In maart 2000 doet de heer Drijvers* een beroep op het college van de federale ombudsmannen. Zijn klacht ziet er eenvoudig uit. Het ministerie van Financiën, administratie der douane en accijnzen, weigert hem een som van 230 frank terug te betalen. Drijvers moet dit bedrag betalen voor de herkeuring van zijn wagen; de herkeuring was nodig omdat een ambtenaar een fout gemaakt zou hebben. 'De administratie, en niet ik, moet de gevolgen van haar beslissingen dragen,' denkt Drijvers en hij doet een beroep op de federale ombudsman.
...

In maart 2000 doet de heer Drijvers* een beroep op het college van de federale ombudsmannen. Zijn klacht ziet er eenvoudig uit. Het ministerie van Financiën, administratie der douane en accijnzen, weigert hem een som van 230 frank terug te betalen. Drijvers moet dit bedrag betalen voor de herkeuring van zijn wagen; de herkeuring was nodig omdat een ambtenaar een fout gemaakt zou hebben. 'De administratie, en niet ik, moet de gevolgen van haar beslissingen dragen,' denkt Drijvers en hij doet een beroep op de federale ombudsman.Hoewel de betwisting slechts een zeer klein bedrag betreft, staat er wel een belangrijke vraag centraal in het geschil. Wie moet instaan voor de gevolgen van een fout? De federale ombudsman wil allereerst een volledig overzicht van de betwisting. Wat is er precies misgegaan? Wie is ervoor verantwoordelijk? Wie wordt aangesproken voor de gevolgen? Het lijkt een ingewikkelde geschiedenis te zijn, maar aan de basis ervan ligt een domme fout. Zoals iedereen heeft Drijvers na vier jaar zijn wagen aangeboden voor de technische keuring. Bij die gelegenheid wordt vastgesteld dat het chassisnummer op het inschrijvingsbewijs niet overeenstemt met het chassisnummer op het motorblok; het laatste cijfer, een vijf, werd verkeerdelijk genoteerd als een drie. Wat ging hieraan vooraf? De wagen van de verzoeker werd in december 1995 ingevoerd uit een ander land van de Europese Unie. Hij laat daarop de nummerplaat van de - inmiddels geschrapte - wagen van zijn moeder aanbrengen, laat bij de Dienst Wegverkeer alles in orde brengen en de lopende verzekeringspolis aanpassen. Hij laat een antidiefstalsysteem aanbrengen. De verzekeraar vraagt een montageattest met vermelding van het chassisnummer, dat, zo zal later blijken, wordt overgenomen van andere papieren en fout is. Later wordt de nummerplaat gestolen en in het proces-verbaal van de rijkswacht wordt hetzelfde - foute - chassisnummer opgenomen. In het dossier zitten dan ook documenten die het chassisnummer authentiek noemen. De achterliggende gedachte is blijkbaar dat de administratie de juistheid van de stukken controleert alvorens deze in omloop te brengen, wat vermoedelijk niet gebeurde. Het is slechts bij de eerste autokeuring dat de fout wordt opgemerkt. De heer Drijvers gaat naar de Dienst Wegverkeer, de verzekeraar en de rijkswachtbrigade waar hij aangifte heeft gedaan van de diefstal van de nummerplaat van zijn wagen, maar allen verklaren zich onbevoegd om correcties aan te brengen. De administratie van de douane en accijnzen tenslotte stelt vast en erkent dat de fout bij haar werd gemaakt, bij de invoer van het voertuig, en brengt de nodige verbeteringen aan zonder extra kosten aan te rekenen. De verzoeker is tevreden en biedt zijn wagen aan voor de herkeuring. Voor die herkeuring wordt hem echter 230 frank aangerekend, zoals gebruikelijk is. Het keuringsstation is immers een organisatie die volledig losstaat van de administratie en zij wil geen kostenloze herkeuring toestaan wegens een materiële vergissing van de administratie. De verzoeker betaalt om zijn voertuig verder te kunnen gebruiken. Overtuigd als hij is dat niet hij maar de administratie een fout heeft gemaakt, neemt hij contact op met de administratie van de douane en accijnzen en vraagt de terugbetaling van het bedrag van de herkeuring. In eerste instantie antwoordt de administratie dat zij niet verder kan gaan dan de kostenloze rechtzetting van de fout. Zij voelt zich echter niet aansprakelijk voor het feit dat de heer Drijvers de fout gedurende vier jaar niet heeft opgemerkt. Drijvers neemt dit niet en spreekt de federale ombudsman aan. Wanneer die de volledige en juiste toedracht van de zaak heeft vastgesteld, wijst hij de administratie op de goede trouw van de verzoeker en op haar materiële vergissing. Behoorlijk bestuur impliceert immers het aanvaarden van de gevolgen van deze vergissing. Kort daarop antwoordt de administratie dat het dossier van Drijvers opnieuw werd onderzocht en dat op de eerder genomen beslissing wordt teruggekomen. De nodige administratieve formaliteiten worden vervuld en het bedrag gestort. Het kleine bedrag waarover het hier ging, is niet het belangrijkste. Belangrijk is dat de administratie op een eerder ingenomen standpunt is teruggekomen na de bemiddeling door de federale ombudsman en dat zij een bewijs van behoorlijk bestuur levert door de gevolgen van een fout te aanvaarden. Dat siert haar.Met dank aan mijn medewerker Patrick De Becker, attaché bij het college van de federale ombudsmannen. * Om redenen van privacy werd de naam van de betrokkene veranderd.Dr. H. Wuyts