In 1990 waren er twee bedrijven in Vlaanderen die biotechnologie ontwikkelden, vandaag zijn het er meer dan vijftig. Liefst 92 bedrijven maken al gebruik van biotechnologische methodes. Vlaanderen heeft hoog ingezet op biotechnologie, en met succes. Als we ergens in innoveren, is het in genetische technieken in de geneeskunde en de landbouw.
...

In 1990 waren er twee bedrijven in Vlaanderen die biotechnologie ontwikkelden, vandaag zijn het er meer dan vijftig. Liefst 92 bedrijven maken al gebruik van biotechnologische methodes. Vlaanderen heeft hoog ingezet op biotechnologie, en met succes. Als we ergens in innoveren, is het in genetische technieken in de geneeskunde en de landbouw. Maar de sector kan niet op algemeen applaus rekenen. Ondanks de verwezenlijkingen en de grote toekomstplannen blijft genetische manipulatie in de landbouw- en voedingssector op weerstand stuiten. Onterecht, zegt Johan Cardoen, topman van CropDesign, een spin-off van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie. Cardoen heeft een lang parcours in de biotechsector achter de rug. Hij is voorzitter van de koepel FlandersBio die de belangen van de sector verdedigt, en die mee zijn schouders zet onder de Dag van de Biotechnologie op 21 juni, wanneer bedrijven de deuren openen om de mensen te laten zien waar ze mee bezig zijn. Cardoen begon zijn carrière in de biotechnologiesector bij het wereldvermaarde Plant Genetic Systems (PGS), dat in 1983 opgericht werd en een hobbelig parcours achter de rug heeft: als gevolg van overnames veranderde het diverse keren van naam. Nu heet het Bayer Bioscience. JOHAN CARDOEN: Het is typisch voor een start-upbedrijf in onze sector. Er is meestal een lange aanlooptijd voor er break-even wordt gedraaid. Het kan acht tot tien jaar duren voor een product commercialiseerbaar is, terwijl aandeelhouders meestal na vijf of zes jaar rendement willen. Starters als PGS hadden het niet gemakkelijk met de hooggespannen verwachtingen. De sector is ook gevoelig voor opportuniteiten. Eind jaren 1990 was er een grote boom met veel investeringen door de ontwikkeling van genomics, het op grote schaal in kaart brengen van genetische informatie, maar een paar jaar later werd er vooral op korte termijn gedacht en geïnvesteerd, dus toen was het even moeilijk. CARDOEN: Wij bestaan sinds 1998. Als je met zo'n bedrijf begint, heb je durfkapitaal nodig, investeerders die risico's nemen, maar die na verloop van tijd hun investeringen te gelde willen maken. Een beursgang is een goede manier voor de aandeelhouders om een exitstrategie voor te bereiden. Maar ongevraagd zijn andere partners naar onze aandeelhouders gestapt met een overnamebod. Het heeft ons in ieder geval geen windeieren gelegd. CropDesign blijft groeien, in activiteiten en in investeringen. We hebben ons businessplan volledig kunnen realiseren. CARDOEN: Het bedrijf is héél breed gestart, maar is na verloop van tijd gaan focussen op enkele eigenschappen in de context van de gewasbescherming. Het houdt zich bijvoorbeeld bezig met het inbouwen van weerstand tegen insecten, wat vooral voor katoen nuttig is, want dat moet tot tien keer per seizoen met insecticiden besproeid worden. De producten van PGS hebben dus tot een sterke reductie van de ecologische voetafdruk geleid. Verder werkt men aan het inbouwen van tolerantie voor een herbicide dat het moederbedrijf Bayer maakt, zodat het alleen onkruid treft. CARDOEN: Devgen is een onafhankelijk beursgenoteerd bedrijf. Het stamt net als CropDesign uit het Vlaams Instituut voor Biotechnologie, dat héél belangrijk is geweest voor de ontwikkeling van onze sector in Vlaanderen. Het focust op het verhogen van de weerstand van rijst en maïs tegen insecten en schimmels. CARDOEN: PGS is verkocht in 1996 en Devgen is opgericht in 1997. CARDOEN: Het succes van PGS heeft mensen gestimuleerd om ook te gaan ondernemen en een bedrijf op te starten. Devgen is heel succesvol. CARDOEN: Het is als bedrijf belangrijk dat je differentieert, dat je een unique selling proposition creëert, je eigen niche. Onze basis ligt bij de ontdekking van genen die de opbrengst in gewassen als rijst en maïs sturen. We proberen planten beter te laten groeien onder stresscondities, zoals droogte en lage stikstofconcentraties, wat dus minder bemesting impliceert. CARDOEN: Zoiets, ja. Elke dag staan er berichten in de krant over stijgende voedselprijzen. Daar zijn verschillende oorzaken voor, maar de belangrijkste is het mislukken van oogsten door grote droogte, zoals met de tarwe in Australië het geval is. Als je planten minder afhankelijk kunt