In het essay Een steen met een gat erin maakt historicus en psycholoog Eelco Runia het onderscheid tussen objectgerichte en niet-objectgerichte wetenschap. Objectgericht is de onderzoeker die zodanig gericht is op zijn object dat hij al het andere en dus ook zichzelf uit het oog verliest. Dat leidt niet altijd tot resultaat. Zo kan een dokter soms niet tot een onbetwistbare diagnose komen. Hij kan de ziekte niet duiden, er geen betekenis aan verlenen. Net zo kunnen er in het "kabinet" van de historicus "zieken" binnentreden met klachten waarop de dokter/historicus geen antwoord weet te verzinnen. De holocaust is zo'n zieke. Meer dan vijftig jaar al slagen historici er niet in de catastrofe te "duiden", in hun raamwerk te "plaatsen". Deze klus werd tot nu toe vooral door kunstenaars en overlevers geklaard.
...

In het essay Een steen met een gat erin maakt historicus en psycholoog Eelco Runia het onderscheid tussen objectgerichte en niet-objectgerichte wetenschap. Objectgericht is de onderzoeker die zodanig gericht is op zijn object dat hij al het andere en dus ook zichzelf uit het oog verliest. Dat leidt niet altijd tot resultaat. Zo kan een dokter soms niet tot een onbetwistbare diagnose komen. Hij kan de ziekte niet duiden, er geen betekenis aan verlenen. Net zo kunnen er in het "kabinet" van de historicus "zieken" binnentreden met klachten waarop de dokter/historicus geen antwoord weet te verzinnen. De holocaust is zo'n zieke. Meer dan vijftig jaar al slagen historici er niet in de catastrofe te "duiden", in hun raamwerk te "plaatsen". Deze klus werd tot nu toe vooral door kunstenaars en overlevers geklaard. Runia stelt de vraag: "Is het niet juist de objectgerichtheid van historici die het zoeken naar betekenis in de weg staat?" En zou dit dan te maken kunnen hebben "met hun subtiele maar vastberaden weigering zich via hun onderwerp met zichzelf te laten confronteren"? Het antwoord vormt een van de rode draden van de essaybundel Waterloo Auschwitz Verdun, die - zoals de titel impliceert - niet alleen de holocaust als voorbeeld van niet in te passen historische anomalie als onderwerp heeft, maar ook de slachtpartijen van 1815 en 1914-1918. Een diagnose is onmogelijk wanneer de arts/historicus wordt geconfronteerd met iets wat totaal afwijkt van de verhalen waarmee hij tot dan toe de wereld (ziekte/geschiedenis) heeft benaderd. Er zijn contingenties (Runia noemt ze "zomaarheden") die niet in te passen zijn. "Zodra een contingente catastrofe, een plotselinge uitbarsting van zomaarheid, het verhalende weefsel aan stukken scheurt, realiseren we ons dat in staat zijn te geloven dat het leven een verhalende vorm heeft een tamelijk goede definitie van geluk is." Problematisch voor de historicus, die toch altijd wetenschappelijkheid nastreeft, is nu dat er geen noodzakelijke band bestaat tussen inpasbaarheid in de verhalende structuur die we aan het leven opleggen (om te kúnnen leven) en waarheid. Inpassen in verhalen met een begin, midden, duidelijke verhaallijn en slot ("narrativisme") heeft als belangrijk nadeel dat we weleens geneigd kunnen zijn de waarheid geweld aan te doen. Maar met het alternatief, een loutere aaneenrijging van contingenties zonder er betekenis of zin aan te verlenen, schieten we ook niet veel op. Er is daarenboven geen enkel logisch dwingend argument om voor de ene dan wel de andere optie te kiezen. Er blijft een kloof gapen - onvermijdelijk - tussen de ervaring en de manier waarop we haar verwerken. Daarenboven klinkt na Auschwitz om het even welke goede afloop van om het even welk historisch verhaal hol: "De holocaust heeft van het geloof in ontknopingen weinig overgelaten." Het in een verhaalstructuur persen van dit trauma, het ideologiseren, trivialiseren of doodleuk ontkennen ervan, komt niet tegemoet aan onze behoefte aan een diagnose. Het duidelijkste voorbeeld levert wellicht Spielbergs Schindler's list, een film die het onvatbare en onaanvaardbare van de holocaust herleidt tot een verhaaltje van "redden en gered worden". De historische, zich aan elke duiding onttrekkende waarheid wordt hier niet ontkend - dat gelukkig niet - maar wel in die mate verminkt dat ze van haar vermogen wordt ontdaan "onrust te baren, en de gemoedsrust te verstoren". FOTOGENIEK PRIKKELDRAADVolwaardige geschiedschrijving moet volgens Runia ten overstaan van manifeste oninpasbaarheden twee polen in acht nemen: feitelijkheid én emotie. Dat betekent dat ook de waarnemer zelf in beeld komt. En dus wisselt Runia zijn theoretische essays af met veldwerk: hij bezoekt met groot respect zijn drie slagvelden en zet zijn