Op enthousiasme over de EMU kan Europa niet betrapt worden; behalve dan in politieke kringen. Maar de bevolking staat totaal apatisch tegenover de eenmaking. En ook het bedrijfsleven aarzelt en voelt zich onzeker. Dat is raar: de vorming van de EMU dient immers in de eerste plaats als het fundament voor een betere economie. En zo heeft ook Tony Vandeputte, gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) het begrepen.
...

Op enthousiasme over de EMU kan Europa niet betrapt worden; behalve dan in politieke kringen. Maar de bevolking staat totaal apatisch tegenover de eenmaking. En ook het bedrijfsleven aarzelt en voelt zich onzeker. Dat is raar: de vorming van de EMU dient immers in de eerste plaats als het fundament voor een betere economie. En zo heeft ook Tony Vandeputte, gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) het begrepen. Elf landen die winnen: kan dat wel in de economie, die per definitie winnende en verliezende concurrenten kent?TONY VANDEPUTTE: Het kan. De koek wordt groter, dankzij de muntunie komt er meer economische groei en wint iedereen. De vraag is dan: wie wint meer en wie minder? Ik denk dat België bij de grote winnaars zit. Kleine landen halen meer voordelen uit de EMU dan grote. De Belgische economie is zeer open. Meer dan de grote landen werken wij voor de export. Wij hebben zeer veel dynamische middelgrote en zelfs kleine ondernemingen die gemakkelijker op de buitenlandse markten zullen geraken. Verandert het bedrijfsleven nu fundamenteel?VANDEPUTTE: De muntunie is een omwenteling voor het bedrijfsleven, met gevolgen voor de kernactiviteiten van elke onderneming. De eenheidsmunt legt de prijzen in alle lidstaten bloot. De schommelingen in de wisselkoersen verdwijnen. Buitenlandse handel is eenvoudig. Dat biedt de ondernemingen nieuwe afzetmogelijkheden in het buitenland, maar er komen ook concurrenten uit het buitenland naar het binnenland. Voor elke onderneming is dat een strategische ommekeer. Zijn de Belgische ondernemingen er klaar voor?VANDEPUTTE: Dit jaar verandert er nog weinig, het is een pedagogisch jaar. Vanaf 1 januari 1999 wordt het serieus. De ondernemingen die zich strategisch het best voorbereidden en klaar staan om snel naar de euro over te schakelen, zullen de winnaars zijn. De anderen, die er zich nog niet op voorbereidden, moeten zich reppen om de schade te beperken. Er zijn nog heel wat kleine en middelgrote ondernemingen die onvoldoende over het eurotijdperk hebben nagedacht. Ondernemingen die zich niet waagden op de Nederlandse of de Italiaanse markt omdat zij exporteren te ingewikkeld vinden of opkijken tegen de kosten om zich in te dekken tegen wisselkoersschommelingen. Maar dat valt nu allemaal weg; werken op buitenlandse markten is voor iedereen mogelijk. Ik ben er niet van overtuigd dat alle ondernemingen - en zeker de kleinere - beseffen wat er op het spel staat. Zij wachten passief af, tot zij technisch van de frank naar de euro moeten overstappen.Voor KMO's op de binnenlandse markt lijkt het allemaal niet zo hoogdringend.VANDEPUTTE: Er zijn natuurlijk ondernemingen die niet exporteren. Toeleveranciers in België, bijvoorbeeld. Maar ze werken voor ondernemingen die wél met de euro geconfronteerd zijn. Die grote klanten zullen van hen eisen dat zij zich snel aanpassen. In de eurozone verdwijnt de buitenlandse handel. Exportmarkten zijn straks bijna thuismarkten.VANDEPUTTE: Export wordt duidelijk minder moeilijk dan vóór de eenheidsmarkt van 1992. Macro-economisch is er inderdaad geen uitvoer meer. België zal geen rekeningen meer hebben met zijn EMU-partners. Maar het is evident dat de klanten in de verschillende landen toch nog verschillend blijven. Italië