Ondanks de emancipatie neemt het armoederisico bij vrouwen toe. Waarom ? En : wie zijn die arme vrouwen ? Twee gesprekken.
...

Ondanks de emancipatie neemt het armoederisico bij vrouwen toe. Waarom ? En : wie zijn die arme vrouwen ? Twee gesprekken.?Bestrijding van de armoede? was het thema van de Verenigde Naties in '96. Naar aanleiding daarvan publiceerde Steunpunt Women's Studies en de Nederlandstalige Vrouwenraad een boek met onderzoeken over armoede bij vrouwen in België. Daaruit blijkt dat ons land een benijdenswaardige positie heeft, op wereldvlak. België staat op de twaalfde plaats op de ranglijst van de Human Development Index (HDI), die landen rangschikt volgens levensverwachting, alfabetisering, scholingsniveau en bruto binnenlands product (BBP) per inwoner. De Gender Development Index (GDI) geeft op basis van dezelfde criteria de verschillen tussen mannen en vrouwen aan. De GDI van België is veertien. Er bestaat dus een vrij grote gelijkheid van mannen en vrouwen, in de armoedecijfers zien we slechts een lichte oververtegenwoordiging van vrouwen : twee procent. ?Lang niet slecht,? zegt Bea Cantillon. ?Maar belangrijker dan cijfers na de komma is de interpretatie ervan, en het onderkennen van onderliggende structuren en tendensen.? Bea Cantillon is doctor in de politieke en sociale wetenschappen, professor aan UIA en Ufsia (Antwerpen), CVP-senator en directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB). Sinds een twintigtal jaar houdt dat centrum steekproeven onder de bevolking om de verdeling van de inkomsten te kennen. Armoede is moeilijk meetbaar, welke norm gebruikt u daarvoor ? BEA CANTILLON : Er zijn subjectieve normen die uitgaan van de mensen zelf, en er is een wettelijke norm, die van de sociale zekerheid. Dat is een politieke keuze : het bedrag dat de staat bereid is te betalen aan armen, zonder te hebben onderzocht wat men werkelijk nodig heeft om te overleven. Voor de statistische EU-norm die wij en andere rijke, geïndustrialiseerde landen hanteren, is er een minimumgrens afgesproken : je bent arm als je inkomen kleiner is dan de helft van het gemiddelde gezinsinkomen in het land. Welke evolutie merkt u na twintig jaar ? CANTILLON : In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, neemt de armoede in België niet toe. In de rijke, geïndustrialiseerde landen blijft de armoede stabiel, maar er zijn notoire uitzonderingen : Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Volgens de EU-norm telt België nog steeds zes procent armen, in de Verenigde Staten is dat cijfer opgelopen tot 23. Als je de verschillende naties met elkaar vergelijkt, merk je één constante : een omvangrijke dus dure sociale zekerheid staat garant voor weinig armoede. De VS hebben nooit een dergelijk stelsel uitgebouwd, in Groot-Brittannië werd het afgebouwd ten tijde van Margaret Thatcher, en dat verklaart de hoge armoede. In de Verenigde Staten wordt de kloof tussen arm en rijk almaar dieper. Is dat hier ook zo ? CANTILLON : In mindere mate. Bovendien is er vaak compensatie in het gezin. Wie een klein inkomen heeft, kan een partner hebben die nog bijverdient. Kleine inkomens worden vaak aangevuld met het volwaardig loon van een partner. Als de armoede hier stabiel blijft, heeft België dan zo'n sterke sociale zekerheid ? CANTILLON : Ja. Het mag een wonder heten dat die oude instelling bleef functioneren. De afgelopen twintig jaar is er een enorme economische en sociale omwenteling aan de gang, die te vergelijken is met de overgang van een landbouwsamenleving naar een geïndustrialiseerde. Nu beleven we de revolutie van een industrie- naar een diensteneconomie. Onze sociale zekerheid ontstond tijdens de vorige economische omwenteling, als een instrument om de problemen van arbeiders op te lossen. Bovenop die economische veranderingen moet de samenleving zich nog volop aanpassen aan de emancipatie van de vrouw, ongetwijfeld de belangrijkste sociale evolutie van de afgelopen vijftig jaar. De samenleving is erg veranderd, en als de basis evolueert, moét de sociale zekerheid volgen, maar zo'n groot en log stelsel