Vlaamse politici, en de bijbehorende partijen, staan de komende jaren voor een belangrijke keuze. Ze moeten hun houding bepalen ten aanzien van een nieuwe maatschappelijke en ideologische breuklijn die langzaam maar zeker zichtbaar wordt. Vandaag loopt de scheiding der geesten nog dwars door de meeste partijen heen. Omdat ze de nieuwe breuklijn nog niet zien, of nog geen keuze gemaakt hebben aan welke kant van die lijn ze thuishoren, of willen thuishoren.
...

Vlaamse politici, en de bijbehorende partijen, staan de komende jaren voor een belangrijke keuze. Ze moeten hun houding bepalen ten aanzien van een nieuwe maatschappelijke en ideologische breuklijn die langzaam maar zeker zichtbaar wordt. Vandaag loopt de scheiding der geesten nog dwars door de meeste partijen heen. Omdat ze de nieuwe breuklijn nog niet zien, of nog geen keuze gemaakt hebben aan welke kant van die lijn ze thuishoren, of willen thuishoren. Het thema waarop politici de komende jaren steeds helderder positie zullen moeten kiezen, is uiteraard dat van de diversiteit. Aanvaarden we die gewoon, met alle consequenties van dien, of blijven we ons er feitelijk tegen verzetten? Nemen we het veelkleurige Vlaanderen anno 2014 als een vanzelfsprekend uitgangspunt, of blijven we vasthouden aan het idee dat de dominante cultuur in Vlaanderen het na te streven ideaal is, en dat iedereen zich moet aanpassen, assimileren, integreren? Vinden we dat iedereen Vlaming onder de Vlamingen is of dat sommigen nog Vlaming onder de Vlamingen moeten worden? Dat is geen woordspelletje, geen detail, geen nuance, dat is een essentiële keuze. Zoals elke politieke partij zich in het verleden duidelijk moest positioneren ten aanzien van die andere breuklijnen - levensbeschouwelijk, sociaal-economisch, communautair - zo zullen ze dat ook dit keer moeten doen. Ineens, als partij, met z'n allen. Of beetje bij beetje, politicus per politicus. Bart Somers, de liberale burgemeester van Mechelen, heeft zijn keuze gemaakt. In een dubbelinterview met Dyab Abou Jahjah zei hij vorige week in Knack dat wij nu 'allemaal nieuwkomers' zijn: 'Eigenlijk ben ik een eerste generatie multiculturele Mechelaar, net zoals de 85.000 andere inwoners van deze stad.' Het belang van die uitspraak mag niet worden onderschat. Somers maakt op die manier duidelijk dat hij positie gekozen heeft ten aanzien van die nieuwe maatschappelijke breuklijn. Hij staat, laten we zeggen, aan de kant van de diversiteit, waar overigens nog veel plaats is. Aan de overkant, waar het witte Vlaanderen als norm geldt, is het al erg lang dringen geblazen. Vijftien jaar geleden, toen hij voor het eerst burgemeester wilde worden, zou Somers zelf ook niet gezegd hebben dat we vandaag allemaal nieuwkomers zijn. Hij zou het niet gewild en niet gedurfd hebben. Het zou naïef geklonken hebben, politiek correct, en typisch voor een wereldvreemde intellectueel die in zijn ivoren toren leeft. Vandaag klinkt het realistisch, nog altijd politiek correct, maar typisch voor een burgemeester die elke dag met beide voeten in de werkelijkheid staat. Somers is een van de eerste toppolitici die zijn witte bril heeft afgezet. Daar is moed voor nodig, maar velen zullen gaandeweg zijn voorbeeld volgen. Sommigen uit overtuiging, anderen uit opportunisme. Maar kleur bekennen moet op den duur iedereen. Als de voorbije weken ons iets hoopvols hebben geleerd, dan wel dat de grondstroom in Vlaanderen er klaar voor is. Collectieve euforie is altijd van voorbijgaande aard, maar het mag ons niet ontgaan zijn dat de Rode Duivels ons allemaal hebben samengebracht, dwars door kleur, afkomst en religie heen: van Afrikaanse Brusselaar tot Marokkaanse Vlaming, iedereen zwaaide met de Belgische vlag. Om de nogal eenvoudige reden dat iedereen zich vandaag met het team kan vereenzelvigen: onze nationale ploeg wordt gekenmerkt door een vanzelfsprekende diversiteit. Ziehier de boodschap die we uit het interview met Somers