een aanval krijgen. Natuurlijk mis je daardoor soms de nodige rust. Vooral ook omdat Lobke 's nachts twee tot drie keer wakker wordt. Ze gaat overdag naar een speciale instelling. Daar hebben we heel veel warme vriendschappen aan overgehouden, met de ouders van de andere kinderen. We praten heel open over onze problemen, dat zijn diepgravende gesprekken die ons in vele opzichten hebben verrijkt. Daardoor hebben we geleerd met die situatie te leven. We weten absoluut niet hoe de toestand van Lobke zal evolueren, ook de dokters tasten in het duister. Dat maakt het natuurlijk niet gemakkelijk.' TOM STEELS: Dat is zo. De afgelopen twee en een half jaar zijn voor mij moeilijk geweest. In die zin dat ik constant moest herbeginnen. Je kan heel moeilijk aan de mensen uitleggen wat het is als je klierkoorts hebt. Het ene moment voel je de pedalen niet, het ander moment word je uit de wielen gekegeld en moet je afstappen. Ik heb niet echt een idee hoe ik die aandoening opliep, wellicht heeft het te maken met een griep die ik toen net voor de Ronde van Frankrijk heb gekregen. Ik won nog twee ritten, maar toen was het over en uit. Normaal treft klierkoorts vooral studenten in examenperiodes, wanneer ze te veel onder stress staan, oververmoeid zijn en hun weerstand daalt. Terwijl ik mezelf natuurlijk ook wel onder druk pleeg te zetten, maar dan nooit in die mate dat ik de controle over mezelf verlies. Het probleem met klierkoorts is: je weet nooit hoe lang het herstel in beslag neemt, dat hangt af van persoon tot persoon. Dan rij je drie weken goed, dan gaat het twee weken zo slecht dat je zelfs nauwelijks nog kan trainen omdat je van de inspanningen niet meer recupereert. En in de wielersport draait uiteindelijk alles om recuperatie. Het gevolg is dat je niet meer op niveau raakt, dat je constant met de opbouw moet herbeginnen. Sinds dit seizoen is het beter, ik won meteen een etappe in de Ster van Bessèges, dat is goed voor het vertrouwen, ik kon weer min of meer een normaal programma rijden. Maar vervolgens werd ik geconfronteerd met een aantal kleine fysieke ongemakken, verkoudheden en dat soort dingen. Net zoals zoveel andere renners in het peloton. En de wedstrijden zijn in die periode zo lastig dat je het dan mag vergeten. Wie geen honderd procent is, kan absoluut geen stap meer vooruitzetten. Pas in Gent-Wevelgem kwam ik voor het eerst weer kijken, ik zat in de goeie waaier. Op de Kemmel moest ik uit de wielen, maar dat wist ik op voorhand. Als je een jaar of tien prof bent, ken je onderhand je lichaam wel. STEELS: Ik kan daar best mee leven. Vooral omdat je de oorzaak kent. Maar ik vond het de afgelopen twee jaar vooral vervelend dat ik voor de ploeg zo weinig kon doen. Kijk, als je goed rijdt, dan was het een zegen om bij Mapei te zitten. Omdat je zo perfect omringd bent. Maar als het niet gaat en je kan zelfs niet meer werken voor die renners die je zo goed hielpen, dan is dat ellendig, dan word je met het gegeven geconfronteerd dat je sportief gewoon door de mand valt. Bij momenten had ik de indruk dat ze me alleen maar opstelden om de hoop te vergroten. Dat vreet. Er restte mij niets anders dan te wachten tot mijn lichaam weer helemaal hersteld raakte, om me op te trekken aan het feit dat de ups steeds langer duurden en de downs steeds minder werden. Nu sta ik er weer, ik heb vooral vorige winter de batterijen weer helemaal kunnen opladen. Al moet ik nog meer opletten dan vroeger, meer trainen, goed rusten, ik kan me niets meer veroorloven. Een lichaam is uiteindelijk niet gemaakt om heel