De moderne mens is teruggekeerd naar de Middeleeuwen. Alleen heeft hij daarbij God vervangen door de ander. Dat zegt de histo- ricus Hermann von der Dunk uit Utrecht.
...

De moderne mens is teruggekeerd naar de Middeleeuwen. Alleen heeft hij daarbij God vervangen door de ander. Dat zegt de histo- ricus Hermann von der Dunk uit Utrecht.DE DUITSE ROMANTISCHE filosoof Friedrich von Schelling schreef : ?De natuur is in de mens wakker geworden en heeft geconstateerd dat ze er is.? Hiermee bedoelde hij dat de mens, ook al maakt hij deel uit van de natuur, het enige wezen is dat zichzelf via zijn verstand buiten deze natuur kan plaatsen om ze te bestuderen. Op die manier probeert hij de wereld te doorgronden en stelt hij een beeld samen van de natuur en van zichzelf. Want, wie is hij immers ? Waar komt hij vandaan ? En wat is zijn plaats in deze wereld ? Die vragen leiden, eens beantwoord, tot de constructie van een mensbeeld. De Filosofen Club Utrecht, een gezelschap van een tiental personen, merendeel hoogleraren, buigt zich in het boek ?Zoeken naar het mensbeeld? over de menselijke zelfperceptie. Vertrekkend vanuit de eigen discipline, pogen de auteurs te schetsen hoe de mens zichzelf ziet in de natuurwetenschap, het recht, de filosofie en de kunst. Historicus Hermann von der Dunk, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Utrecht, schreef in deze bundel een essay over de geschiedenis van het mensbeeld van de Middeleeuwen tot nu. Het idee van de mens als autonoom individu dat zelf beslissingen kan nemen en een eigen karakter heeft, is van vrij recente datum, zo betoogt von der Dunk. Voor een middeleeuwer lag dit wel even anders : ?Hij zag natuurlijk wel individuen, maar over het algemeen ervoer hij die niet als autonome personen. Dit hangt samen met het hele religieuze denken en beleven in die tijd. De middeleeuwse mens had een sterk vergankelijkheidsbesef. Het leven was kort en bedreigd. Kinderen stierven bij de vleet. Dit leven bood zich zo vergankelijk aan, kommervol en afhankelijk van hongersnoden, pest en natuurrampen, dat die transcendente gerichtheid best te begrijpen valt. Het leven was in het hele denken van de religieuze mens niet zo belangrijk. De aandacht werd meer gericht op het hiernamaals. Het individu voelde zich zwak, klein en afhankelijk van hogere machten. De mens waande zich geen autonoom wezen maar wel de woonplaats van boze en goede machten. Van een krankzinnige werd gezegd dat er een boze geest in die persoon gaan schuilen was. Om hem te genezen, moest die dan verwijderd worden. Die persoon zelf betekende dus niets. Hij was niet meer dan een leeg glas dat door de boze geest volgeschonken werd met vergif dat er vervolgens uitgegooid moest worden. Omgekeerd schonken de goede geesten en beschermengelen dat lege glas met een verkwikkende drank vol. Vandaar die heiligenlegenden die de functie hadden van geneesmiddel : recepten tegen het kwaad. Kijk naar de heilige Catherina en je zal de boze geesten kunnen afzweren, zo zei men.? ?Met het verdwijnen van het metafysische, religieuze wereldbeeld raakte die visie in de vergetelheid. Maar dit gold niet voor iedereen. In de zestiende en zeventiende eeuw en zelfs tot op vandaag is dit mensbeeld niet volledig verdwenen. Bij geschiedenis moet je je altijd afvragen over welke groepen je praat. Meestal gaat het over de intellectuele voorhoede waarbinnen de grote veranderingen van denken plaatsvinden, maar de grote massa van de bevolking bleef natuurlijk zeer piëtistisch, ook tijdens de Verlichting, het zogenaamde tijdperk van de rede. In deze materie wordt slechts een kleine groep bestreken : de avant-garde die in de eerste