Het was perfect geregeld. Heel Brussel hield de adem in. Net op het moment dat Charles Rogier, de held van de Septemberrevolutie, uitriep ' Vive le roi!' werd door een onzichtbare hand aan een touw getrokken en viel het zwarte doek van het monumentale beeld van Leopold I af. 45,70 meter hoog boven de begane grond - tenminste dat beweerden de Brusselse gazetten. Het beeld zelf meet al 4,52 meter. Het was een imposant meesterwerk van de beeldhouwer Willem Geefs, telg uit een groot Antwerps kunstenaarsgeslacht, een parel aan de kroon van de vaderlandse schone kunsten.
...

Het was perfect geregeld. Heel Brussel hield de adem in. Net op het moment dat Charles Rogier, de held van de Septemberrevolutie, uitriep ' Vive le roi!' werd door een onzichtbare hand aan een touw getrokken en viel het zwarte doek van het monumentale beeld van Leopold I af. 45,70 meter hoog boven de begane grond - tenminste dat beweerden de Brusselse gazetten. Het beeld zelf meet al 4,52 meter. Het was een imposant meesterwerk van de beeldhouwer Willem Geefs, telg uit een groot Antwerps kunstenaarsgeslacht, een parel aan de kroon van de vaderlandse schone kunsten. De inhuldiging van de Colonne de la Constitution et du Congrès - een Nederlandstalige benaming bestond er nog niet - was een plechtigheid de jonge natie waardig. Die maandag 26 september 1859 liepen de Brusselaars al vroeg in de ochtend naar het Congresplein om een plaatsje te bemachtigen. Negen jaar eerder had koning Leopold I hier op het toen nog kale plein de eerste steen gelegd. De vorst had toen gezegd dat het een monument zou worden dat het glorierijke verleden van de natie illustreerde. En de overheid, die geen gelegenheid onverlet liet om de prille vaderlandsliefde van de Belgen aan te wakkeren, had er werk van gemaakt. Er was een wedstrijd uitgeschreven en een jonge architect, ene Joseph Poelaert, had met zijn ontwerp alle concurrenten overschaduwd. Van die Poelaert gingen we horen. Inderdaad, hij zou later het Justitiepaleis bouwen en dankzij hem zou het beroep van architect - de Schieven Architek - een Brussels scheldwoord worden. Maar de Congreskolom was Poelaerts eerste grote monument. Men stelle zich voor een kolom van ruim veertig meter, een wenteltrap met 193 treden die naar een terras leidt waar de bezoeker een adembenemend uitzicht op de hoofdstad kreeg. En daar dan bovenop kwam het gigantische beeld van de eerste monarch van het land. Op de vier hoeken van de sokkel die de kolom in evenwicht houden zouden vier beelden prijken die onze vrijheden symboliseren: de vrijheid van Eredienst, van Drukpers, van Onderwijs en van Vereniging, alsook een bas-reliëf dat de toenmalige negen provincies voorstelt. Boven op de sokkel in gulden letters gebeiteld, kwamen excerpten uit de Belgische grondwet. Sommige kolommen in Londen en Parijs mochten dan wel hoger zijn, maar zo'n toonbeeld van patriottisme als de Brusselse kolom hadden ze daar niet. De koningin en haar kinderen waren die glorieuze maandag in groot ornaat naar de plechtigheid gekomen. De koning bleef afwezig. Hij vond het ongepast dat hij, nog in leven zijnd, al een standbeeld kreeg. Een voorbeeld van nederigheid, vonden ze dat in Brussel. Terwijl het vallende doek de edele trekken van de Belgische koning onthulde, vuurde een kanon een eresaluut af en zette een militaire kapel een daverende Brabançonne in. ' Un immense cri de joie retentit alors dans les Aires!', zo staat het in het gedenkboek dat later werd uitgegeven. Alleen jammer van die leeuwen. Toen iemand het zag, was het al te laat. De leeuwen stonden er al: twee prachtige drie meter hoge leeuwen, met vorstelijke opstaande manen, die