wijzig je niet van vandaag op morgen. Door al de vrouwen die plots op de werkvloer verschenen, werden de krachten verdubbeld : vele handen zouden het werk licht maken, dacht men hoopvol. CANTILLON : Het optimisme van destijds ging aan enkele zaken voorbij. Het onomkeerbare proces van de emancipatie heeft zeer zware gevolgen. Als de beroepsbevolking groeit, zijn er twee mogelijkheden : of je creëert meer jobs, of er komt meer werkloosheid. Het eerste fenomeen deed zich voor in de VS. Omdat er daar geen sociale zekerheid bestaat, zochten mensen werk, ook als het werd onderbetaald. Werkgevers boden veel van dat soort banen aan, omdat er vraag naar was. Met onze gewaarborgde minimumlonen en redelijke sociale uitkeringen is dat niet nodig geweest, in België steeg dus de werkloosheid. Dankzij die bescherming steeg de armoede niet. In landen waar er meer jobs bijkwamen wel. Er was voorspeld dat méér vrouwen op de arbeidsmarkt de inkomenskloof tussen mannen en vrouwen zou dichten. In welke mate is dat gebeurd ? CANTILLON : Het grote verschil tussen mannen en vrouwen verplaatste zich naar verschillen tussen hoog- en laaggeschoolden van beide geslachten. De ongelijkheid tussen hooggeschoolde mannen en vrouwen krimpt : van '85 tot '92 stegen de lonen van vrouwelijke universitairen met twaalf procent, die van hun mannelijke collega's met vijf. Op dat niveau groeien de lonen naar elkaar toe. Bij laaggeschoolden is het omgekeerd : tijdens dezelfde periode wonnen ook laaggeschoolde mannen vijf procent, maar laaggeschoolde vrouwen verloren twaalf procent. Bij laaggeschoolden wordt de kloof tussen mannen en vrouwen nog breder. Vooral de ongelijkheid van de vrouwen onderling tekent zich scherper af. Ondanks de sterk gestegen vrouwelijke scholings- en activiteitsgraad neemt het armoederisico onder vrouwen niet af. Dat is toch merkwaardig ? CANTILLON : Het is paradoxaal : dat risico neemt zelfs toe. De emancipatie is bijna gerealiseerd in de hogere segmenten van de samenleving, maar niet in de lagere. Maar ook tussen geschoolde, werkende vrouwen bestaan grote verschillen. Door de emancipatie bepalen tweeverdieners de welvaartsnorm, zij bevinden zich op de eerste rij voor de inkomstenverdeling, terwijl een gescheiden vrouw of alleenstaande moeder als enige de lasten draagt. Het gemiddeld gezinsinkomen steeg met elf procent tussen '85 en '92, het individuele met zes. Eénverdieners en alleenstaanden zijn, vooral als ze kinderen hebben, teruggedrongen tot lagere inkomenscategorieën. De internationale trend van feminisering van de armoede is nauwelijks terug te vinden in de Belgische realiteit : amper twee procent méér arme vrouwen. Is die feminisering van de armoede dan een mythe ? CANTILLON : Dat zou ik niet zo durven stellen, maar ik sta wat huiverig tegenover die term. Bij het woord feminisering gaat de aandacht vrijwel exclusief naar alleenstaande vrouwen. Om te beginnen naar bejaarde vrouwen. Hun situatie werd aanzienlijk beter omdat ze meer pensioen kregen, maar het inkomen van oudere alleenstaande vrouwen is nog steeds negen procent lager dan dat van gepensioneerde mannen. Afgezien daarvan zijn er de alleenstaande moeders. In vergelijking met de Verenigde Staten komen jonge ongehuwde moeders hier zelden voor, en de eenoudergezinnen zijn hier te gedifferentieerd om ze met kansarmoede gelijk te stellen. In ons land heeft acht procent van de eenoudergezinnen in vier op vijf gevallen een alleenstaande moeder een inkomen dat lager is dan de EU-norm. De oorzaken daarvan zijn niet ver te zoeken : ze moeten rondkomen met één inkomen. Als ze er al een hebben, want één op drie van die vrouwen heeft geen betaalde baan, omdat ze die ook niet had toen ze nog getrouwd was. Als ze wel een baan heeft, verdient ze gemiddeld 27.000 frank per maand, dat is minder dan de helft van een mannenloon. Amper de helft van wettelijke gescheiden moeders ontvangt alimentatie van haar ex, omdat onderhoudsgelden niet werden toegekend tijdens de echtscheidingsprocedure, of omdat ze niet betaald worden, uit onwil of uit onmacht. Komt daarbij dat de uitkeringen van de