De werkloosheidsverzekering is niet onaantastbaar. Ze verandert grondig. Recent wetenschappelijk werk bewijst dat terdege.
...

De werkloosheidsverzekering is niet onaantastbaar. Ze verandert grondig. Recent wetenschappelijk werk bewijst dat terdege.De werkloosheidsverzekering is vele opzichten gigantisch. In het aantal werklozen en uitkeringstrekkers, in de omvang van de financiële middelen, in haar administratie met federale en regionale openbare instellingen en uitbetalende vakbondskassen, in haar reglementering. Zelden gaat een week voorbij zonder dat het Staatsblad nieuwe reglementen of voorschriften publiceert. De voogdijminister en de administratie zetten nieuwe systemen op en breken ze een paar jaar later weer af. De reglementering zwelt vanzelf. Er is geen basiswet en ze is dus gemakkelijk met koninklijke en ministeriële besluiten aan te pakken. Het lijkt allemaal chaotisch. Maar er schuilen trends in het reglementenwerk. Het heet dat de werkloosheidsverzekering politiek en sociaal onaantastbaar is. Niets is minder waar, het stelsel is nu fundamenteel anders dan twintig jaar geleden. Zelfs de beroemde of beruchte onbeperkte duur van werkloosheidsuitkeringen bestaat niet langer. In versneld tempo bouwt de overheid het stelsel om. Met als eerste doel haar staatsbegroting te saneren en België in de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) te loodsen. Daarbij groeit het werkloosheidssysteem steeds verder weg van zijn oorspronkelijke doelstelling, namelijk de werkenden verzekeren van een vervangingsinkomen in het geval ze hun werk verliezen. Lieve De Lathouwer van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen (UFSIA) legde de werkloosheidsverzekering op haar laboratoriumtafel. Ze ontdekte vijf trendkerende ontwikkelingen, die ze beschrijft in ?Twintig jaar beleidsontwikkelingen in de Belgische werkloosheidsverzekering? (december 1996). Meteen blijkt al dat het misschien beter is naar een nieuwe naam uit te kijken. De werkloosheidsverzekering is steeds minder een verzekering tegen het verlies van loon bij werkloosheid en almaar meer een waarborg voor een minimaal inkomen. Die ouvrièristische accenten een levensminimum, maar onbeperkt in duur steken er weliswaar al in van bij de start in 1944, ten gevolge van het gewicht van de arbeidersbonden. Maar nu is de verhouding tussen de uitkering en het verloren loon wel zeer zwak, veel zwakker dan in de drie wettelijke referentielanden Nederland, Duitsland en Frankrijk. WELVAART VEREIST TWEE VERDIENERSWerklozen die een middelmatig of hoger loon verloren, vielen eerder al buiten de verzekeringsprijzen. De sociale zekerheid rekent wel bijdragen aan op het volledig salaris, maar berekent de uitkeringen op een begrensd inkomen. De besparingsronden tot sanering van de rijksbegroting van de jongste jaren holden de band tussen verloren loon en uitkering verder uit. Dat gebeurde onder meer door gezinshoofden hogere uitkeringen te gunnen en fors de vergoedingen in te krimpen van samenwonenden (werklozen in een feitelijk gezin dat nog een ander inkomen of andere uitkering geniet, meestal vrouwen). Wat plechtig gezinsmodulatie heet, is niets meer dan een blote besparingstechniek, die bovendien indruist tegen het Europees gelijkheidsbeginsel tussen mannen en vrouwen. Vergeleken bij andere trekkers van een sociale uitkering, leden de werklozen de jongste twintig jaar meer koopkrachtverlies. Met het voor een verzekering vervelende gevolg dat het sterk gestegen bestaansminimum (het allerlaagste sociale vangnet), de minima-uitkeringen van de werklozen benadert. De opeenvolgende besparingen leidden evenwel niet tot een toename van de armoede onder de werklozen of tot een groeiende kloof tussen werklozen en werkenden. Negen procent van de werklozen is arm, tegen zes procent van de globale bevolking. En de werkloosheidsuitkeringen vormen de sterkste rem op de armoede. Dat komt omdat de overheid selectief bespaart. Maar het is vooral een gevolg van het toenemend tweeverdienersschap. Het dubbel gezinsinkomen is nu de algemene welvaartsnorm. Schrijft Lieve De Lathouwer : ?De werkloosheidsuitkering werd in de crisisjaren in toenemende mate een aanvullend inkomen, waardoor