info
...

info De auteur is doctor-assistent in de bio-antropologie aan de Universiteit Gent.Een vraagje voor de eigenaars van een Duitse herder: weet u waarom u een Duitse herder vertroetelt en geen labrador, sint-bernard, of een teckel? De psychologie legt het u uit: u lijkt op een Duitse herder. Psychologen hebben vastgesteld dat wildvreemde mensen eigenaars aan hun rashond konden linken alleen op basis van een foto. Hoelang eigenaar en hond samen waren had geen invloed, het is dus een kwestie van selectie: de eigenaar die een bepaald type hond koopt en niet eigenaar en hond die na verloop van tijd meer op elkaar gaan lijken. Maar waarom zouden we die informatie serieus nemen? Is dit wetenschap of pseudo-wetenschap? Is een statistisch te verantwoorden verband voldoende grond om het als wetenschappelijk feit te verkopen? Eén middel om een wetenswaardigheid een wetenschappelijk cachet te geven, is de publicatie in een zogenaamd A1-tijdschrift: een internationaal tijdschrift met refereesysteem. Daar bestaat een rangschikking van en de tijdschriften in de lijst ontlenen hun kwaliteitslabel aan opname en plaats in de rangschikking. De studie van de honden en hun eigenaars is gepubliceerd in Psychological Science, een hoog gerangschikt tijdschrift. Het onderwerp van de studie mag dan lachwekkend zijn, de studie is wetenschappelijk verantwoord genoeg bevonden om te publiceren. Zeker nu de publieke belangstelling voor wetenschap toeneemt, is het een goede zaak dat er überhaupt een instrument is dat onderzoek selecteert en dat pretendeert te doen op basis van kwaliteit. Maar dat is geen garantie voor succes, zoals het hondenvoorbeeld aantoont. Een studie uitvoeren volgens de regels van de 'publicatiekunst' is daarom nog geen bijdrage tot de wetenschappelijke kennis. De theoretische achtergrond van de hondenstudie is de vaak op hondenshows, in kinderboeken en op straat gehoorde opvatting dat eigenaars op hun huisdier lijken - zo staat het er letterlijk. Een volksgeloof empirisch getoetst! Nu kan het dat de bijdrage voor de psychologie pas over enkele decennia duidelijk zal worden. Misschien is het wel een Sokal & Bricmont-achtige grap. In elk geval mag de glans van een A1-publicatie het kritisch vermogen niet verblinden. Ook het aantal A1-tijdschriften is onderwerp van discussie. In een lezersbrief in Nature maakt microbioloog Vladimir Svetlov zich druk over de heisa rond een artikel met een creationistische inslag, gepubliceerd in een laaggerangschikt A1-tijdschrift. Creationisme is antiwetenschap en dus stond de wetenschappelijke goegemeente op haar achterste poten dat een A1-tijdschrift het artikel toch had gepubliceerd. Svetlov vindt dat hypocriet: op een paar tijdschriften na stelt het refereesysteem in de A1-lijst niets voor, en wie een beetje handig is, krijgt eender wat gepubliceerd in zo'n blad. Los van de waarde of het belang van de A1-lijst dreigt een eenzijdige gerichtheid op dat publicatiekanaal ons uit het oog te doen verliezen dat een kennis-samenleving ook behoefte heeft aan wetenschappers die twee andere dingen kunnen: communiceren met de rest van die samenleving en het overzicht op het vakgebied en de relaties met andere vakgebieden behouden. De grootste wetenschappers zijn de witte raven die het alledrie kunnen en doen: onderzoek, kennisoverdracht, en synthese. Met de veranderende plaats van de wetenschap in onze kennissamenleving zal ook de rol van de wetenschapper veranderen en waarschijnlijk zal dat leiden tot een arbeidsverdeling onder wetenschappers. Zodat we onderzoekers hebben die het uiterlijk van honden en hun baasje aan elkaar linken, gevolgd door hen die ons zullen uitleggen dat het allemaal maar statistiek is: veel eigenaars lijken dus pertinent niet op hun hond. Kijk maar naar Gert en Samson. Kris Thienpont