het gebouw lijken te bewaken. Waarlijk een meesterwerk van beeldhouwer Eugène Simonis, de auteur van het ruiterstandbeeld van Godfried van Bouillon op het Koningsplein en van het fronton van de Muntschouwburg. De bronzen leeuwen waren niet klaar geraakt en daarom hadden ze maar twee gipsen afgietsels neergezet. Het was toen ze d'r al stonden dat iemand het merkte. Simonis had de leeuwen neergezet als telgangers. Die leeuwen stonden daar, als twee kamelen. Dat was toch een beetje gênant. In de Brusselse volkscafés hadden ze die avond niet meer nodig om liedjes te fabriceren over ' de kemels van 't gouvernement'. Veel later, op 11 november 1922, zou hier voor de ingang van de Congreskolom de Onbekende Soldaat worden begraven. Sinds 2 november 1924 brandt daar ook de eeuwige vlam. De benaming Congreskolom raakte daardoor wat in onbruik. Iedereen heeft het nu over de Onbekende Soldaat, terwijl het monument eigenlijk de nagedachtenis eert van de opstellers van de Belgische grondwet en het Nationaal Congres dat door op 7 februari 1831 de grondwet goed te keuren de revolutie van 1830 legitimeerde en van België een rechtstaat maakte. Vrijwel meteen nadat de Hollanders uit Brussel waren verdreven, had het Voorlopig Bewind een commissie de opdracht gegeven om een grondwet neer te schrijven. Die werd voorgezeten door de jurist Etienne de Gerlache, de latere regeringsleider. Ondervoorzitter was de filosoof/jurist en latere topmagistraat Pierre van Meenen. Secretaris werd Jean-Baptiste Nothomb, redacteur van de Courrier des Pays-Bas, maar jurist van vorming. Hij werd bijgestaan door adjunct Joseph Lebeau, ook al een toekomstige regeringsleider. De commissie liet er geen gras over groeien. In minder dan een maand zat haar werk erop. Iedereen toonde zich enthousiast over de ontwerptekst die algauw tot in het buitenland bewondering afdwong. De Belgen zijn altijd trots geweest op die grondwet die hen de grote vrijheden garandeerde. In 1852 zou de Brusselse uitgeverij Delevigne & Callewaert een prachtige geïllu- streerde uitgave van de grondwet publiceren, met indrukwekkende lithografieën. Veertig jaar na de Omwenteling zou de uitgever Henry Kistemaeckers zelfs een grondwet op rijm uitbrengen - maar dat was dan weer niet als eerbetoon bedoeld. Alleen de republikein Louis de Potter vond het ontwerp van grondwet maar niks. 'Het was niet de moeite zo veel bloed te vergieten voor zo weinig', zou hij gezegd hebben. De Potter had de republiek gewild. De grondwetcommissie koos voor een constitutionele monarchie, wel beseffend dat de grote Europese mogendheden nooit zouden toelaten dat de Belgen de republiek uitriepen. Maar dat volstond niet. De grondwetgevers wilden het land zo snel mogelijk uit de revolutionaire sfeer halen en een grondwettelijk regime installeren dat door de buurlanden werd erkend. Dat was trouwens een van de redenen waarom in afwachting van een echte koning een regent werd aangesteld, Erasme Surlet de Chokier, die zijn signatuur zou zetten onder de installatie van de grondwettelijke monarchie. Eens de ontwerptekst klaar, was het dus zaak die zo snel mogelijk door het Nationaal Congres te laten goedkeuren. Want de Belgen zochten intussen koortsachtig naar een koning. Lange tijd leek het erop dat de hertog van Nemours, zoon van de Frans koning Louis Philippe, de Belgische kroon zou aanvaarden. Het kwam erop aan de toekomstige koning voor een voldongen feit te plaatsen en hem de grondwet te laten tekenen nog voor hij de troon kon bestijgen. 'De Belgische grondwet is een meesterwerk', zegt grondwetspecialist Robert Senelle. 