het matigingsbeleid, dat zich juist in hoofdzaak heeft gericht op werkloze samenwonenden, werd opgevangen door het tweede inkomen in het gezin.? Daardoor onstaat echter een andere scheidingslijn : 40 procent van de werklozen die uitsluitend van een uitkering moet leven, is arm, tegen slechts vier procent van degenen met nog een ander gezinsinkomen. Sociale en andere fondsen voor bestaanszekerheid van de bedrijfstakken corrigeren, voor min of meer lange tijd, in niet onbelangrijke mate het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen. De werkgevers en vakbonden blijven echter uiterst discreet over die vorm van private sociale zekerheid. De Lathouwer gaat er in haar studie jammer genoeg aan voorbij. Na aanhoudende besparingen botste de overheid uiteindelijk toch op groeiende politieke en sociale barrières. Bovendien is het verder knabbelen aan de uitkeringen gevaarlijk voor het voortbestaan van het werkloosheidsstelsel zelf. Als de werknemersmiddenklasse gelooft dat het sop de kool niet langer waard is, komt de verplichte solidariteit en bijgevolg de financiering ervan in het gedrang. Verder besparen is het volume werklozen verminderen : het is nu moeilijker dan ooit om in het uitkeringsstelsel te geraken en gemakkelijker dan voordien om er weer uit te vliegen. HASSELT IS RECORDHOUDERWerknemers die werkloos vallen, moeten nu langer gewerkt hebben om recht op een uitkering te krijgen (wie jonger is dan 36 jaar moet 312 arbeidsdagen in de jongste achttien maanden bewijzen). Voor de jonge werkloze schoolverlaters verlengde de wachttijd. Het is een onverwachte vaststelling dat sedert 1993 België een van de strengste landen is inzake toegang tot de werkloosheid. De werkloosheidsverzekering van onbeperkte duur behoort al lang niet meer tot de werkelijkheid. Voor gezinshoofden en alleenstaanden is dat nog het geval, niet meer voor samenwonenden. Zij verliezen definitief hun uitkering wanneer zij anderhalve keer de gemiddelde werkloosheidsduur van de werklozen van hetzelfde geslacht en leeftijdsklasse in de regio overschrijden. Tenminste indien hun gezinsinkomen lager ligt dan 600.000 frank, plus 24.000 frank per persoon ten laste. Dat dit geen papieren maatregel is, bewijzen de cijfers. In 1985 schorste de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening slechts 807 werklozen wegens abnormaal langdurige werkloosheid. Tussen 1987 en oktober 1996 schrapte de RVA de uitkering van 154.220 werklozen, voor 90 procent vrouwen. Toch blijft de ?toegelaten werkloosheid? nog behoorlijk lang. Voor vrouwen is Hasselt recordhouder, met zes jaar voor vrouwen jonger dan 36 jaar en zeven jaar voor vrouwen tussen 36 en 46 jaar. In Bergen kunnen de mannen het langst werkloos blijven : vijf jaar voor de 46-plussers. Of geschorste langdurige werklozen uiteindelijk in de sociale bijstand terechtkomen, is een controversiële vraag. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening minimaliseert het probleem en berekende, niet zonder retouches aan zijn definities, dat dit slechts voor één procent van de gevallen zo is. De RVA moet echter ootmoedig bekennen dat velen van hen in zwakke jobs terecht komen, of zelfs gewoon naar de werkloosheid terugsukkelen. De OCMW's daarentegen slaan alarm wegens het groot aantal voormalige werklozen dat op hun betaallijsten belandt. De studie van Lieve De Lathouwer raamt dat het verstrengde schorsingsbeleid van de RVA de jongste jaren verantwoordelijk is voor 24 procent van de belangrijke toename van de bijstandstrekkers. Ook met de sancties wordt strenger omgesprongen dan vroeger. Het aantal (tijdelijke) schorsingen van werklozen die werk of een opleiding weigeren, werknemers die door eigen fout hun job verloren, werklozen die valse verklaringen afleggen of in het zwart gaan werken, verdubbelde van 1987 tot 1995 bijna tot 33.689. Maar met die misbruiken is niet alles verteld. Het oneigenlijk gebruik is veel aanzienlijker. Onderzoek in Vlaanderen leert dat 30 procent van de jonge vrouwen met kinderen hun werkloosheid veeleer positief beleven en niet echt op zoek zijn op de arbeidsmarkt. ?Bij een achterblijvend jobaanbod en bij een groot volume aan (langdurige) uitkeringtrekkers