of Duitsland zijn België niet, die moeilijkheid valt niet te onderschatten. De strategie van een onderneming in de eurozone is één zaak, de organisatie van het bedrijf op de euro een andere. Is dat even dringend?VANDEPUTTE: Tussen 1 januari 1999 en 2002 kunnen de ondernemingen vrij kiezen om van de frank naar de euro over te stappen, maar de overstap is definitief, er is geen terugkeer mogelijk. Een onderneming moet op zijn minst weten of zij snel dan wel geleidelijk naar de euro gaat. Zij moet de informatica omschakelen, de boekhouding herschikken, de relaties met de banken, met de belastingen en met de administratie bekijken. Gaat zij haar personeel in euro uitbetalen? Zij kan dat meteen doen, maar de eerste jaren ook frank blijven gebruiken en bijvoorbeeld op de loonfiche ook het bedrag in euro vermelden, om haar medewerkers aan het gebruik ervan te wennen. Is het huiswerk van de overheid af?VANDEPUTTE: Voor het financiële luik, met onder meer de richtlijnen voor de banken, heeft de overheid merkwaardig snel gewerkt. Op het economische gebied, voor bijvoorbeeld de consumentenbelangen en de economische controle, dreigde ze het verschrikkelijk ingewikkeld te maken. Wij hielpen dat voorkomen, en dat is nu sedert een paar maanden klaar. Op het sociaal vlak is er nog enige achterstand, namelijk op het vlak van de uitbetaling van het loon en de communicatie en de informatie van de werknemers. De Nationale Arbeidsraad en Tewerkstelling en Arbeid hebben daar nog heel wat werk. Dat is inderdaad niet zo dringend, maar het zou beter zijn geweest mochten we op dit vlak al verder staan. De intrede in de euro blijkt de ondernemingen nog een flinke duit te kosten.VANDEPUTTE: Vooral voor de banken is de invoering van de euro een kost. Zij hebben geweldige omschakelingskosten en verliezen hun inkomen uit de wisseltransacties. De ondernemingen dragen ook omschakelingskosten, maar zij genieten ook van de voordelen van de euro. Dat zij zich niet langer moeten indekken tegen wisselkoersrisico's is op zichzelf al een grote besparing. Uiteindelijk gaat de EMU met elf landen van start. Zo'n grote unie is ongetwijfeld een troef?VANDEPUTTE: Het hefboomeffect van de muntunie wordt er groter door. Een grote unie biedt de ondernemers een grotere zekerheid. Er blijven weinig EU-lidstaten over die nog een eigen monetair beleid voeren en met een devaluatie de concurrentie tot eigen voordeel kunnen vervalsen. Driekwart van de Belgische uitvoer gaat naar de Europese landen, blijft dus straks binnen de muntunie, want behalve Groot-Brittannië, zitten al onze belangrijkste markten erbij. Voorts wordt de Europese economie onafhankelijker tegenover de andere muntblokken en minder kwetsbaar voor de internationale financiële markten. De voorbereiding op de vorming van de EMU is economisch een heel belangrijk gegeven: de overheidsfinanciën van de deelnemende landen zijn opnieuw gezond en zij voeren een orthodox begrotingsbeleid. Toch bestempelt de werkgeversvereniging de muntunie niet als alleenzaligmakend.VANDEPUTTE: Het is natuurlijk belangrijk met eenzelfde munt te kunnen betalen in België en Italië en in negen andere landen. Maar zonder omkaderingsbeleid en een verdere vrijmaking van de Europese markt blijft de euro een deeloperatie die wel eens zou kunnen teleurstellen. Het is een probleem dat sommige landen hun openbare aanbestedingen voorbehouden aan hun eigen ondernemingen of het, zoals Duitsland, buitenlandse concurrenten moeilijk maken met productienormen. Een definitief stelsel voor de inning van de BTW is dringend, en een meer gemeenschappelijke Europese fiscale aanpak onafwendbaar. De apathie van de Europese bevolking zou wel eens de achillespees