'Maar het is een toch wel erg unitair en jacobijns opgevat werkstuk, rond één land, één koning, één taal.'Zonder de Franse overheersing over onze contreien valt die vooruitstrevende grondwet van 1831 moeilijk uit te leggen. In die periode was hier een sociale en economische evolutie aan de gang die mee de revolutie zou uitlokken. België is in volle overgang van een agrarisch land, gedomineerd door de grootgrondbezitters, naar een industrieland. En er is het nieuwe koopmanschap, vooral in Vlaanderen, aangestoken door de ontsluiting van de haven van Antwerpen en de toenemende handel op Nederlands-Indië. De grote weerstand van de Franstalige bourgeoisie, de adel en de clerus tegen koning Willem had deels te maken met diens taalpolitiek, maar ook met de grote macht die hij zich toe-eigende en de beknotte persvrijheid. Uiteraard waren de opstellers van de Belgische grondwet vertrouwd met het Amerikaanse voorbeeld, het baken voor alle vrijheidslievende activisten. De commentaren op die grondwet, zoals de Federalist Papers waren hen niet onbekend. Maar de grote invloed kwam uit Frankrijk, zegt professor Senelle. De opstellers hebben hun werk gebaseerd op de werken van Montesquieu en Jean-Jacques Rousseau. Van Montesquieu komt het principe van de scheiding der machten; van Rousseau dat van de volonté générale - de volkswil. 'Doch in de Belgische grondwet zitten ook de verworvenheden van de Franse Revolutie en de twee grote hoofdprincipes: representatieve democratie en een constitutionele monarchie', zegt Senelle. 'In het parlementaire stelsel heeft het soevereine volk de macht. Een regering kan alleen haar legitimiteit ontlenen aan het feit dat zij in het parlement over een meerderheid beschikt die haar steunt.' Maar niet iedereen had veel op met die nieuwe Belgische grondwet. Een jaar na de afkondiging sprak paus Gregorius XVI een veroordeling uit. De Kerk, zo bleek, had het niet erg begrepen op al die vrijheden en vooral niet op de scheiding van Kerk en Staat. Achter de pauselijke veroordeling vermoedden de toenmalige liberalen meteen een stiekem manoeuvre van de katholieken om het unionisme te kelderen. Een mooie vondst van de opstellers van de grondwet is volgens Senelle de truc met de constitutionele monarchie: 'De grondwetgevers hebben de koninklijke functie heel streng en strikt omschreven. Als de opstellers van de grondwet het hebben over de constitutionele monarchie als hoofd van de uitvoerende macht, dan bedoelden ze de uitvoerende macht in haar geheel. Dat wil zeggen: de grondwettelijk niet-verantwoordelijke koning en de aan het parlement verantwoording verschuldigde regering. Maar de koning kan geen enkele beslissing nemen zonder het akkoord van zijn ministers.'Het is evident dat in 1831 met die prille staat en een man met ervaring als Leopold I, de koning een doorslaggevende rol speelde. Leopold heeft er ook alles aan gedaan om het unionisme in stand te houden, waarbij hij ministers en regeringen benoemde die in het parlement steunden op een meerderheid van verschillende, zeg maar liberale en katholieke, strekking. Maar in 1848, met de verlaging van de kiescijns, komen de partijen sterker naar voren en gaan zij het politieke spel beheersen. 'Het grote voordeel van de constitutionele monarchie is dat het een erg soepel systeem is', legt Senelle uit. 