plaats de teksten heeft nagelaten die je kan bestuderen.? ?Het denken over de mens als leeg glas dat door goede of kwade geesten gevuld wordt, komt tot in de achttiende eeuw frequent in het taalgebruik voor. Het woord genie, bijvoorbeeld, waarmee we nu een uitzonderlijk individu aanduiden, betekende in oorsprong een genius en dat was nu juist een mythologisch, halfgoddelijk wezen zonder enige individualiteit. We horen nog wel eens iemand zeggen : zijn goede genius heeft ingegrepen. Of : dat is hem ingefluisterd door zijn kwade genius. De menselijke factoren van het handelen worden hier geëxterioriseerd, waarmee natuurlijk de hele schuldvraag verdwijnt : de mens heeft niets gedaan, wel zijn kwade genius. Tot in de achttiende eeuw was dit denken algemeen. Ze praatten over de genius van Mozart of Voltaire die verantwoordelijk was voor het talent van zijn gastheer. Het genie werd dus als een extern gegeven gezien. Met de romantiek, rond 1800, kwam pas die geniecultus op en dan ontstond een heel ander mensbeeld, waarbij het individu als een autonome, gesloten eenheid werd gezien.? SHAKESPEARE.De fundamenten van dit mensbeeld werden een paar eeuwen vroeger al gelegd. In de Renaissance ontstond namelijk de voorstelling van het karakter. ? Shakespeare is hier een heel interessant voorbeeld,? zegt von der Dunk. ?Hij is de eerste grote schrijver die het karakter zo vooropstelt. Deels blijft hij natuurlijk ook nog wel een aanhanger van het middeleeuwse mensbeeld : Hamlet begint met de geest van de vermoorde vader die opkomt. Daar volgden naderhand allerlei speculaties over. Zo zagen velen die geest als het geweten van Hamlet, maar voor het toenmalige publiek van Shakespeare waren geesten natuurlijk reëel, net zoals de heksen uit Macbeth. Shakespeare zit op die grens van twee werelden en vooral de receptie van Shakespeare in de zeventiende en de achttiende eeuw gaf figuren als Jago en Othello de symboolfunctie van een karakter.? Het sterker zelfbewustzijn van de renaissancemens hing in grote mate samen met het zich willen ontdoen van het gezag van de kerk. De idee vond ingang dat ieder zijn eigen verstand had en niet alles moest geloven wat een ander hem kwam vertellen. ?Deze hele secularisatietrend kwam vooral uit de steden en de burgerij,? aldus Von der Dunk. ?Als eerste maakte de handel zich vrij van het absolute gezag van de kerk omdat dit voor het dagelijkse leven hinderlijk was. De stedelingen wilden ook wel eens onderhandelen met mohammedanen. Dat mocht natuurlijk niet, want dat waren ongelovigen. Maar de handelaars redeneerden : als die contacten wat opbrengen, waarom zouden we het dan moeten laten ? Daar kiemde voor het eerst een meer werelds denken. Die stedelingen waren natuurlijk nog tot in hun tenen gelovig, maar toch al minder gelovig dan hun voorgangers. Er werd dus almaar meer waarde gehecht aan het menselijk verstand, omdat er langzamerhand ook technieken werden ontwikkeld om de natuur de baas te kunnen. De mensen kregen door dat ze de omgeving niet alleen maar als een onbegrijpelijk en oppermachtig wonder moesten accepteren. Mits hun verstand goed te gebruiken, konden ze er ook wetten en systemen in ontdekken. Wanneer de observaties absoluut in strijd waren met wat het geloof stelde, probeerden ze in de eerste plaats, en dit tot in de achttiende eeuw, de zaak te verzoenen. Dat was één van de belangrijkste doelstellingen van de filosofie. Een aantal grote filosofen belandden eigenlijk bij hun belangrijke denkbeelden vanuit de vraag hoe ze het geloof in God konden rijmen met hun rationele inzichten. Isaac Newton, bijvoorbeeld, was een zeer gelovig man. En vanuit zijn behoefte om