DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYEN ER IS IETS ONGEZEGD GEBLEVEN over de zelfverdwijning van gewezen partijvoorzitter Johan Van Hecke en het rimpelloze aantreden van zijn opvolger, Marc Van Peel. Niet dat het waar dan ook ontbrak aan mededogen of moreel inlevingsvermogen, noch aan commentaren rond de kwetsbare verhouding tussen persoonlijke levenswandel en politieke beginselen. Het viel overigens op dat de zalvende toonzetting van de eerste dagen geleidelijk aan verhardde en op het CVP-milieucongres omsloeg tot : ?de uitzondering mag geen norm worden.? Wat uitbleef, was een bezinning over de eigenlijke inhoud van het toverwoord ?vernieuwing? waaraan de teruggetreden Van Hecke zijn politiek soortelijk gewicht en reputatie van charismatisch leider ontleende. Elk zogenaamd charisma is trouwens zeer betrekkelijk en hangt vaak af van weinig meer dan een juiste studiobelichting of het wegwerken van te zware wenkbrauwen. Belangrijker is de vraag waaruit die vermaarde vernieuwing nu eigenlijk bestaan heeft. In feite kwam ze neer op de los-vaste aanwerving (de partijpolitieke wereld beschikt daartoe over het nodige geld) van enkele mannen en vrouwen die voordien in het Vlaamse straatbeeld niet meteen waren opgevallen door hun christen-democratische gezindheid. Wellicht zag de publieke opinie in museumconservator Jan Hoet en de op het ogenblik van zijn toetreding net werkloos geworden Agalev'er Paul Staes de meest geruchtmakende gevallen. Het wekte verbazing dat een als goedmoedig en intellectueel voorzichtig bekend staande machtspartij ergens een hoekje wist vrij te maken, waarin een paar geestelijke onrustigaards mochten plaatsnemen en met het betere volk meepraten. Is er ooit iets meer dan dat aan de hand geweest ? Maatschappelijk gesproken, zoekt men vruchteloos naar enige tastbare invloed die de veelbezongen ?CVP-vernieuwing? in de Wetstraat zou hebben gehad. Het federale regeringswerk onder de leiding van pemier Dehaene droeg er alvast geen enkel spoor van. Het door de CVP-voorzitter mee gemaakte en ondertekende regeerakkoord bevatte namelijk de bepaling dat zijn partij in het parlement geen punten mocht aanraken waarmee de socialisten het niet bij voorbaat eens zouden zijn, en andersom. Ook werd afgesproken dat geen moderne ethische vraagstukken zoals euthanasie en dergelijke zouden worden aangekaart. Die zijn immers te gevaarlijk voor ministers die zich ongestoord op het verdrag van Maastricht willen concentreren. Wanneer, door een ongelukje in de pers of zo, dan toch een ?verboden? thema aan de oppervlakte kwam drijven (zoals bijvoorbeeld het samenlevingscontract of het drukken van de loonlast in de Vlaamse ondernemingen), was ook Van Hecke niet te beroerd om de discussie meteen stil te leggen. Of dat te laten doen door de ietwat raadselachtige figuur Willy Buijs, zijn woordvoerder. Ondertussen diende Dehaene zijn mokerslagen toe aan het partijbureau, kreeg hij ruim volmachten waarvan geen enkele onderdaan weet wat hij er uiteindelijk mee zal aanvangen en mocht hij naar believen de volksvertegenwoordiging voor de aap houden. Waar zit de vernieuwing ? Johan Van Hecke onttrok zich aan ons aller gezichtsveld door, als in een thriller, via een brandladder aan de achtergevel van zijn partijgebouw het Belgische politieke theater te verlaten. Dat hij niet voor een elegante vluchtmethode kon kiezen, wijst niet alleen op de tragische toestand waarin hij gevangen zat. Die manier van weggaan verraadde ook de makkelijke omruilbaarheid van zijn positie in de christen-democratische gemeenschap, de leegheid van de affiche. Na amper twee weken was hij, geruisloos en tegelijk onder applaus, vervangen. Niemand achtte het nodig dieper te graven naar de echte betekenis van wat zijn openbaar optreden al dan niet was geweest. Want waar hij in werkelijkheid gestaan had, kon hij niet anders dan deel te hebben aan alles wat macht te verbergen heeft om macht te kunnen blijven. Op de wèrkelijke gemoedstoestanden in de samenleving mocht ook hij, mogelijk tot eigen spijt, geen waarachtig antwoord geven of proberen dat te doen. Ongetwijfeld leerde grootmeester Dehaene hem, naar het woord van Elias Canetti, dat zwijgen op een gestelde vraag hetzelfde effect heeft als het afketsen van een wapen op een schild of een harnas. Wie goed zijn mond kan houden, geeft zichzelf niet bloot en lijkt bovendien gevaarlijker dan hij is. Want men vermoedt meer in hem dan dat wat hij niet prijsgeeft. Het is de tactiek van de over zijn dorpsgenoten heersende tropische medicijnman die zich in raadsels uitdrukt. De machthebber doorziet, maar laat zich niet doorzien. Lapidair gezegd, bevinden België, Vlaanderen en ook elke CVP-volgeling zich tot over hun oren in die politieke stand van zaken. Het zou maar eens uit moeten zijn met het scheppen van de illusie dat opvallend jonge, goed van de tongriem gesneden partijrekruten de wereld als vanzelf vooruit kunnen helpen. Zij zijn goed voor de show en de mediatieke zelfverheerlijking waaraan het politieke bedrijf zich met toenemende graagte te buiten gaat, vanzelfsprekend op andermans kosten. Zij zijn echter ongeschikt voor doordacht, evenwichtig en op de lange termijn mikkend landsbestuur. De aanbidding van het jeugdige, of van de door Slangen & Partners bedachte videoclips, wordt langzamerhand beledigend voor wie zowel gedocumenteerd als goedhartig naar de noden van het volk kijkt. DAT VOLK VEROUDERT ONRUSTWEKKEND, terwijl het nu echt wel in de rats zit met zijn gebruik van de auto, van landschappelijke ruimte, beroeps- en vrije tijd, wetenschappelijke kennis, massamedia, bureaucratische systemen. Boven die problemen rond de praktische inrichting van leven en samen leven hangen dan nog eens onbestemde filosofische verlangens, culturele ambities en een behoefte aan correcte plaatsbepaling van de alomtegenwoordige overheidsmacht. Misschien wou Van Hecke een denkschool vormen om over dat alles iets zinnigs te komen vertellen. Dat is hem, zeer constateerbaar, niet gelukt. En nu Van Peel.