'Als de vorst een hoogstaand en heel intelligent man is, dan kan die een belangrijke rol spelen. Is de vorst intellectueel gesproken veeleer bescheiden, dan zal die minder op de voorgrond treden. De wisselwerking tussen vorst en ministers laat hier veel manoeuvreerruimte. Maar de grondwetgevers hebben toegelaten dat de koning, zoals naderhand beschreven door de Engelse constitutionalist Walter Bagehot, zijn drie grote prerogatieven hanteerde: het recht om geraadpleegd te worden, het recht om aan te moedigen en het recht om te waarschuwen. Binnen die lijnen blijft tot op vandaag de rol van de Belgische koning.'Van de Belgische grondwet van 1831 bestaat geen Nederlandstalige versie. Het taalgebruik kon volgens de wetgevers van die tijd alleen bij de wet worden geregeld, maar dan uitsluitend voor de handelingen van openbaar gezag en gerechtszaken. Maar enkele maanden nadat de grondwet was goedgekeurd, werd ook afgekondigd dat het Frans de taal van het parlement was. 'En dat was voor de Vlamingen een catastrofale beslissing' zegt Senelle, voor wie het jaar 1831 een drama is geworden voor de Vlamingen, vergelijkbaar met de val van Antwerpen in 1585. 'Niet alleen door de taalkundige en culturele achteruitstelling. Maar ook omdat door het Verdrag van de XXIV artikelen de Antwerpse haven van de zee werd afgesneden en een deel van Limburg met de stad Maastricht verloren ging.'Er waren schuchtere pogingen geweest om een begin van tweetaligheid mogelijk te maken. Zo had de liberaal uit Oudenaarde, Charles Liedts, de vertaling van de wetteksten gevraagd, want 'driekwart van de inwoners van West- en Oost-Vlaanderen kende niet het geluk Frans te spreken'. Zijn verzoek werd hooghartig afgewezen. Die achterstelling van het Nederlands zou nog duren tot 1898, tot de goedkeuring van de zogenaamde Gelijkheidswet die het Nederlands op gelijke voet stelde met het Frans en dus verplicht maakte voor alle wetgevende handelingen en officiële bekendmakingen. De behandeling van het wetsvoorstel van Juliaan Devriendt zou in het parlement, en vooral in de Senaat, tot een slopende en bittere woordenstrijd leiden, waarbij de liberale senator Georges Montefiori uitriep dat wie geen Frans kende niets te zoeken had in het parlement. Na de uiteindelijke goedkeuring van de Gelijkheidswet werden, zo schreven de kranten, op de Brugse Halletoren de triomfklokken geluid en werd tot in de kleinste dorpen van Vlaanderen gefeest en gevlagd. Voor de echt grote grondwetsherzieningen bleef het wachten tot na de Tweede Wereldoorlog. 'Het volgehouden verzet van de Vlamingen heeft tot die hervormingen geleid', legt Senelle uit. 'Eigenlijk was het unitaire België veroordeeld met de vastlegging in 1962 van de taalgrens. Daarmee werd voor het eerst het bestaan van een Vlaamse en Waalse, Franssprekende gemeenschap, elk met hun cultuur, erkend. Van dan af stond in de sterren geschreven dat België van een unitaire naar een federale staat zou evolueren. Tot dan was federalisme een vies woord. Na de oorlog dacht Achille Van Acker aan een aantal grondwetswijzigingen en vroeg me een ontwerp te schrijven. Ik had die in federalistische zin opgevat. Waarop Van Acker uitriep: ' Robert, zijde gij nu zot geworden!' Bij Van Acker was het verboden te spreken over Vlaamse of Waalse dossiers. Voor hem waren er alleen Belgische dossiers.' Tot 1970 werd de Belgische grondwet een aantal keren in democratische zin aangepast. Het algemeen enkelvoudig stemrecht (1919) werd zelfs ingevoerd zonder grondwetswijziging - pas later in 1920 werd de tekst aangepast. De grote grondwetsherzieningen waarbij de inrichting van de staat gaandeweg in federale richting werd gestuurd, komen in 1970 op gang. En ook daar is het, volgens Senelle, opmerkelijk dat het de constitutionele monarchie is die het land samenhoudt. 'Mochten de grondwetgevers en het Nationaal Congres voor de republiek hebben gekozen,' verzekert Senelle, 'dan bestond België al lang niet meer.'Door Rik Van CauwelaertPaus Gregorius XVI had het niet erg begrepen op de scheiding van Kerk en Staat.