van de omwenteling kunnen zijn. Heeft de voorbereiding tot de EMU de mensen niet te veel gekost, onder meer aan werkgelegenheid?VANDEPUTTE: Het heeft ons gelouterd en gesterkt, hoop ik. Wij zijn ons niet bewust van het grote belang van de euro, maar buiten Europa ziet men dat wel. De nieuwe ambassadeur van Japan in België vergeleek onlangs zijn land met België en Europa. "Wij kennen een maatschappelijke crisis, een economische crisis en een vertrouwenscrisis, terwijl de Europeanen de euro hebben en Agenda 2000 voor de uitbreiding van de unie. Jullie hebben een project, wij niet", zei de man. Dat is nogal een verschil met tien jaar geleden, toen de Japanners Europa alleen goed genoeg vonden voor een museumbezoek. Als de economische groei die wij nu kennen, enkele jaren aanhoudt, mede als gevolg van de muntunie. Als de bevolking vaststelt dat de werkgelegenheid verbetert - wat het geval is, er groeit zelfs een tekort aan gekwalificeerd personeel. En als er geen grote belastingverhogingen of andere inspanningen volgen, dan keert dat euroscepticisme bij de bevolking snel, denk ik. Nog even geduld dus?VANDEPUTTE: Er zijn landen die de positieve gevolgen van de monetaire unie sneller zien dan andere. Nederland, bijvoorbeeld, een land dat sneller orde op zaken stelde. Want de EMU zal het werk niet alleen doen. Het monetair beleid van de lidstaten verschuift naar de muntunie; het begrotingsbeleid moet aan voorgeschreven normen beantwoorden. Maar er blijven terreinen waar de landen zelf de concurrentiekracht van de ondernemingen kunnen verbeteren. Daarom onderstrepen wij zo sterk het belang van goed werkende overheden, de federale en de regionale. De detailhandel is bang voor de chaos die de nieuwe eenheidsmunt zal veroorzaken. Verdienen die frontstrijders voor de euro geen speciale steun?VANDEPUTTE: Dat probleem stelt zich niet onmiddellijk, pas in 2002. Men moet de klanten rekenmachientjes geven om de prijzen in de winkels om te rekenen en programma's opzetten om mentaal in euro te denken. De consumenten van hun kant vrezen dat de handel misbruik maakt van de omschakeling van de frank naar de euro om de prijzen te verhogen. De overheid zal daar zeker op letten, maar de grote doorzichtigheid van de prijzen zal warenhuizen en winkels weinig ruimte voor fantasietjes laten. Het blijkt erg moeilijk om de banken ervan te overtuigen om de verdwijnende franken gratis in euro om te wisselen.VANDEPUTTE: Om van de euro een succes te maken, moet men vermijden dat de consument de indruk krijgt dat hij opdraait voor de kosten ervan. Hij mag zich geen slachtoffer voelen van de invoering van de euro. Dat zou zeer negatief zijn, een verkeerde vertrekbasis. Daarmee is niet gezegd dat de ondernemingen de kosten die ze maken, zelf moeten dragen. Er kan gedacht worden aan systemen van versnelde fiscale afschrijvingen of andere. Begin mei legt de Europese raad de onderlinge koersen van de munten uit de eurozone definitief vast. Is dat een moeilijke discussie ?VANDEPUTTE: Ik geloof het niet. De koersen van de munten op vrijdag in het Europees Muntstelsel (EMS), kunnen op maandag bevestigd worden voor de Europese muntunie. Afgezien van het Ierse pond werden de wisselkoersmarges tussen de Europese munten de jongste maanden enger en enger. Het is bijna een vaste verhouding geworden. Tot zes maanden geleden dacht ik nog dat de internationale financiële markten een laatste speculatiepoging zouden wagen, in de periode tussen de vaststelling van de koersen en de vaststelling van de waarde van de euro op 1 januari 1999. Nu kunnen zij dat niet meer. Zij hebben de euro aanvaard en zien ook dat de schommelingsmarges tussen de munten afnemen. Guido Despiegelaere