Werkgevers geven werk en werknemers nemen werk. Zo eenvoudig luidt het in de arbeidswetgeving. Maar de werkelijkheid is complexer. De werkgever geeft geen werk zoals een bloedgever zijn bloed. Hij heeft mensen nodig die in zijn onderneming werken. Hij vraagt hulp om dingen in zijn fabriek of op zijn kantoor gedaan te krijgen. De werk-gever biedt werkgelegenheid. De werknemer neemt geen werk, hij levert werk (tegen betaling). De sollicitant die van het uitzendkantoor naar de bedrijfsbalie sukkelt, geeft niet de indruk werk te nemen. Hij biedt zijn prestaties aan. De werkgever is dan werknemer en de werknemer werkgever.
...

Werkgevers geven werk en werknemers nemen werk. Zo eenvoudig luidt het in de arbeidswetgeving. Maar de werkelijkheid is complexer. De werkgever geeft geen werk zoals een bloedgever zijn bloed. Hij heeft mensen nodig die in zijn onderneming werken. Hij vraagt hulp om dingen in zijn fabriek of op zijn kantoor gedaan te krijgen. De werk-gever biedt werkgelegenheid. De werknemer neemt geen werk, hij levert werk (tegen betaling). De sollicitant die van het uitzendkantoor naar de bedrijfsbalie sukkelt, geeft niet de indruk werk te nemen. Hij biedt zijn prestaties aan. De werkgever is dan werknemer en de werknemer werkgever. Werkgever en werknemer bevinden zich op de arbeidsmarkt, gedomineerd door vraag en aanbod. Wie vraagt werk en wie biedt werk aan? Als op die markt spanningen ontstaan, heet het dat de vraag van de werkgevers naar arbeid niet wordt voldaan. Vandaag klaagt het werkgeversverbond, ondanks de hoge werkloosheid, over een ontoereikend arbeidsaanbod. De werkgever als vrager en de werknemer als aanbieder. Onze Franstalige landgenoten, die minder besmet zijn door de Duitse Arbeitgeber en Arbeitnehmer hebben het over employeur en employé. Net zoals in de taal van het human resources management de werkgever een employer is, en de werknemer een employee. Dat slaat op heel wat anders dan geven en nemen. Het gaat over werk: het gebruik en de uitvoering daarvan. Is dat allemaal wel belangrijk? Niet echt, het taalgebruik heeft zijn rechten. Maar de sociaalrechtelijke definities zaaien enige verwarring. Dat de werkgever werk creëert en dan geeft. Zo wordt hij verantwoordelijk gesteld voor arbeidsplaatsen. Volgens de vakbonden scheppen de werkgevers onvoldoende werkgelegenheid, en schieten zij zo tekort in hun verplichtingen. Alsof de werkgevers moeten instaan voor de volledige tewerkstelling. De mensheid is niet ingedeeld in werkgevers en werknemers. Er zijn wel rijken en armen, maar dat is een ander onderscheid. De werkgevers behoren niet noodzakelijk tot de rijken. Al maken ze wel meer kans dan werknemers om rijk te zijn. Maar daar gaat het niet eens om. De feitelijkheid is dat wie als werkgever wordt omschreven, ondernemer en bijgevolg ook employeur is. Hij heeft arbeid nodig zoals hij kapitaal van doen heeft. Hij onderneemt, niet om werk te geven, maar om geld te verdienen - misschien zelfs inderdaad om rijk te worden. Het scheppen van arbeidsplaatsen is slechts een gevolg van het ondernemen. Geen enkel bedrijf investeert om werk te geven. Integendeel: investeringen leiden vaak tot een verlies aan arbeid en de aandelenbeurzen herwinnen hun vertrouwen in bedrijven die aankondigen voortaan minder werk te geven. Ondernemen is een onderdeel van het maatschappelijke leven. Iedereen kan ondernemen, de ene wat gemakkelijker dan de andere en met meer kansen op succes dan de andere. De loodgieter met één werkkracht is ook een werkgever. Ondernemen kan geen verplichting zijn. Toch kan de markt van werk geven en werk nemen - in welke volgorde die definities ook worden gebruikt - alleen floreren als meer ondernomen wordt. Het stimuleren van de ondernemingszin is geen overbodige luxe in een werkgelegenheidsbeleid. Het maakt er zelfs de essentie van uit. Guido Despiegelaere