In tegenstelling tot wat uit de verkiezingsuitslag van 1995 zou blijken, tonen de Vlamingen zich wel erg streng voor politiek onfatsoenlijk gedrag.
...

In tegenstelling tot wat uit de verkiezingsuitslag van 1995 zou blijken, tonen de Vlamingen zich wel erg streng voor politiek onfatsoenlijk gedrag.Enkele maanden na de verkiezingen van 21 mei 1995 ondervroeg het Interuniversitair Steunpunt Politiek-Opinieonderzoek (Ispo) van de KU Leuven een representatief staal van 2.099 Vlaamse kiezers over hun houding ten aanzien van politiek fatsoen. Uit de resultaten van de exit poll die het Ispo samen met de BRTN op de verkiezingsdag hield, bleek namelijk dat de schandalen van begin 1995, waarbij vooral de SP betrokken was, weinig invloed hadden op het stemgedrag. Vonden de mensen dat dan niet belangrijk ? Eind 1995, begin 1996 legden de onderzoekers hun staal negen vragen voor, waarvan er drie te maken hadden met het accepteren of vragen van geld voor een overheidsopdracht, drie met liegen en drie met de weigering van ministers om af te treden naar aanleiding van bepaalde feiten. Zoals uit de infografiek hierbij blijkt, tonen de ondervraagden zich doorgaans bijzonder streng. Alleen een minister die niet aftreedt terwille van de fout van een ondergeschikte of een minister die (hypothetisch) op overspel wordt betrapt, kan nog min of meer op begrip rekenen. De verschillen tussen de electoraten van de verschillende partijen zijn daarbij gering. Alleen de blanco of ongeldige stemmers tonen zich duidelijk strenger dan gemiddeld. Opvallend is ook dat 66 procent van de ondervraagden van oordeel is dat politici niet corrupter zijn dan andere burgers. Vooral kiezers van het Vlaams Blok geloven dat corruptie onder politici meer verspreid is. De onderzoekers waarschuwen ervoor dat de verkiezingsuitslag van 1995 tot de verkeerde conclusie zou kunnen leiden dat de schandalen een kleine rol spelen bij het stemgedrag. Ze veronderstellen dat dit onder meer zo is omdat de kiezers ervan uitgaan dat de partijen op dit vlak weinig van elkaar verschillen. Het Ispo denkt dat er maatschappelijke gevolgen zijn van het voortdurend in het nieuws komen van politiek onfatsoenlijk gedrag die moeilijker vast te stellen zijn en die lange tijd onderhuids kunnen leven, tot ze plotseling in alle hevigheid aan de oppervlakte komen. De grootste dreiging voor het politieke systeem, stellen de onderzoekers, ligt in het gestadig toenemend veralgemeend wantrouwen tegenover de politici en de instellingen een wantrouwen dat al bij de verkiezingen van 1991 een hoog niveau had bereikt. HET SOCIAAL KAPITAALBij het verkiezingsonderzoek van 1995 werden ook vragen gesteld naar het vertrouwen van de burgers in een aantal instellingen. Daaruit bleek dat 57 procent geen of weinig vertrouwen heeft in de politieke partijen, 47 procent in de regering, 44 procent in het gerecht, 42 procent in het parlement en 42 procent in de kerk. Zeer veel of veel vertrouwen was er nog wel in het onderwijs (72 procent) en de koning (49 procent). Zo'n ontwikkeling is, volgens de onderzoekers van het Ispo, op termijn bijzonder nefast omdat ze er talentvolle en sociaal bewogen jongeren niet meer toe aanzet om een loopbaan in de politiek uit te bouwen. Een politiek systeem dat het vertrouwen van de bevolking mist, is niet meer in staat om het sociaal kapitaal te mobiliseren dat een samenleving nodig heeft. Het onderzoek stelt vast dat cynische vormen van utilitair individualisme bijvoorbeeld, de idee dat alles op geld berust nog niet zo ruim verspreid zijn. Toch gelooft 20 procent van de mensen tussen 18 en 75 jaar dat alleen geld en macht van tel zijn. Iets meer dan 25 procent denkt dat iedereen altijd zijn eigen belangen eerst moet verdedigen. De conclusie moet, volgens het Ispo, zijn dat het effect van politiek onfatsoen op het stemgedrag minder belangrijk is dan de brede maatschappelijke gevolgen van het fenomeen. Ten bewijze, misschien : in 1989 was 42 procent van de Vlamingen het eens met de uitspraak dat je ?tegenwoordig niet meer weet wie je nog kan vertrouwen?. In 1995 was dat al 59 procent. H.V.H. ?De houding van de kiezer tegenover politiek fatsoen? is een studie van Jaak Billiet, Roeland Beerten en Marc Swyngedouw, Ispo, KU Leuven, departement sociologie, Van Evenstraat 2c, 3.000 Leuven, tel. 016/32.31.55.