het geheim van God te ontsluieren, werkte hij zijn wet van de zwaartekracht uit. De hele natuurkunde begon dus niet als een aanval op het geloof, maar wel als een poging om het geloof te versterken waar het botste met de observaties en de rede.? Het geloof in het zelfbewustzijn en de rede bereikte zijn hoogtepunt met de Franse Revolutie en het liberalisme van de negentiende eeuw. Von der Dunk : ?De Franse revolutie en ook Napoleon droegen er in hoge mate toe bij dat er een heel ander geschiedenis-, wereld- en mensbeeld ontstond. Tot in de achttiende eeuw hadden mensen het gevoel dat er een grote statische orde was en dat de geschiedenis een cyclisch patroon volgde. De generaties die de revolutie en Napoleon meemaakten, zagen een eeuwenoude samenleving in mekaar ploffen. Dat veroorzaakte een geweldige onrust, een veel sterker dynamisch tijdsgevoel en het besef dat wat geweest was, nooit meer zou terugkomen. Van dan af aan wordt de geschiedenis gezien als een dynamisch systeem dat zich lineair voortbeweegt, naar het onbekende. De Franse Revolutie lag zo ook mee aan de basis van een verlies aan zekerheden. Aanvankelijk werd hierop gereageerd met het liberale, optimistische beeld van de mens die zelf zijn toekomst kan bepalen. Het liberalisme vertrekt bij een mens die als autonoom schepsel op de wereld komt. Het hele natuurrecht, de Franse en de Amerikaanse revolutie en ook onze hedendaagse politieke instituties getuigen daar nog van : het idee dat alle mensen van nature gelijke rechten hebben en voor zichzelf kunnen denken. Dit zorgde voor een atomistische kijk op de samenleving of de staat. Vandaar het kiesrecht : ieder mens heeft zijn eigen verstand en moet dus dezelfde rechten hebben om te kiezen. Ook het majoriteitsbeginsel leunt daarop : aangezien we niet kunnen uitmaken wie gelijk heeft, dan maar tellen.? AANPASSINGEN.Deze gedachte, die nog altijd de grondslag vormt van onze westerse democratie en van de universele verklaring van de mensenrechten, stond van het eind van de vorige eeuw af stevig onder druk. Men zag dat de mens niet zo autonoom op de wereld wordt gegooid en dat wat men karakter noemt, voor een belangrijk deel een biologische erfenis is zoals Darwins evolutietheorie, Mendels erfelijkheidswetten en de hedendaagse genetica pretenderen. Het marxisme en de sociologie beklemtoonden de sociale en culturele bepaaldheid van de mens. Freud en de psychoanalyse toonden aan dat onze handelingen niet zo redelijk zijn als we wel zouden wensen, maar daarentegen deels gestuurd worden door onze onbewuste verlangens. Het geloof in de vooruitgang werd in hoge mate ondermijnd door de ervaringen van de wereldoorlogen en de dictatoriale terreur. Er is wel technische vooruitgang, maar geen morele, zo luidt de bewering. En de technische vooruitgang vergroot alleen maar de destructieve vermogens van de mens. ?De autonome factor van het individu kreeg dus een almaar geringere betekenis,? vat Von der Dunk samen. ?En dat is dan weer te zien als een gevolg van de massale samenleving. De traditionelehiërarchie werd afgebroken en vervangen door een model waarin iedereen gelijke rechten had en onderwijs kreeg. Dit zorgde ervoor dat de bevolking emancipeerde. De bedoeling was volwassen burgers met een zeer grote persoonlijke beweegruimte te krijgen. Maar tot onze ontsteltenis moeten we nu vaststellen dat het resultaat net het omgekeerde is. De beweegruimte van de enkeling werd veel kleiner omdat iedereen dezelfde beweegruimte moet hebben. In een hiërarchisch bestel was de vrijheid van de politicus veel groter dan nu. De idee dat een persoon het voor het zeggen heeft, is in strijd met onze basale