kunnen distilleren: wij moeten allemaal Rode Duivels worden. Uiteraard kunnen woorden niet volstaan. Dat zou net iets te gemakkelijk zijn. Maar ook uit zijn daden blijkt dat Somers de inclusiviteit hoog in het vaandel voert. In Mechelen bestaat geen hoofddoekenverbod voor loketbeambten, de burgemeester noemt het verzet tegen halal maaltijden op school of bij de jeugdbeweging 'onnozel', en een paar jaar geleden heeft hij, met succes overigens, serieuze inspanningen gedaan om meer allochtone stagiairs bij de stad te krijgen. Vanzelfsprekend is dat niet. Gelet op het feit dat Somers de liberale ideologie is toegedaan, had hij zulke maatregelen voor hetzelfde geld helemaal niet genomen: de ideologische strijd tegen de hoofddoek wordt bij ons al jaren aangevoerd door de liberale denker Dirk Verhofstadt. Maar niet alleen de Open VLD is op dat punt verdeeld, ook de meeste andere partijen worden doormidden gesneden door het debat over diversiteit. Het is in hoge mate een kwestie van empathie. Is men bereid om zich eens grondig te verplaatsen in het hoofd van de medemens met een andere religie, andere gewoonten, een andere cultuur? Of blijft men comfortabel opgesloten zitten in de eigen hersenpan? Probeert men de ander echt te begrijpen, of lacht men elkaar liever weg? Denk in dat verband ook aan de opstootjes van opiniegevechten over racisme die we het voorbije jaar hebben gekend. Vorige zomer joeg N-VA-boegbeeld Liesbeth Homans menigeen de gordijnen in met haar uitspraak dat racisme relatief is en vaak wordt gebruikt als een excuus om de eigen mislukking achter te verbergen. Vervolgens kwam het debat over Zwarte Piet vanuit Nederland naar onze contreien overgewaaid. En een voetbalcolumn van De Morgen-journalist Hans Vandeweghe deed onlangs meer stof opwaaien dan de auteur ooit had kunnen dromen. Ook die drie incidenten illustreren het belang van empathie. Men kan het eens zijn met Homans en dat eeuwige gedoe over discriminatie weglachen, maar men kan zich ook proberen voor te stellen wat het betekent om jarenlang bij elke sollicitatie tegen een muur van afwijzing te lopen simpelweg omdat men Mohammed heet. Men kan de critici van Zwarte Piet weghonen omdat ze een onschuldige traditie willen afschaffen, maar men kan zich evengoed afvragen of die zwarte knecht voor sommigen inderdaad geen ongepaste verwijzing kan zijn naar het koloniale tijdperk. Men kan gerust de stelling verdedigen dat Hans Vandeweghe het alleen over voetballers had toen hij schreef dat Afrikanen zich geen zes weken aan een stuk kunnen concentreren, maar men kan zich ook afvragen of pakweg Afrikanen dat ook zo hebben aangevoeld: als Afrikaanse voetballers zich geen zes weken kunnen concentreren, waarom zouden Afrikaanse volleyballers of ondernemers of academici dat dan wel kunnen? Het punt is: met wat inlevingsvermogen kan men het protest zeer goed begrijpen. Paradoxaal genoeg is empathie altijd de motor geweest van het debat over racisme. Een kwarteeuw geleden, toen de opmars van het Vlaams Blok een aanvang nam, probeerden media en politici elkaar te overtroeven in inlevingsvermogen. Met de blanke, autochtone Vlaming, welteverstaan. Met alle geweld probeerde iedereen te begrijpen waarom die Vlaming in sommige wijken zo hartstochtelijk op een duidelijk racistische partij had gestemd. Die kiezers waren zeker geen racisten, klonk het overal, ook in progressieve kringen: de VB-kiezers waren brave en eenvoudige mensen, die hun buurt jarenlang hadden zien veranderen, verkleuren. Zij verdienden geen hoon of terechtwijzing, zij verdienden mededogen. Het waren geblutste en gekwetste mensen, achtergelaten in wijken waar ze zich niet meer thuis voelden. En dat was ontegensprekelijk een beetje waar. Er valt aan deze kant van de Noordpool niemand meer te bespeuren die zal ontkennen dat een multiculturele samenleving de nodige wrijvingen en problemen met zich heeft meegebracht. Elk ongemak dat de blanke, autochtone Vlaming heeft