sociale zekerheid voor gescheidenen laag zijn : weduwschap is een erkend risico, echtscheiding niet. Maar bejaarde vrouwen of alleenstaande moeders vormen een minderheid van de bestaansonzekere vrouwen. Er is een veel grotere groep die vergeten wordt : 82 procent van alle arme vrouwen zijn thuiswerkend en leven in een traditioneel gezinsverband. Zij komen niet voor in de statistieken van de armoede, omdat daar de mannelijke gezinshoofden worden geteld. Die man is natuurlijk even arm als zijn thuiswerkende vrouw, maar op haar wegen de lasten van de armoede wellicht zwaarder, omdat ze dagelijks wordt geconfronteerd met het tekort in haar portemonnee. Zijn thuiswerkende vrouwen niet een met uitsterven bedreigd ras ? CANTILLON : De groep huisvrouwen wordt inderdaad steeds kleiner, maar is buitenproportioneel vertegenwoordigd in de lage inkomensgroepen. De overblijvende vijftien procent vrouwen zonder eigen inkomen zijn bijna uitsluitend laaggeschoolde moeders van drie of meer kinderen. De dag dat het huwelijk van zo'n vrouw uitloopt op een echtscheiding, is de kans zeer groot dat ze het erg moeilijk krijgt omdat ze geen beroepsstatuut of -ervaring heeft, en altijd economisch afhankelijk is geweest. Hooggeschoolde vrouwen daarentegen zijn bijna allemaal beroepsactief, ook als ze veel kinderen hebben. Niet onlogisch : ze vinden werk, verdienen meer, hebben betere werktijden en leuker werk. De baten wegen op tegen de lasten, ze kunnen flexibele kinderopvang en een poetsvrouw bekostigen. De scholingsgraad is de belangrijkste bron van variatie in de arbeid. Bijna de helft van de beroepsbevolking heeft hoogstens een diploma lager middelbaar, van hen is slechts de helft aan het werk. Een op vier Belgen heeft een diploma hoger onderwijs, van hen heeft bijna iedereen werk. Maar van alle vrouwen met een inkomen werkt slechts 41 procent fulltime. De meerderheid werkt deeltijds of is afhankelijk van een uitkering. Bij laaggeschoolden ontstaat een typisch vrouwelijk arbeidspatroon met veel deeltijdwerk en werkloosheid. Bij hooggeschoolden is dat patroon veel minder uitgesproken. En dat terwijl de vrouwenbeweging zoveel principiële bezwaren had of heeft tegen deeltijdarbeid omdat die slecht betaald is, geen doorstroommogelijkheden biedt en weinig verantwoordelijkheid. CANTILLON : Ook daar is iets over het hoofd gezien. Men dacht dat, door vrouwen aan te moedigen financieel zelfstandig te worden, automatisch de rolverdeling binnen het gezin zou veranderen. Maar dat gaat niet zonder slag of stoot, en het verloopt veel trager dan verhoopt. De emancipatie heeft een serieuze impact op individuele gezinnen en de man-vrouw-relaties. Mannen weten niet meer waar ze staan, vrouwen klagen over een dubbele dagtaak. Scandinavië was vooruitziend genoeg om te bedenken dat arbeid verschuift, als vrouwen massaal uit werken gaan. Vrouwen op de arbeidsmarkt creëren toch ook jobs ? Waar blijft anders al dat werk dat ze thuis deden ? Ofwel cumuleren ze het wassen, strijken en koken met hun werk buitenshuis, ofwel besteden ze het uit en betalen ervoor. Het vermarkten van de thuisarbeid, zoals dat heet, zou tal van jobs verschaffen, zeker aan laaggeschoolden. De veelvuldige deeltijdse arbeid van vrouwen is een onderdeel van de evolutie. De nieuwe taakverdeling thuis zal volgen, daar ben ik van overtuigd. Op een bepaald ogenblik zullen mannen ook graag deeltijds werken. Ooit zullen ze inzien wat ze missen : het leven is veel meer dan werken, een hoge positie en status. Mijns inziens is daar een belangrijke taak weggelegd voor de overheid. Nu streeft het beleid te eng naar een gelijke behandeling van mannen en vrouwen, maar het negeren van de verschillen tussen mannen en vrouwen is een verlies voor beide geslachten. We moeten eindelijk de verschillen erkennen en ze valoriseren. Ik geloof dat mannen nu aan de beurt zijn voor een emancipatie. Dat kan, bijvoorbeeld, door een ouderschapsverlof in werking te stellen waarvan ook jonge vaders mogen genieten, zoals dat in Scandinavië al bestaat. Mogen, niet moeten. Nemen ze die vrije tijd niet op, dan zijn ze die kwijt : de vrouw kan hem niet overnemen. Ouderschapverlof zou voor mannen een mooie aanwinst zijn, en voor hun gezinnen. Ik pleit zelfs voor een veralgemening van het feitelijk recht op loopbaanonderbreking voor mannen en vrouwen, met een uitkering. Pleit u nu voor een opvoedingsloon ? CANTILLON : Ja, onder een dubbele voorwaarde. Ten eerste moet je ook een tegemoetkoming garanderen aan werkende ouders met jonge kinderen om de kosten voor kinderopvang te dekken, anders benadeel je de mensen die blijven doorwerken. Ten tweede : die uitkering is tijdelijk, of je stimuleert anderen vooral laaggeschoolden om voorgoed thuis te blijven, en dus financieel afhankelijk.? VERHALEN ACHTER DE CIJFERSOp het departement Politieke en Sociale wetenschappen van de UIA werkt Kristel Driessens aan een doctoraal over ?Armoede en Hulpverlening.? Buigt Cantillon zich over cijfers en interpretaties, dan houdt Driessens zich vooral bezig met de verhalen van mensen achter die cijfers. Kwalitatief onderzoek, heet dat. Ze interviewde arme gezinnen, en overal vond ze dezelfde ingrediënten : inkomensproblemen, lage scholing, geen tewerkstelling, slechte huisvesting, achterstand van kinderen op school. KRISTEL DRIESSENS : In België leeft slechts een zeer klein deel van de bevolking permanent in armoede. De meesten zijn tijdelijk arm, door een echtscheiding, een faling, ouderdom... Maar sommigen leven generaties lang in armoede. Ze leren onderdanig gedrag aan, en dat houdt hen ondergeschikt. Die gedrags- en denkpatronen geven ze door van vader op zoon, van moeder op dochter. Bij kinderen van arme mensen is er een bijna automatische drainage naar het bijzonder onderwijs. Vinden ze school dan niet belangrijk ? DRIESSENS : Zeer belangrijk, maar dat neemt af naarmate de kinderen groter worden. Hun kinderen worden op school vaak gepest en uitgesloten, omdat ze geen modieuze kleren hebben, of niet de juiste boekentas. Velen gaan dus niet graag naar school. De ouders durven niet te protesteren tegen de pesterijen, en ze gaan ook niet naar oudercontactavonden, uit vrees dat ze weer zelf van alles de schuld krijgen : niet op tijd geld meegeven, zwembroek niet in orde, niet helpen met huiswerk. Vooral de vrouwen zijn bang voor een veroordeling : ze willen per se goede moeders zijn. Daarom zijn ze vaak geneigd tot verwennen. Ze willen hun kinderen alles geven, maar een dagje naar zee of naar de zoo is financieel onmogelijk. Snoep geven kan wel, en ook : heel veel door de vingers zien. Ze willen vooral lief zijn, en niet straffen, met als gevolg dat hun kroost ze vaak boven het hoofd groeit. Voor mannen is het anders : een goede vader is een strenge vader, die de regels stelt en straft. Bij arme mensen met weinig scholing leven de traditionele rollenpatronen nog zeer sterk. De ultieme droom van moeder aan de haard, vader aan de lopende band ? DRIESSENS : Zoiets, ja. Arme gezinnen hebben zelden twee inkomens. Nog geen vijf procent van de arme vrouwen werken. Als ze iets gestudeerd hebben, is het naaien en knippen, omdat in hun ogen een goede huismoeder moet kunnen koken en naaien. Ze werkt buitenshuis tot ze kinderen heeft, daarna is de kost verdienen de taak van de man, terwijl zij voor het kroost zorgt. Maar jobs voor laaggeschoolde mannen zijn niet dik gezaaid. Vroeger vonden ze er wel wat op : ze sukkelden van de ene job naar de andere, ze deden wat klussen hier of daar. Nu vinden ze helemaal geen werk meer. Ze kunnen de eisen niet aan die de arbeidsmarkt vandaag stelt. Voor laaggeschoolde mannen is er enkel zeer zwaar werk, en de meesten van hen hebben daardoor erge rugklachten. Twee weken of een maand werken, dat lukt nog wel, langer kunnen ze het lichamelijk niet aan. Maar zo'n man heeft ook zijn trots : als hij niet kàn werken, verdraagt hij het maar moeilijk dat zijn vrouw werkt. Zij mag misschien wel een beetje bijverdienen, maar het hoofdinkomem moet van hem komen. Liever arm dan een werkende vrouw ? DRIESSENS : Het ideaalbeeld van vader als kostwinner en moeder als huisvrouw, is voor velen onbereikbaar, maar het stuurt vaak hun denken en doen. Bij mannen