normen. Dat kan niet. We willen het allemaal voor het zeggen hebben. Het resultaat hiervan is natuurlijk dat niemand het voor het zeggen heeft en dat de leiders zich volledig moeten conformeren aan de publieke opinie. Om president van de Verenigde Staten te worden, bijvoorbeeld, moet de kandidaat aan een hele lijst voorwaarden voldoen : jeugdig voorkomen, sportief, een zongebruinde huid, een innig en hecht gezinsleven en een bedachtzame, licht vaderlijke spreektrant, liefst met een laag stemgeluid.? Von der Dunk vervolgt : ?We worden hier geconfronteerd met een gevaarlijke kant van het liberalisme. Wie al te zeer beklemtoont dat het individu geen sociologische of culturele banden heeft met de ander, ontneemt het ook een stuk verantwoordelijkheid en zelfbewustzijn. En dat doet zich vandaag voor. De overweldigende meerderheid van de mensen is voortdurend bezig zich aan te passen. Hun zelfbeeld is volkomen afhankelijk van het beeld dat de anderen van hen hebben. En daardoor ontstaan uiteraard heel veel persoonlijke frustraties, omdat die aanpassingen niet haalbaar zijn. Het hoeft niet te verbazen dat net onze democratie zo rijk is aan psychiatrische probleemgevallen. De kernpersoonlijkheid, de transempirische orde waar vroeger de enkeling te situeren was, ontbreekt vrijwel volledig bij de hedendaagse mens. Die enkeling wist nog wat boven en beneden en goed en slecht was. Dat gaf hem een zekere kracht tegenover anderen.? PERVERSIE.Het liberalisme wou de mens, uitgaande van de idee dat hij een autonoom individu is, verlossen van de bindende autoriteit van de kerk en de machtige heersers. Maar hij kwam in een nog veel sterkere binding terecht : de totale afhankelijkheid van de ander die op zijn beurt weer net zo afhankelijk is. ?Dat is de psychologische situatie waarin wij in hoge mate in verkeren,? vindt Von der Dunk. ?Er zijn voortdurend pogingen om daaraan te ontkomen. Het religieuze leeft de jongste decennia weer op. Vaak op een griezelige manier zelfs, zoals in het moslimfundamentalisme, maar ook onschuldiger zoals in de New-Agebeweging. Beide verschijnselen pogen het religieuze te hervinden als middel tegen de verkilling van de technologische maatschappij.? De behoefte om zich aan te passen, beschouwt Von der Dunk ook als een groot gevaar voor ons politiek bestel. ?Ze kan leiden tot de totale omslag : de dictatuur.? De mens als autonoom individu blijkt vandaag dus even veraf als tijdens de Middeleeuwen, zij het dat God vervangen werd door de ander. ?Ik geloof inderdaad dat je op allerlei vlakken dingen ziet die in de Middeleeuwen aanwezig waren en nu weer sterker naar boven komen. Kijk, bijvoorbeeld, naar de Europese eenheidsbeweging. Ik kan me heel goed voorstellen dat er in de toekomst in Europa een soort supranationale technocratische bestuurlijke elite zal ontstaan, met daaronder de vele nationaliteiten met hun tradities en identiteiten. Hier is er een verre verwantschap te zien met de Middeleeuwen, waar je de kerk en de adellijke stand had met een bovennationaal gezag en daaronder dan de verschillende volkeren met hun talen, dialecten en regionale identiteiten. Er zijn vandaag tendenties die daarnaar verwijzen. Kijk, bijvoorbeeld, maar naar de Europese elite in Brussel. Marnix Verplancke Gerard J.P. Rijntjes (red.), ?Zoeken naar het mensbeeld?, Het Spectrum, Utrecht, 319 blz., 795 fr.Het religieuze denken uit de Middeleeuwen (links) is teruggekeerd naar de moderne tijden (rechts), zij het wel vanuit andere motieven.Hermann von der Dunk : De moderne mens is voortdurend bezig met zich aan te passen. De president van Amerika : licht vaderlijke spreektrant, liefst met een laag stemgeluid.