De controlepost Halhoul op de Westelijke Jordaanoever, met op de achtergrond de contouren van de vijfduizend jaar oude stad Hebron. De militaire post, met zijn uitkijktoren, prikkeldraadversperringen, rijen vermoeide voetgangers en vrachtwagens en Israëlische soldaten die eindeloos de pasjes checken, is voor Palestijnen de enige toegang tot de stad.
...

De controlepost Halhoul op de Westelijke Jordaanoever, met op de achtergrond de contouren van de vijfduizend jaar oude stad Hebron. De militaire post, met zijn uitkijktoren, prikkeldraadversperringen, rijen vermoeide voetgangers en vrachtwagens en Israëlische soldaten die eindeloos de pasjes checken, is voor Palestijnen de enige toegang tot de stad. Je moet hier geweest zijn om het te kunnen geloven. Iedere toerist in Israël met op zijn programma een bezoek aan de oude stad Jeruzalem en de stranden van de Middellandse Zee zou verplicht een uur van Hebron moeten proeven. Met 130.000 Palestijnen en zeshonderd Joden in de binnenstad, en zesduizend Joden in de buitenwijk Kiryat Arba, beschermd door 1400 Israëlische militairen, verkeert de stad in permanente staat van oorlog. Onder het motto 'oog om oog, tand om tand' bestrijden burgers elkaar, worden schoolkinderen met stenen bekogeld, oude mannen in elkaar getrapt, baby's vermoord en vrouwen geterroriseerd. Aan beide kanten vallen slachtoffers, maar de Joodse burgers worden door het leger beschermd terwijl de Palestijnen aan hun lot zijn overgeleverd. Elke geweldsdaad - door Joden of Palestijnen gepleegd - leidt tot represailles van het leger. 'Welkom in Hamasstad' staat er op het vrolijk wapperende spandoek, met een foto van een Hamasstrijder met karabijn. Eronder wacht onze gids, Suzanna, de Zwitserse monitor van de TIPH (Temporary International Presence in Hebron), een internationale organisatie die bij de Oslo-akkoorden in het leven is geroepen om de gebeurtenissen in Hebron te registreren. Er gaat geen dag voorbij of Suzanne wordt door Joodse kolonisten en Palestijnen met stenen bekogeld. De ruiten van haar auto zijn al lang vervangen door plastic platen. Het lijkt alsof Hebron nauwelijks adem durft te halen. In sommige wijken leven de Palestijnen en Joden op nog geen tien meter van elkaar, maar contact is er niet. Op elke hoek en op de huizendaken staan groepjes Israëlische soldaten. Via een smalle opening in betonnen blokken passeren we de grenslijn tussen het gebied H2, dat door het Israëlische leger wordt bestuurd, naar H1, het Palestijnse gebied. 'Het leger heeft nog altijd de controle over H1', reageert Suzanne. 'Met de veiligheid van de kolonisten als argument doen ze huiszoekingen bij de Palestijnen.'Voor een antiek gebouw - de Ibrahimi-moskee voor de moslims en het graf van de aartsvaders voor de joden - stoppen twee toeristenbussen. Amerikaans-Joodse toeristen, uitgerust met digitale camera's en met keppeltjes op het hoofd, lopen naar binnen. 'Vandaag is het de joodse bezoekdag', vertelt de buschauffeur. 'Er is een apart bezoekschema voor joden en moslims.'3700 jaar geleden kocht Abraham, de aartsvader van joden en moslims, deze plaats voor 400 sjekels als zijn familiegraf. Dit is de enige gezamenlijke bedevaartsplaats ter wereld, voor joden en moslims. Beiden leggen er een onvoorwaardelijke claim op. En dit eeuwenoude dispuut, maakte van Hebron een religieus strijdtoneel. In 1994 sloop Baruch Goldstein, een kolonist van de Joodse buitenwijk Kiryat Arba, de trappen van de Ibrahimi-moskee op en schoot 29 in gebed verzonken Palestijnen neer. Daarop werd hij zelf doodgeschoten. Goldstein is voor de extreem-orthodoxe beweging een held. In 2002 herhaalde de actie zich aan de andere