ondervonden met de multiculturele samenleving is uitvoerig belicht, begrepen, geduid, besproken en behandeld. Daarbij sneuvelde het ene politiek correcte taboe na het andere, en werden de dingen almaar duidelijker gezegd zoals ze zijn. Op 24 april 2002 bereikte die ontwikkeling een hoogtepunt toen Yves Desmet, op dat moment als politiek hoofdredacteur van De Morgen nog voorganger in de politiek correcte kerk, zijn beruchte essay schreef over 'kut-Marokkaantjes' - een akelige term voorwaar, die hij had geïmporteerd uit Nederland. In een interview met Knack legde Desmet later uit waarom hij geen spijt had van dat essay: 'Ik vind dat ik als absoluut Blokbestrijder het recht heb om te zeggen dat er kut-Marokkaantjes rondlopen.' Daarmee legde Desmet de kern van het probleem bloot: er is in Vlaanderen openlijk en hard gestreden tegen extreemrechts, maar nauwelijks tegen racisme. In progressieve kringen volstond het vaak om tégen het Vlaams Blok te zijn. Dat was een keurmerk, een legitimatie. Wie tegen het Blok was, mocht zich moreel superieur achten. Wie tegen het Blok was, kon niets verkeerd doen. Want de racisten, die zaten bij het Blok. Inhoudelijk gesproken was die bestrijding van extreemrechts niet bepaald een succes: hoe harder het Blok groeide, hoe harder andere politici die partij achternaholden, in de hoop dat ze op die manier de geblutste kiezer konden terughalen. Journalisten en commentaarschrijvers deden zo ongeveer hetzelfde: ze durfden op den duur niet meer in te hakken op een racistische partij uit vrees daarmee de lezer of de kijker voor het geblutste hoofd te stoten. Zo werd het taalgebruik almaar gespierder en onsmakelijker, het beleid almaar strenger en het pessimisme almaar groter - tot zowat iedereen het erover eens was dat de multiculturele samenleving een drama is, een totale mislukking. En in zekere zin is dat zo. Maar om andere redenen dan doorgaans wordt aangenomen. Iedereen kent de boutades. Dat we jarenlang de koppen in het zand hebben gestoken. Dat we de problemen altijd onder de mat hebben geveegd. Wie de statistieken erbij neemt, kan die boutades alleen bevestigen: bijna nergens ter wereld is de achterstand van mensen met een migratieachtergrond zo groot als in Vlaanderen. In het onderwijs, op de arbeidsmarkt, op de woonmarkt - de structurele discriminatie valt niet te loochenen. Toch gebeurt dat vaak. Vooral politici ter rechterzijde gaan statistieken graag te lijf met anekdotes en ideologie. Harde feiten worden genegeerd, geminimaliseerd of weggelachen. Discriminatie? Ga weg. De Vlaming is toch geen racist, zeker? Als Mohammed geen job vindt, dan moet hij maar beter zijn best doen. De Nederlandse taal leren en een diploma behalen, om te beginnen. Toen Knack onlangs aan Liesbeth Homans vroeg hoe het komt dat de kloof tussen allochtoon en autochtoon bij hoogopgeleide mensen nog groter is dan bij laagopgeleide, antwoordde zij: 'Dat weet ik niet. Dat moet u aan de betrokkenen vragen.' Het is met die statistieken over discriminatie nochtans zoals met de statistieken over onze pensioenen en onze sociale zekerheid. Om het met een modieuze slagzin te zeggen: dit land heeft een regering nodig die vanaf dag één een sociaal-economisch herstelbeleid uitwerkt dat een eind maakt aan de discriminatie van minderheden. We hebben het al jaren over de tikkende tijdbom in onze steden, maar blijkbaar durft niemand hem te ontmantelen. Quota of streefcijfers blijven onbespreekbaar. Tenminste, als het over mensen van allochtone origine gaat. Want quota voor vrouwen, dat vindt zelfs Open VLD-voorzitster Gwendolyn Rutten, tégen haar eigen ideologie in, een goed idee. Haar minister van Justitie, Annemie Turtelboom, trouwens ook. Kennelijk zijn beide dames alleen in staat tot empathie met zichzelf. Nee, dan hun partijgenoot Bart Somers, die in hetzelfde Knack-interview vorige week voorstelde om jongeren zonder diploma alvast toe te laten tot de opleiding voor politieagent: tijdens een stage als contractueel medewerker kunnen ze dan via de VDAB hun diploma middelbare school behalen. Een pragmatische oplossing waar de samenleving wat aan heeft. Normaal gesproken zou men zulke ideeën verwachten van een sociaal-democratische partij. Maar de SP.A heeft in dezen haar historische taak enigszins veronachtzaamd. En als de partijtop vandaag oor heeft naar het advies van socioloog Mark Elchardus, die halfweg de jaren negentig de flinkse adviseur was van toenmalig SP.A-voorzitter Louis Tobback, zal ze zich niet gauw herpakken. In een interview met Apache.be zei Elchardus onlangs dat de SP.A dringend strengere taal moet spreken over immigratie, als de partij wil groeien. 'Ik noem dat de spagaat van het linkse electoraat', zei hij. 'Het grootste deel van de mensen die voor meer herverdeling en gelijkheid zijn en een vermogensbelasting willen, heeft moeite met immigratie. De meeste hoogopgeleiden zijn niet links: zij hebben hun zaakjes goed geregeld. Het zijn laagopgeleiden die zich daardoor aangesproken voelen, maar die mensen willen ook weten wat de socialisten zullen doen om de immigratie onder controle te krijgen. Dat zijn geen racisten, maar zij willen een oplossing voor de problemen die samenhangen met immigratie.' De SP.A mag best strenge taal spreken over immigratie, maar echt groeien zal ze pas als ze ondubbelzinnig postvat aan de andere kant van de nieuwe politieke breuklijn. Aan de kant waar men de diversiteit als uitgangspunt neemt, empathie betoont met iedereen, en discriminatie eindelijk ernstig wil nemen en aanpakken. Zijn naam doet sommigen vandaag nog altijd huiveren, maar het was wel degelijk Dyab Abou Jahjah die deze problemen ruim tien jaar geleden duidelijk op de agenda zette. Met de Arabisch Europese Liga (AEL) probeerde hij Vlaanderen een geweten te schoppen - een poging die eindigde in een gevangeniscel. Ondertussen heeft hij weliswaar eerherstel gekregen, maar destijds werden hij en zijn beweging gecriminaliseerd - Bart Somers gaf vorige week in Knack ruiterlijk toe dat die periode niet de meest glorieuze in de geschiedenis van onze democratie was. Uiteraard verdiende Abou Jahjah ook kritiek: hij bekeek Antwerpen soms door een bril die hij uit het Midden-Oosten had meegebracht en organiseerde meer betogingen tegen Israël dan tegen plaatselijke wantoestanden. Maar wat hij tijdens de debatten over die plaatselijke wantoestanden zei, klopte wel: hij hoefde de statistieken maar op te lijsten om zijn punt te maken. Zijn missie was duidelijk: de emancipatie van mensen met een migratieachtergrond. De AEL was een klassieke pressiegroep, die haar eisenpakket kracht bijzette door het establishment uit te dagen. Daarmee deed Abou Jahjah, weliswaar op kleine schaal, precies hetzelfde als wat die drie andere emancipatiebewegingen in het verleden hebben gedaan: de arbeidersbeweging, de Vlaamse Beweging en de vrouwenbeweging. Zelfs procedé en afwikkeling waren niet geheel onvergelijkbaar: emancipatie kent altijd een fase van verbaal geweld, gespannen confrontaties en overdreven bange reacties van het establishment. Wie de vergelijking met de Vlaamse Beweging doortrekt, zou kunnen zeggen dat de Arabisch Europese Liga een soort equivalent was van pakweg het Taal Aktie Komitee. De missie van de AEL, om het beleid tot actie te dwingen, is duidelijk mislukt. Maar de beweging heeft wel iets anders opgeleverd: een generatie Vlaamse intellectuelen van allochtone origine die aan de passage van Abou Jahjah een krachtig zelfbewustzijn hebben ontleend. Het is de generatie van mensen zoals Nadia Fadil, Omar Ba, Olivia Rutazibwa, Hicham El Mzairh, Birsen Taspinar en vele vele anderen, die in 2008 samen deze tekst ondertekenden: 'Ondergetekenden behoren tot de AEL-generatie, die dankzij de AEL het gedachtegoed van gelijk burgerschap en volwaardige inclusie is gaan begrijpen. Een generatie die niet langer als een "te integreren" doelgroep wil worden