In september 1997 bracht het kleine, maar dappere Vlaamse tijdschrift voor literatuur en kunst Deus ex Machina een nummer uit dat vrijwel in zijn geheel gewijd was aan de nieuwe literatuur uit Franstalig België. Er stonden slechts een paar fragmenten in van auteurs die zich ook in het noorden des lands kunnen verheugen op enige bekendheid. Alleen voor poëzie kan ik dat begrijpen, zelfs binnen het eigen taalgebied gaan dichters vaak schuil achter hoge wallen. Maar toch, hoeveel Vlaamse dichters weten wat bijvoorbeeld Carl Norac doet, of Karel Logist, de vaak gelauwerde? Verkenning van een onbekend gebied, dat stond te lezen op de kaft. Trefzekerder kun je het moeilijk uitdrukken.
...

In september 1997 bracht het kleine, maar dappere Vlaamse tijdschrift voor literatuur en kunst Deus ex Machina een nummer uit dat vrijwel in zijn geheel gewijd was aan de nieuwe literatuur uit Franstalig België. Er stonden slechts een paar fragmenten in van auteurs die zich ook in het noorden des lands kunnen verheugen op enige bekendheid. Alleen voor poëzie kan ik dat begrijpen, zelfs binnen het eigen taalgebied gaan dichters vaak schuil achter hoge wallen. Maar toch, hoeveel Vlaamse dichters weten wat bijvoorbeeld Carl Norac doet, of Karel Logist, de vaak gelauwerde? Verkenning van een onbekend gebied, dat stond te lezen op de kaft. Trefzekerder kun je het moeilijk uitdrukken. In zijn voorrede, waaraan ik de titel van dit stuk ontleend heb, schreef Jacques de Decker: "Op literair vlak is de schizofrenie nu voltooid. De schrijvers kennen elkaar niet. Ze krijgen te weinig de gelegenheid elkaar te kennen." Nu vormt Jacques de Decker zelf de grote uitzondering op die regel. Niet alleen spreekt en schrijft hij uitstekend Nederlands (èn Duits èn Engels), hij heeft jaren lang onverdroten inspanningen geleverd om onze literatuur bekend te maken aan de lezers van Le Soir. Maar De Decker roept in een woestijn die zich boven en onder de taalgrens uitstrekt. Op een mooie avond had de redactie van Deus ex Machina een indrukwekkende delegatie Franstalige auteurs en hun Vlaamse vertalers bij elkaar gebracht om een klein feest der letteren te vieren in het Antwerpse Raamtheater. Er werd voorgelezen, er werd gediscussieerd, we hieven het glas. Literair Vlaanderen schitterde door afwezigheid, een eenzame verdwaalde niet te na gesproken. Literair Vlaanderen was uitgenodigd om in zijn eigen achtertuin over de taalgrens te stappen en de ontmoeting tussen onze zo verschillende culturen en talen te vieren. Het Raamtheater bevindt zich in Antwerpen-Zuid, de buurt waar de concentratie Vlaamse schrijvers per vierkante centimeter veruit de hoogste is van de Nederlanden. De conclusie dringt zich op. Het kan de Vlaamse schrijvers geen ene moer schelen wat hun Franstalige vakgenoten doen. ONS CREOOLSE VADERLANDToch heb ik uit de mond van mijn Vlaamse collega's meer dan eens liefdesverklaringen vernomen aan het adres van ons creoolse vaderland. Ze worden vooral wee van de miezerige arrogantie die de Vlaamse regering zo vaak uitwasemt. En zie hoe diep de kloof is tussen noord en zuid: zeg dat tegen Franstalige auteurs, hun mond zakt open van verbazing. Een tijd geleden gaf ik op een colloquium van de Fondation Charles Plisnier een korte uiteenzetting over de Vlaamse schrijver en zijn engagement. Ze hadden daar in Wallonië werkelijk verwacht dat ik hun met gloed zou vertellen hoe de Vlaamse letterkundigen pal achter Van den Brande stonden. Er ontstond lichte, doch merkbare commotie in de zaal omdat ik verklaarde dat menig Vlaams auteur de minister-president rauw lust en volgaarne de nieuwe Vlaamse zelfingenomenheid aan flarden schrijft. Het was nu mijn beurt om verbaasd te zijn. Wist ik veel dat hun beeld van Vlaanderen en de Vlamingen in de eerste plaats, ja, zelfs bijna uitsluitend gevormd wordt door het persoverzicht op de RTBF-radio, dus door de meest militante passages die les commentateurs flamands graag in hun hoofdartikels opnemen. Dat die commentateurs slechts representatief zijn