stelling (feit plús emotie) in de praktijk om. Uit zijn verslag over Verdun: "Wat modder was en wat vlees, was niet altijd uit te maken." Hij stelt er vast hoezeer de officiële geschiedschrijving afwijkt van wat de realiteit écht moet geweest zijn: "De woorden waarmee beschreven wordt wat de soldaten hier doormaakten, zijn al net zo onnauwkeurig als de inhoud van de graven." Runia's bezoek aan het schouwtoneel van "geritualiseerde looduitwisseling", Waterloo, is al even aangrijpend: "Toen de duisternis viel lagen op drie vierkante kilometer meer dan veertigduizend mensen en tienduizend paarden dood of dood te gaan - aantallen die een eeuw later zelfs aan de Somme en bij Verdun niet zouden worden overtroffen." Het gaat hier om "de voor latere generaties nooit meer compleet te bevatten wonderen van destructiviteit waarin culturen hun bloeddorst vormgeven". Met Auschwitz komt het onvatbare zo mogelijk nog duidelijker in beeld. "Ik wil kennis omsmeden tot besef," verantwoordt Runia zijn schoorvoetende bezoek aan wat er van het kamp overblijft: een intellectueel stapt daar inderdaad niet graag binnen, tussen de worstenbroodjes vretende toeristen door, en mét het doorbakken cliché in z'n hoofd dat elke benadering van het totaal afgrondelijke in feite usurpatie is. Een van de eerste zaken die Runia zich realiseert is dat de representatie zich als een scherm tussen hemzelf, de onderzoeker, en het object heeft geplaatst. "Misschien ben ik wel helemaal niet bij machte de werkelijkheid te ontrukken aan de clichés waarin ik er kennis van heb genomen." De confrontatie met de door woordelijke en visuele relazen platgewalste realiteit van het kamp is inderdaad nogal ontnuchterend: "Wat word ik geacht hier te doen? Mijn naam in een gastenboek schrijven? Mijn jas ophangen? Wachten tot er een rondleiding begint? Of iets tot mij door laten dringen?" De ervaring kan daarenboven niet worden afgedwongen: "ik kan mijn voornemen scherp te registreren geen ogenblik waarmaken". Toch zijn de objecten onbetwistbaar echt: "de dubbele rij naar binnen buigende, aan weerszijden van wit porseleinen isolatoren voorziene betonnen palen, het fotogenieke prikkeldraad, de bordjes VORSICHT HOCHSPANNUNG LEBENSGEFAHR". Maar tegelijk ook vervreemdend, "kleiner, compacter, petieteriger" dan de bezoeker zich op basis van alle relazen die de ronde doen had voorgesteld. De kloof met de onvoorstelbare historische realiteit blijkt onoverbrugbaar. Zeker in het museale gedeelte met de vitrines met stoffelijke resten - schoenen, haar - en de uitvergrote zwartwitfoto's van de hologige slachtoffers aan de wand. "Ingelijste sporen. Presentabele sporen."SCHEUTJE SENTIMENTMet feiten alleen lukt het dus niet. Wat ontbreekt is geloofwaardigheid. Maar om geloofwaardigheid te bekomen, moet de historiograaf in het vertellen van zijn verhaal de lezer als het ware doen vergeten dat zijn verhaal een verhaal is. De paradox waar de historiograaf - die altijd, of hij dat nu leuk vindt of niet, ook de kwaliteiten van een literator moet hebben - mee te kampen heeft, is dat hij om de waarheid te vertellen de waarheid geweld moet aandoen."It wasn't sufficiently real." Dat antwoordde een Amerikaanse inlichtingenfunctionaris toen men hem vroeg waarom de gaskamers niet werden gebombardeerd. Een ontredderde Runia herinnert het zich de avond na zijn bezoek aan de anus van de wereld. En dan, onverwacht, onvoorzien, onbewust, plaatst hij zijn indrukken van die dag in een perspectief van realiteit en onoverkomelijke gruwel: "Vanaf de kerktoren begint een trompettist traag meanderende melodielijnen de nacht in te blazen." Door dit feit te vermelden, en de emotie die erdoor wordt losgeweekt, maakt Runia de historische werkelijkheid waar hij de hele dag naar op zoek is geweest in ieder geval more real. Door de blik even op iets anders te richten en de feitelijkheid op te sausen met een scheutje sentiment, maakt hij het zich aan elke blik onttrekkende toch, minstens even, bekijkbaar. Waterloo Verdun Auschwitz overtuigt mede dankzij een literair talent, dat Runia veronderstelt aanwezig te zijn bij de goede historiograaf. Met de essays plaatst hij zijn persoonlijke ervaringen in een ruimer theoretisch kader en onderbouwt hij zijn moedige, want kwetsbare, stellingname. Het is alleen jammer dat het hoge specialistische gehalte van sommige essays de toegang bemoeilijkt tot een boek, waar ook een breed, niet academisch geschoold publiek zeker iets aan kan hebben. Eelco Runia, "Waterloo Verdun Auschwitz. De liquidatie van het verleden", Meulenhoff/Kritak, Amsterdam/Leuven, 239 blz., 738 fr.Pascal Cornet