de wereld rond te koersen. Alleen doe ik dat dus elk seizoen en dat al vijftien jaar lang. En was het de afgelopen twee jaar dus constant herbeginnen. Dat is extra moeilijk omdat de spiermassa die je opbouwt heel snel slinkt. Daar kwam het voor mij uiteindelijk vooral op aan: dat mijn spiervolume weer volledig herstelde. STEELS: Niet echt. Zoveel kon ik uiteindelijk ook niet voorleggen. Ik was wel Belgisch kampioen geworden, maar in de Tour moest ik met griep al heel snel naar huis. Ik had al redelijk snel mijn zinnen op Landbouwkrediet gezet. Omdat het in een kleine ploeg gemakkelijker is om weer een stuk zekerheid te krijgen en zo het vertrouwen te winnen. Je hoeft niet meteen van het begin af aan overal mee te vlammen, je hoeft dat zware voorbereidingsprogramma niet af te werken, je kan al eens vragen om een wedstrijd te laten schieten. Zo kan je stap voor stap weer opbouwen. Bovendien hangt er in de ploeg een sfeer van gezelligheid, terwijl je voelt dat het toch allemaal heel goed is georganiseerd, ook door de Italiaanse inbreng van Colnago. En door de figuur van Gérard Bulens, een heel onderschatte sportdirecteur. Hij is organisatorisch heel sterk, trekt rechte lijnen, je hoeft hem maar één keer iets te vragen, hij schept meteen duidelijkheid. Ook in Italië wordt Bulens enorm geapprecieerd. STEELS: Als ik in de laatste tweehonderd meter kom wel. Alleen: het is vaak een probleem om in die laatste tweehonderd meter nog in een goede positie te komen. Omdat er zo verschrikkelijk hard gereden wordt. Wat is uiteindelijk het moeilijkste in een massaspurt? De voorbereiding. Die tussensprinten de laatste twintig kilometer, die opeenvolging van nijdige inspanningen, die brutale tempowisselingen, dat naar voren rijden en je positie niet verliezen, dat is veel slopender dan de sprint op zich. Want die is in feite makkelijk: je vertrekt en je ziet waar je strandt. Maar het gevecht vooraf, een sprint plaatsen om niet ingesloten te raken, dat kost verschrikkelijk veel kracht, dat wordt enorm onderschat. Bovendien merk je tegenwoordig dat er op zo'n driehonderd meter van de streep vaak nog een scherpe bocht wordt ingelast. Voor de spurt op zich maakt dat niet zoveel uit. Maar het betekent wel: wie eerst remt, mag het vergeten, wie het laatst in de remmen gaat, maakt een goeie kans om te winnen. Soms is het heel gevaarlijk en eigenlijk een beetje onbegrijpelijk. Je rijdt de hele dag op brede wegen en dan sturen ze je in een stad door vierentwintig straten om de aankomst te bereiken. Het enige voordeel van die bochten is dat je gemakkelijker positie kan kiezen omdat het peloton sneller een lint vormt. Wat is het belangrijkste voor een spurter? Dat je snel wint zodat je in een soort euforie komt. Vooral in grote rittenwedstrijden is dat verschrikkelijk belangrijk. Ik heb dat in 1999 meegemaakt toen ik in de Ronde van Frankrijk vier ritten won. Ik haalde het in de allereerste etappe en meteen viel er een last van me af. Als je tweehonderd kilometer moet rijden, doe je dat honderdtachtig kilometer ontspannen en vervolgens begin je nerveus te worden. Als je niet hebt gewonnen, zit je tweehonderd kilometer lang gespannen als een veer op die fiets. Je merkt het altijd en overal. Toen Petacchi in de eerste rit van de Ronde van Italië Cipollini klopte, wist ik meteen: die gaat nog ritten winnen. Het zijn er uiteindelijk zes geworden. Een sprinter in euforie is gewoon niet te kloppen. En dan geniet je pas goed van die spurten. Ik blijf het heerlijk vinden, die hoge snelheid, dat gezoem en gezoef van het