voor zichzelf en een kleine kring gelijkgezinden, dat er in de Vlaamse pers plaats is voor vele andere opinies, met andere woorden, dat zoiets als een pensée unique flamingante een hersenschim is, daar kun je hen slechts met de grootste moeite van overtuigen. Bijna niemand kent Nederlands, een oud zeer, bijna niemand kan dus kennis nemen van wat in het andere landsdeel leeft. Ik hoor nog bij een generatie die onnatuurlijk grondig Frans heeft geleerd. Het Frans was niet alleen alomtegenwoordig in het dagelijkse leven en lang niet alleen in Brussel, in Vlaamse steden en zelfs tot in de dorpen was het zichtbaar, was het hoorbaar, het Frans was zonder discussie de superieure taal, ook in Vlaanderen. Wie zijn Frans niet kende, zou het niet ver brengen. Het werd ons met systematisch geweld in de puistenkoppen geheid door een bende erudiete beulsknechten. Het aartsbisschoppelijk college dat ik frequenteerde, verstrekte een onderwijs dat veel beter geschikt was om ons te drenken in het sterk water dat de geleedpotige grammatica van het Frans conserveerde dan om ons te laten zwalpen op de onbestendige golven van het Engels. Doch zie, na jaren ellende werden plezier en ontroering ons deel, een intieme omgang met Brel, Brassens, Barbara, Parijs, Prévert, Queneau, Bourvil, ik wil ze voor geen prijs missen. Het is overbekend, de Waalse industrie ging kapot en Vlaanderen werd opgestoten in de vaart der volkeren. In het denkraam van de Vlaamse schrijvers die jonger zijn dan pakweg vijfenveertig, is het Frans niet meer te bespeuren. Het Engels is de baas, het spuit uit de televisie, het bonkt op de radio, het beheerst computerschermbreed ons leven, het is nu eenmaal de taal van de financiële, economische, politieke, militaire macht. Dus ook van de literatuur. Wat in New York en Londen verschijnt, dat is de referentie, de enige. Het Frans zit bleek en stil in de verloren hoek waar zich al jaren geleden het Duits, het Spaans of het Italiaans zuchtend hebben neergelaten. Het Frans is voor de jonge Vlaming een exotische taal geworden. Ik betreur dat ten zeerste. Ik vind dat de Vlaamse scholen, als opperste teken van emancipatie, speciaal aandacht aan het Frans zouden moeten besteden, maar ik koester geen enkele illusie.DE ZUIGKRACHT VAN PARIJSDe lyrische lofzangen die je uit de mond van wat oudere Franstalige auteurs hoort op de ontmoetingsplekken die er ooit waren - de biënnale van Knokke bijvoorbeeld -, zijn wat ze zijn, lofzangen, verkleurd door nostalgie, en dat is niet hetzelfde als een zorgvuldige analyse die de oorzaken van de verwijdering aan het licht zou brengen. De romanschrijver Jean-Luc Outers en ik, wij wonen in Brussel op nauwelijks één kilometer afstand van elkaar. Wij hebben elkaar voor het eerst ontmoet in een televisiestudio...in Hilversum. Ons tweede gesprek vond plaats in Avignon. Het is er sindsdien sterk op vooruitgegaan, vooral dankzij zijn initiatief trouwens, maar het kan toch geen toeval zijn dat ons eigen vaderland, nee, onze eigen stad, minder weg heeft van een plek die wij beiden delen dan van een geheimzinnig labyrint, dat sommige gangen verbergt voor hem, andere dan weer voor mij, zodat wij lange jaren elkaar niet konden - of mochten? - ontmoeten. Lees ik wat Outers schrijft over Brussel, dan denk ik, man, kom nou, dat heb je van mij gepikt, wel wetend dat dat niet kan. Wij delen dus niet alleen onze stad, wij delen ook nog eens ideeën over die stad, observaties, afkeer, verrassingen. En toch. Hij wordt uitgegeven in Parijs, ik in Amsterdam. Wij staan met onze rug naar elkaar. De culturele hoofdplaatsen waaraan wij refereren liggen dus buiten onze landsgrenzen. Maar de numerieke verhoudingen zijn heel anders. Vlaanderen heeft zes miljoen inwoners, Nederland vijftien miljoen, dat is ruwweg één Vlaming op drie Nederlanders. Franstalig België heeft er vier miljoen, Frankrijk bijna zestig. Eén op vijftien is dat. Franstalig België is werkelijk een wormvormig aanhangsel van het grote moederland. Voeg daaraan toe dat de zuigkracht van