wordt controle op oneigenlijk gebruik en misbruik zeer moeilijk, waardoor de legitimiteit en de billijkheid van het stelsel onder druk komt te staan,? weet de onderzoekster. Maar ze onderstreept dat het uitsluitingsbeleid op besparingen is gericht en niet op de stimulering van de arbeidsmarkt. De conventionele theorie van het arbeidsaanbod leert dat een beperking van de werkloosheidsduur de werkloosheid vermindert. Dat is natuurlijk mathematisch juist, maar met minder werklozen zijn er nog niet meer mensen aan het werk, het aanbod van banen is klein. Bovendien kunnen werklozen de jobs inpikken van andere werkzoekenden (en zelfs van werkenden). 56 PROCENT HEEFT WERKHet oneigenlijke gebruik van de werkloosheidsverzekering door sommige categorieën werklozen bestaat dus duidelijk. Maar de overheid aarzelt evenmin het stelsel oneigenlijk te gebruiken voor andere doelstellingen dan het is opgezet. Functieverruiming, heet dat. Op die manier besteedt de RVA de kleine helft van haar begroting aan uitkeringen voor werklozen die niet werkzoekend (moeten) zijn. In grote mate slaat dat op de uitstoot van oudere arbeidskrachten ; de bruggepensioneerden en de werklozen ouder dan vijftig. Ook maatregelen die bijdragen tot een betere combinatie van gezin en arbeid, zoals de loopbaanonderbreking en de deeltijdse werkloosheid, kosten werkloosheidsgeld. En ook in die functieverruiming bespeurt De Lathouwer een gevaar voor de legitimiteit van de werkloosheidsverzekering. Sommigen pleiten om die nevenstelsels uit de werkloosheidsverzekering te lichten en te institutionaliseren in een aparte zesde pijler of in een werkverdelingsverzekering. ?Het passief uitkeringsbeleid in België heeft tot een groot volume van uitkeringsafhankelijkheid geleid : veertien procent van de beroepsbevolking staat geregistreerd als werkzoekend ; circa één miljoen personen ontvangt een uitkering uit het werkloosheidsbudget. Uitgedrukt in voltijdse equivalenten bedraagt de globale afhankelijkheidsgraad (inclusief de bestaansminimumtrekkers) 51 uitkeringtrekkers op actieve leeftijd per 100 werknemers. Slechts 56 procent van de beroepsactieve bevolking is tewerkgesteld, meteen de laagste tewerkstellingsgraad van de westerse geïndustrialiseerde landen.? Zo leert de studie van het Centrum voor Sociaal Beleid. Vandaar de pogingen van de overheid om tot een activerend socialezekerheidsmodel of participatiemodel te komen. Dat uit zich onder vele en verscheidene vormen : de nauwe koppeling tussen vorming en begeleiding en de toekenning van uitkeringen (begeleidingsplan, eerste werkervaring, ingroeibanen) ; de verlaging van de loonkosten voor laaggeschoolden en de herverdeling van de arbeid ; directe werkcreatie in sectoren voor nieuwe maatschappelijke behoeften (sociale economie, buurtdiensten, plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen). De werkloosheidsverzekering evolueert aldus tot een instrument van het arbeidsmarktbeleid. In 1981 subsidieerde de overheid vanuit de staatsbegroting de werkloosheidsverzekering voor 79 procent van haar financiële middelen. Dat was een quasi fiscalisering, vermits alle belastingbetalers in grote mate meebetaalden. Sedertdien verschrompelde de overheidsbijdrage tot een kleine zeven procent. Er kwamen nieuwe financieringsbronnen. Zo de loonmatigingsbijdrage, die goed is voor 45 procent van het werkloosheidsbudget. Dat is een sociale werkgeversbijdrage, maar kan met evenveel recht een inspanning van de werknemers heten. Want het gaat om de voortzetting van de indexinleveringen uit de jaren tachtig. De zo geprezen alternatieve financiering, met een deel van de BTW-inkomsten en de energietaks, vertegenwoordigt twintig procent. Lieve De Lathouwer concludeert bijgevolg : ?Sinds begin jaren tachtig werd de werkloosheidsverzekering in toenemende mate gefinancierd door heffingen op arbeid. Vanwege het sterke solidariteitsprincipe aan de uitkeringszijde verliezen de sociale bijdragen evenwel hun karakter van verzekeringspremie en worden ze steeds meer een eenvoudige belasting op arbeid.? Guido Despiegelaere Een kleine helft van het werkloosheidsgeld gaat naar niet-werkzoekenden.De werkloosheidsverzekering remt de armoede af.