leidt dit tot conflicten, frustraties, vlucht uit de werkelijkheid echt weglopen of vluchten in de drank. In het beste geval nemen mannen een nieuwe rol op zich. Ze zorgen, bijvoorbeeld, voor de taken buitenshuis : kinderen halen en brengen, de diensten aflopen. En dat zijn er heel wat. Een onstabiel bestaan, en de afhankelijkheid van diensten en uitkeringen, maakt het leven vreselijk ingewikkeld, ze worden van het kastje naar de muur gestuurd voor een stempel hier, een formulier elders. Vaak kennen ze hun eigen rechten niet, ook daarvoor zijn ze afhankelijk van de goodwill van hulpverleners. Zijn de vrouwen uit uw onderzoek echt zo afkerig van werk buitenshuis ? DRIESSENS : Ik heb maar weinig vrouwen ontmoet die niet willen werken. Ze willen wel, op voorwaarde dat het te combineren is met hun gezin. Dat wil zeggen : zelf de kinderen naar school kunnen brengen, en ze zelf weer ophalen. En het moet ook financieel iets opleveren natuurlijk. Als ze deeltijds werken, wordt dat gewoon van hun uitkering afgetrokken. Waarom zouden ze dan ? Toch worden ze vaak verplicht tot werken, volgens het beruchte artikel 60. DRIESSENS : Artikel 60 is een maatregel van het OCMW, om mensen de kans te geven hun recht op een werkloosheidsuitkering weer op de bouwen die groter is dan het bestaansminimum van het OCMW. Daartoe worden ze tewerkgesteld in de eigen OCMW-ziekenhuizen of -bejaardentehuizen, op klusjesdiensten of als poetshulp. Het OCMW kan hen daartoe verplichten, onder dreiging van schorsing. En als je bij het OCMW uit de boot valt, is er niets meer. Daar heb ik wel bedenkingen bij. Werkbereidheid is hoe dan ook een voorwaarde voor een uitkering. Voor een werkloosheidsuitkering is dat logisch, voor een bestaansminimum veel minder, lijkt het mij. In de toepassing van artikel 60 stellen we een positieve discriminatie van vrouwen vast, ze hebben blijkbaar meer jobs voor hen. Die discriminatie zorgt ook voor wrijvingen in de gezinnen. Als een vrouw tot werken wordt verplicht, vraagt haar man : ?Waarom zoeken ze geen job voor mij ? Ik ben toch de kostwinner ?? En wat gebeurt er ? Na twee weken geeft de vrouw haar werk op omdat het thuis niet te houden is en ze verliest haar uitkering. Voor vrouwen botst de oplossing die door het beleid naar voren wordt geschoven, namelijk uit werken gaan, niet alleen met haar rollenpatroon, maar ook met het gebrek aan kinderopvang. Er zijn kinderdagverblijven, maar die schieten tekort wat betaalbaarheid en flexibiliteit betreft. Wie werkt onder artikel 60, werkt voltijds en volgens de noden van de instelling. Vaak is dat 's avonds, of 's morgens heel vroeg, en dan is er geen officiële kinderopvang. Kinderdagverblijven zijn er enkel voor vijf dagen per week, van negen tot vijf, en andere opvang is met een bestaansminimum onbetaalbaar. Een ander nadeel van artikel 60 : eens ze het verplichte aantal dagen hebben volgemaakt, is het meestal afgelopen en vliegen ze eruit om plaats te maken voor de volgende. Terug in de werkloosheid en thuis zitten niksen. Misschien biedt artikel 60 wel oplossingen voor de instellingen, minder voor de mensen zelf. De keerzijde van het positieve van de dienstverlening is dat ze vaak bestraffend en belerend, disciplinerend en culpabiliserend optreedt. Om te komen tot oplossingen die voor de betrokkenen aanvaardbaar zijn, moeten beleidsverantwoordlijken en hulpverleners de denk- en leefwereld van armen leren kennen en respect opbrengen voor hun situatie. Beleid en hulpverleners streven ernaar vrouwen economisch onafhankelijk te maken, maar dat verlangen leeft niet bij deze groep. De hulpverlening werkt te individueel, op de vrouw apart, de man apart : veel te weinig op maat van de gezinnen. Volgens mij mag je emancipatorisch werken, maar om dat te bereiken, vertrek je best vanuit de bestaande situatie en in overleg met de betrokkenen. Griet Schrauwen Bea Cantillon : De welvaartsnorm wordt bepaald door tweeverdieners. Kristel Driessens : Bij arme mensen leven de traditionele rollenpatronen zeer sterk. Sommigen leven generaties lang in de armoede. Ze leren onderdanig gedrag aan.