Parijs in de Franstalige culturele wereld extreem is. Pas sinds het beleid van Jack Lang wordt het jakobijnse centralisme aan de randen aangetast - een héél klein beetje. En Parijs is nog veel intoleranter dan Amsterdam als het op taalvarianten aankomt. Zoals wij naar Amsterdam gaan, trekken de Franstalige auteurs dus naar Parijs (tachtig procent, in het fonds van Gallimard zitten bijvoorbeeld meer dan veertig Belgen), met andere woorden, wij komen terecht in werelden die weinig of niets met elkaar te maken hebben. LA DYNAMIQUE FLAMANDEOok binnen de Belgische grenzen verschillen de biotopen zeer. De ontzuiling is in de Vlaamse literaire wereld zo goed als voltooid. In Franstalig Belgisch letterland staan de zuilen nog pal overeind. Het is voor een schrijver natuurlijk veel moeilijker om te reageren tegen een dominante groep - de socialistische - die pretendeert de idealen van de verlichting te koesteren dan te schoppen tegen de almacht van de roomse kerk. In Wallonië schudt la vieille gauche, oud links, nu op zijn grondvesten, maar lang is de aardbeving nog niet bezig. Niet weinig Franstalige schrijvers koesteren de bizarre gedachte dat de Vlaamse auteurs gaan schuilen in christelijke, flamingantische kring. Dus zijn ze terughoudend, beleefd, maar op hun hoede, tot het uiterste. Zoiets bemoeilijkt samenwerking en toenadering. Franstaligen spreken altijd bewonderend, ja, smachtend, over la dynamique flamande. Onze dichters trekken volle zalen, een organisatie als Behoud de Begeerte, ça n'existe pas chez nous. Nee, dat hebben zij niet. Maar maisons de la poésie hebben de Vlamingen dan weer niet. Hun promotion des lettres stuurt de activiteiten een ietsje meer van bovenaf, maar wel efficiënt. En ze zijn niet te beroerd de methodes die wij bij de Nederlanders afgekeken hebben op hun beurt van ons te kopiëren. In Vlaanderen krijgt het publiek in zalen en vooral in zaaltjes poëzie en proza onder de neus gewreven en het publiek snuift de geur op en zucht van welbehagen. Dat is mogelijk dankzij een gelukkige combinatie van plaatselijke dynamiek, inderdaad, en belastinggeld. Zoiets bestaat in Franstalig België niet. Vlaamse schrijvers, Vlaamse dichters, ook de kluizenaars onder hen, treden veel vaker voor het voetlicht dan hun francofone broeders en zusters in de kunst. Bovendien mijdt de Franstalige auteur bijna angstvallig het publieke forum. Daar staan te veel zuilen. Menig auteur in Vlaanderen geeft zijn mening in kranten en weekbladen, wij verheffen onze stem tegen het Vlaams Blok, lang geleden tegen raketten, nu tegen het asielbeleid. Die publieke zichtbaarheid zul je tevergeefs zoeken in Franstalig België. Vertalingen zijn er, vooral van het Frans naar het Nederlands. Franstalige Belgische uitgeverijen besteden trouwens in het algemeen bijzonder weinig geld aan bellettrie en wie in Parijs interesseert zich voor Vlaanderen? In België verschenen Nederlandse vertalingen van Jacques de Decker en Jean-Luc Outers, in Nederland werd "La télévision" van Jean-Philippe Toussaint en het magistrale "La plage d'Ostende" van Jacqueline Harpman gepubliceerd, beide hoog geprezen door de kritiek. Er is William Cliff. En Pierre Mertens natuurlijk. Oh ja zeker, die kennen we, grote meneer. Maar is het niet ontstellend dat wij, Vlaamse schrijvers, nauwelijks gereageerd hebben op het proces dat prinses Lilian meende te moeten voeren tegen de publicatie van Mertens' roman "Une paix royale"? Onze lauwheid bewijst hoezeer het bekrompen nationalisme aan beide kanten van de taalgrens er glansrijk in geslaagd is schrijvers van eenzelfde land uit elkaar te drijven. Laten wij de oren sluiten voor die valse profeten. Laten wij begerig de papieren bloemen plukken in de tuin van de vreemde en toch zo nabije buur. Want schrijvers moeten grenzen verleggen. Dat is onze verdomde plicht. Jacqueline Harpman, "Het Strand van Oostende", Thoth/EPO, Bussum/Antwerpen, 320 blz., 738 fr. Jean-Philippe Toussaint, "De televisie", Van Gennep, Amsterdam, 174 blz., 698 fr.Geert van Istendael