maken van destabiliserende omgevingsfactoren met een negatieve invloed op de opbrengst, kun je de markt stabieler houden. CARDOEN: We identificeren genen, we bouwen ze in rijst in en we testen ze op grote schaal in serres waarin elke plant individueel gelabeld is, en waarin we met digitale camerasystemen automatisch de componenten meten die bijdragen tot de opbrengst. CARDOEN: We werken alleen met plantengenen, die we identificeren in samenwerking met partners uit de hele wereld, bijvoorbeeld uit China, waar veel nieuwe ontwikkelingen gebeuren, want de druk om de voedselvoorziening te verhogen is er groot. We hebben nu een paar duizenden genen getest en we kennen de goede genfamilies. CARDOEN: De bronnen van onze genen zijn divers, maar het zijn geen exotische planten, geen planten uit de woestijn, bijvoorbeeld. We halen genen uit rijst die we op een andere - efficiëntere - manier laten werken. We werken ook met genen uit maïs, de populier, tabak en de zandraket, zowat de laboratoriumrat van het plantenonderzoek. CARDOEN: Inderdaad, we werken vooral op het niveau van stukjes genetisch materiaal die bepalen waar en wanneer een gen actief wordt. We halen er mooie resultaten mee. We hebben een portefeuille van meer dan tweehonderd genen die kandidaat zijn om in serres een beduidend hogere opbrengst te geven. Sommige verhogen de opbrengst van een rijstplant met meer dan 20 procent, wat spectaculair is. Vervolgens testen we onze planten in het veld. CARDOEN: Omdat we vooral met rijst werken, doen we onze veldproeven in de Verenigde Staten of Zuid-Amerika. We zien dat de helft van onze genen in het veld met zijn variabele omstandigheden de resultaten uit de serres bevestigen. Rijst is zeer verwant met maïs, wat naar waardecreatie toe in onze sector de commercieel interessantste markt is. We voorspellen dat wat we voor rijst vinden ook voor maïs belangrijk zal zijn. BASF en Monsanto, de grote zaadproducent, hebben in 2007 het grootste commerciële partnerschap in onze sector opgezet, goed voor 1,2 miljard euro. Onze genen gaan voor commercialisatie in die gezamenlijke pijplijn. CARDOEN: Absoluut. Biotechnologie is een van de oplossingen om de productiviteit van gewassen te verhogen. Ik durf te voorspellen dat biotechnologie, hand in hand met klassieke veredeling, over twintig jaar de opbrengst van maïs verdubbeld zal hebben. Wij zullen zelf onze eerste producten over vijf jaar op de markt hebben. CARDOEN: Ik wist niet van mezelf dat ik manager kon worden. Ik had aanvankelijk moeite met de overstap van het academisch onderzoek naar PGS, waar ik in het octrooidepartement terechtkwam. De dossiers leerden me onder meer hoe de competitieve situatie in onze sector was, wie de belangrijkste spelers waren en waarom. Bijna als vanzelf kreeg ik de kans me daarin te bekwamen. Vervolgens ben ik businessontwikkeling gaan doen, waardoor ik een breed netwerk in de sector kon uitbouwen en me kon inwerken in de commerciële kant van het verhaal. CARDOEN: Wat me vooral interesseerde, was hoe je onderzoek kunt valoriseren. Als verantwoordelijke voor CropDesign is dat mijn belangrijkste drijfveer: hoe kan ik de waarde van het bedrijf maximaliseren? We moeten in onze sector de beste blijven, want als dat niet meer het geval is, verliezen we ons concurrentiële voordeel. Ik hamer ononderbroken op het belang van innovatie als bedrijfscultuur. CARDOEN: Daar ben ik van overtuigd. De context waarin wij CropDesign ter voorbereiding van de beursgang in 2005 positioneerden, was exact die waar we nu mee geconfronteerd worden: stijgende voedselprijzen door een verhoogde vraag in Azië, door concurrentie met biobrandstoffen en door oogsten die mislukken als gevolg van droogte door de klimaatopwarming. We hopen vanaf 2012 per hectare meer opbrengst te gaan realiseren, wat tot een verlaging van de prijzen zou moeten leiden. We zullen de oogsten minder afhankelijk maken van hun omgeving, en we zullen een bijdrage leveren aan de tweede generatie biobrandstoffen die minder druk op het milieu en op concurrentie met de voedselmarkt zet. CARDOEN: Ik betreur dat. Op wereldschaal groeien er al 110.000 miljoen hectaren biotechnologische landbouwgewassen - dat is evenveel als het landbouwareaal van West-Europa. We zijn nu meer dan tien jaar na het op de markt komen van de eerste producten, die rigoureus getest waren en waarmee geen problemen zijn opgedoken. Toch blijft vooral Europa huiverig om de techniek op grote schaal te implementeren, om redenen die niet altijd wetenschappelijk onderbouwd zijn. De besluitvorming inzake biotechnologie is sterk politiek