asfalt, schitterend. Het punt is: als je sprinter bent, dan moet je ook in je kop sprinter willen blijven. Dan moet je geen andere renner willen zijn. Een sprinter is een sprinter, het zit in je genen, in je spieren. Soms kan je in eendagswedstrijden goed zijn. Maar in de eendagswedstrijden die ik heb gewonnen, gingen we altijd met vijftig man naar de eindstreep. Ik heb een eendagswedstrijd nog nooit gemaakt. STEELS: Ik moet echt een heel goeie dag hebben om in een klassieker mee te spelen. En dan nog kan ik niet meer dan de wedstrijd ondergaan. Ik moet aanklampen, overleven. Ik kan nooit de wedstrijd maken, ik kan geen koers bepalen en beslissen. Mijn probleem is bovendien ook: als ik in een kopgroep zit, dan rijden ze meestal niet door. STEELS: Dat soort records zeggen me heel weinig. Maar ik wil natuurlijk wel die titel verlengen. Alleen wordt het heel moeilijk, op zo'n parcours, met een beetje vals plat en bochten. Dan weet je: ze draaien van in het begin de gaskraan open. Er wordt niet getwijfeld, er wordt gekoerst. Het is niet gemakkelijk om het dan gesloten te houden. STEELS: Eigenlijk niet. Ik heb met de Tour een soort haat-liefdeverhouding. Net zoals de meeste andere renners eigenlijk. De Ronde van Frankrijk valt gewoon met niets te vergelijken. Je komt daar gewoon in een andere wereld terecht. De massale aandacht van de pers, het volk langs de weg, de sfeer van zenuwachtigheid die nooit wijkt, de renners die zich stuk voor stuk ongelooflijk onder druk zetten. Iedereen wil vooraan zitten, het is wringen en duwen, zeker de eerste dagen, tot de wedstrijd een beetje in zijn plooi ligt. In de vlakke ritten rijd je stuur tegen stuur, je kan bijna niet ademen, het is constant uitkijken om niet te vallen, de aandacht mag geen seconde verslappen. Na een week ben je blij dat je in de bergen zit. Omdat je daar weer wat kan blazen, je zit dan in een klein groepje, je hebt eindelijk wat ruimte. Van de andere kant zie je dan verschrikkelijk af. Voor de mensen is de Tour een schitterend spektakelstuk. Maar als renner leef je drie weken op de toppen van je tenen. Zowel fysiek als mentaal is het onvoorstelbaar belastend. STEELS: Zoiets kan alleen in de Ronde van Frankrijk gebeuren. Omdat er zo agressief wordt gekoerst en gesprint. Bovendien waren er toen een paar levensgevaarlijke bewegingen gebeurd, op een gegeven moment verlies je dan de controle over jezelf. In iedere sprinter zit natuurlijk iets agressiefs. Ik zeg wel eens: een sprinter moet zich kunnen opladen tot de druk op de ketel ontploft. Je bent niet alleen explosief, je hebt ook een explosief karakter. Al valt dat bij mij eigenlijk nog mee. Soms probeer ik zelfs nog wat van de omgeving te genieten. Zoals tijdens de laatste rit van de Ronde van Oostenrijk die in het centrum van Wenen aankwam. Ik moet zeggen: ik was enorm verbaasd van de schoonheid van deze stad, ik was er nog nooit geweest, ik ga er zeker eens terug. Ik weet kunst wel te appreciëren. Schilderijen bijvoorbeeld, ik kan ontroerd worden als ik naar een werk van Rubens of Rembrandt kijk. Ik hou van landschappelijke taferelen. STEELS: Daar kijk ik echt telkens weer naar uit. Wat is er bijvoorbeeld mooier dan door je ploegmaats gepiloteerd te worden, je ziet hoe die trein op gang komt, je weet dat je het moet afmaken en vervolgens plaats je die jump. Heerlijk. Het geeft je een heel goed gevoel. Ook dat gevoel heb ik de afgelopen twee jaar te vaak moeten missen. Maar het is aan het terugkomen. Langzaam maar zeker. Jacques Sys'Als ik in een kopgroep zit, dan rijden ze meestal niet door.'