gezien, die het statuut van "allochtoon" krachtdadig verwerpt, en zich als volwaardig en onvervreemdbaar onderdeel, als burger van deze samenleving inschrijft. Deze generatie is hier en blijft hier. Ze is hier, niet enkel om te luisteren maar ook om te praten. Ze blijft hier, niet enkel om geïntegreerd te worden maar ook om anderen te integreren in onze multiculturele realiteit.' Anderen 'integreren in onze multiculturele realiteit', omdat we 'allemaal nieuwkomers' zijn in deze superdiverse samenleving - vandaag, zes jaar later, sluit Bart Somers zich de facto bij die boodschap aan. Aan zijn kant van de nieuwe breuklijn toont het beleid empathie met iederéén in deze samenleving, niet alleen met de bange blanke man. Er zijn drie politieke partijen die al grotendeels positie hebben gekozen ten aanzien van de nieuwe breuklijn: Vlaams Belang aan de ene, Groen en PVDA aan de andere kant. In een interview met Knack begin 2009 slaagde Filip Dewinter er niet in om toe te geven dat iedereen die hier geboren is gewoon een Vlaming is. Ook mensen van de tweede en derde generatie zijn voor hem nog altijd vreemdelingen. Hij had voor de gelegenheid deze oneliner bedacht: 'Een kat die in een viswinkel wordt geboren, is nog geen vis.' Dat die gedachte niet alleen bij extreemrechts aanwezig is, maar onbewust sluimert bij een groot deel van de bevolking, zelfs bij journalisten van de openbare omroep, bewees de redactie van Terzake in de aanloop naar de Vlaamse verkiezingen van 2009. In een van de uitzendingen werd gediscussieerd over de stelling: Ook een moslim is een Vlaming. Dat is zowat hetzelfde als discussiëren over de stelling: Ook een vrouw is een mens. De andere partijen moeten ten aanzien van de nieuwe breuklijn nog kleur bekennen. Op papier hanteert de N-VA een inclusieve vorm van nationalisme, maar de manier waarop een aantal van haar mandatarissen de problemen minimaliseert, voorspelt weinig goeds - pittig detail: met oud-spoorbaas Marc Descheemaecker heeft de partij iemand in huis die al lang de invoering van quota op de werkvloer bepleit. De SP.A heeft met Bert Anciaux iemand in de rangen die duidelijk gekozen heeft, maar of zijn visie ooit zal doorsijpelen naar de rest van de partij, is zeer de vraag. De CD&V lanceerde bij monde van Nahima Lanjri onlangs een pleidooi voor streefcijfers, maar de kans dat de partij daarvan bij de Vlaamse of federale formatiegesprekken een breekpunt maakt, is nihil. En de Open VLD zal moeten kiezen: volgt ze Bart Somers, of blijft ze aan de overkant van de breuklijn de hakken in het zand zetten? Ook de rest van de samenleving zal moeten kiezen, of heeft dat al gedaan. De nieuwe breuklijn loopt vandaag zelfs dwars door onze winkelcentra heen: bij H&M staan meisjes met een hoofddoek achter de kassa, bij Hema is dat ondenkbaar. Ook wij, de mainstream media, moeten de hand in eigen boezem steken en toegeven dat we veel te wit zijn - met alle gevolgen van dien qua onevenwichten in de berichtgeving. Laat dit een hoopvolle tekst zijn. De geschiedenis van de mensheid is er een van steeds verder uitdijende cirkels van empathie. We komen van ver. We belijden graag dat iedereen gelijk is, dat iedereen evenveel kansen moet krijgen. We hebben wetten die racisme strafbaar stellen en we willen niemand de gepaste empathie ontzeggen. In ons hoofd zijn de meesten onder ons daartoe al bereid. Nu nog in ons hart en we zijn er. DOOR JOËL DE CEULAER, TEKENING GALIn progressieve kringen volstond het om tégen het Vlaams Blok te zijn. Dan was je moreel superieur en kon je niets verkeerd doen. Want de racisten, die zaten bij het Blok. Wie de vergelijking met de Vlaamse Beweging doortrekt, zou kunnen zeggen dat de Arabisch Europese Liga een soort equivalent was van pakweg het Taal Aktie Komitee. Quota voor vrouwen vindt Gwendolyn Rutten, tégen haar eigen ideologie in, een goed idee. Annemie Turtelboom ook. Kennelijk zijn beide dames alleen in staat tot empathie met zichzelf.