beïnvloed. De cluster van Vlaamse biotechbedrijven rond Gent is de grootste inzake groene biotechnologie in Europa, maar toch kunnen we de vruchten van ons werk in Europa niet commercialiseren. Dat is jammer. CARDOEN: Dat is het, een zeer ambigue houding. Het is alsof je investeert in de ontwikkeling van auto's zonder dat je ze toelaat op de wegen. Men draagt de kenniseconomie hoog in het vaandel, maar men creëert een onvoorspelbare en politiek afhankelijke situatie voor het commercialiseren van producten die uit onderzoek komen. Dat is niet comfortabel voor bedrijven of investeerders. Daarom trekken ze soms weg. Wij hebben geen grote fabrieken die moeilijk verplaatst kunnen worden, wij werken vooral met menselijk kapitaal, en het transfereren van kennis is gemakkelijk. Een bedrijf als Syngenta heeft twee jaar geleden beslist al zijn activiteiten in Europa stop te zetten en naar de VS te verplaatsen. CARDOEN: De stijging is macro-economisch en heeft niets met de prijszetting of de positionering van bedrijven te maken. De agro-industrie wordt nogal gemakkelijk voor allerhande problemen verantwoordelijk gesteld, van het monopoliseren van de landbouw tot het afhankelijk maken van kleine boeren. Dat zijn foute clichés. CARDOEN: Onze sector moet niet proberen zich te verkopen, hij moet proberen op een objectieve manier uit te leggen wat de voordelen zijn van wat we doen. Ik zou niet kunnen werken in een context waarin we mensen met risico's zouden confronteren. Dat zou ethisch onverantwoord zijn. De Dag van de Biotechnologie is een uitstekende gelegenheid om mensen te laten kennismaken met CropDesign en andere bedrijven. We hebben niets te verbergen, dus gaan onze deuren open. CARDOEN: Ik vind het vreemd dat sommige mensen die zich uitspreken tegen genetisch gewijzigde gewassen, zelfs niet beseffen dat alles wat ze eten als ze naar de VS reizen genetisch gewijzigde ingrediënten heeft, zonder dat ze daar nadelen van ondervinden. Maar ik wil de beschuldigende vinger niet naar de consument wijzen. De politieke besluitvorming kan wel een stuk beter. CARDOEN: Natuurlijk. Ik stel hier vast dat politici het advies van de competente autoriteit, het comité voor de bioveiligheid, gewoon naast zich neer leggen, hoewel het op objectieve criteria gebaseerd was. Dat kan niet, vind ik. Die veldproeven zijn net gemaakt om te testen of iets al dan niet risico's inhoudt. CARDOEN: Als dat het geval is, zal dat zeer negatief zijn voor onze sector. Dan zie ik het echt niet hoopvol in. Hoe gaan we de mensen kunnen overtuigen van het nut van wat we doen als de politiek signalen blijft sturen die suggereren dat er wel iets mis zal zijn? Hoe kunnen we vermijden dat politici blijvend beïnvloed worden door belangengroepen? CARDOEN: Wij werken vooral met rijst, dat we hier niet kunnen telen. Maar mochten we toch met gewassen van hier werken, zou ik zeker overwegen om elders te gaan testen. We kunnen niet werken in situaties die onzekerheid creëren. In de VS is er een duidelijk regelgevend kader en een open relatie met de relevante overheden. CARDOEN: Dat is een foute perceptie. Er zijn aardappelen voor consumptie én voor industriële toepassingen, zoals zetmeelproductie. Die concurreren niet met elkaar. De industriële aardappel is niet geschikt als gewasaardappel voor de voedselmarkt. Maar ik ben het ermee eens dat er nog veel gewerkt kan worden aan betere informatie voor de consument. Landbouw is een actief en dynamisch onderwerp, met een directe invloed op de consument, zowel inzake wat hij op zijn bord krijgt als wat hij aan de kassa betaalt. De mensen staan ook veel verder van de voedselproductie dan vroeger, toen iedereen nog vlakbij een veld woonde. CARDOEN: Inderdaad. Vlaamse bedrijven als Thrombogenics en Ablynx hebben belangrijke therapeutische doorbraken gerealiseerd. Mensen stellen zich daar minder vragen bij, omdat de middelen als levensreddend kunnen worden gepresenteerd, wat wij in de landbouwsector niet kunnen. CARDOEN: Misschien. Maar de twee sectoren zullen elkaar raken. Er zullen geneesmiddelen in gewassen worden ingebouwd, zodat je door, bijvoorbeeld, het eten van een banaan automatisch gevaccineerd zou worden tegen - ik zeg maar wat - griep. Er valt ongetwijfeld ook te werken rond gezond eten. We zouden gewassen zo kunnen wijzigen dat er minder verzadigde vetzuren in zitten. We mogen overigens niet vergeten dat een groot aantal geneesmiddelen van vandaag uit planten komt. CARDOEN: Uiteraard. Maar ik denk niet dat wij met onze ingrepen grote risico's introduceren. Wij zijn voorzichtiger dan de natuur. DOOR DIRK DRAULANS