kant. Palestijnse scherpschutters schoten er twaalf Joden dood. In de oude binnenstad met haar labyrint van kleine steegjes en binnenplaatsjes is het alsof je in een donkere tunnel bent, want boven de straat hangen ijzeren hekken met daarin een opmerkelijke verzameling van potjes pindakaas, blikjes tonijn, melkpakken, vieze Pampers en stenen. Dit is het huisvuil dat de Joodse bewoners van de nederzetting, die op het Palestijnse winkelcentrum is gebouwd, de afgelopen maand op hun winkelende Palestijnse buren hebben gestort. Vele luiken van winkeltjes zijn naar beneden. Het constante gepest jaagde de winkeliers weg. De Al Shuhada-straat (Martelaren- straat) loopt dwars door het H2-gedeelte van de stad. Dit wordt het gevaarlijkste gedeelte van de stad genoemd. 'Als je niet oppast, word je met stenen bekogeld.'Dat zegt Jehuda, een orthodoxe Jood die tot 2004 commandant was van het vijftigste Israëlische Nahal-bataljon in Hebron. Onlangs richtte hij de organisatie 'Breaking the Silence' op, een actiegroep van soldaten die de militaire situatie in de bezette gebieden belicht. Ooit was de Al Shuhada de Palestijnse Champs Elysées. Inmiddels zijn er vier Joodse nederzettingen gebouwd en Palestijnen worden gedoogd, maar komen er in de praktijk nauwelijks. Aan de overkant rent een groep Israë- lische soldaten in gevechtsuitrusting naar de Palestijnse wijk Al Rumeida. 'Eén keer per week doen de soldaten huiszoekingen in Palestijnse woningen. Afschuwelijk, gezinnen worden bruut opgeschrikt. Sommigen zitten aan de lunch, anderen liggen te slapen', legt Yehuda uit. Hij herinnert zich de gevoelens van angst en schaamte. 'Als soldaat zit je tussen de kolonisten en de Palestijnen in, maar we kregen instructies om de kolonisten te beschermen. We mochten hen onder geen beding aanraken. Hier in deze steeg zag ik vijf kolonisten een oude Palestijnse man molesteren. Ik kwam tussenbeide. De kolonisten begonnen mij te slaan, maar ik mocht niets terugdoen.'Er zijn ook Palestijnse scherpschutters die op de soldaten schieten. Jehuda raakte bij een van die vuurgevechten gewond. 'Maar na elk incident volgden represailles van het leger en moesten de Palestijnse burgers het ontgelden. Wij vernielden huizen, sloten wijken af met prikkeldraad, vestigden uitkijkposten op privé-huizen.'Sommige soldaten doen volgens Jehuda wel zeven maanden dienst in deze hel. Zelf was hij hier bijna drie jaar: 'Je raakt gefrustreerd, je wordt woedend als een van je maten wordt vermoord of gewond raakt. Je doet mee om je land te dienen. Maar op een gegeven moment verloor ik dat geloof. Ik schaamde me voor het machtsgevoel dat het geweer mij gaf. Ik wil mijn land beschermen, maar het systematisch vernederen van mensen behoort niet tot mijn taak als militair.'Het is twaalf uur. De Palestijnse lagere school is gedaan. Kinderen in blauwe schooluniformen rennen door de Al Shuhada-straat, de enige weg naar huis. Op de hoek wachten Europese vrijwilligers van het 'Christian Peacemaker Team' om hen te begeleiden. 'Bijna dagelijks worden de kinderen met stenen bekogeld', vertelt Laura, van de vrijwilligers. We volgen het meisje Abir (4) op haar weg naar huis in Al Rumeida. Alleen Palestijnen die in de wijk wonen, mogen via de speciale controlepost met metaaldetectoren naar binnen. Abir kan nooit vriendinnetjes mee naar huis nemen en de ooms en tantes die buiten Al Rumeida wonen, heeft ze al maanden niet gezien. Van de oorspronkelijke 500 inwoners blijven er nog 50 over. Kolonisten hebben voor Abirs huis een flatgebouw gebouwd en zo de weg naar haar huis afgesneden. Via een kronkelend bergpad, dat nauwelijks breed genoeg is voor een volwassene, klimmen we naar boven. Ze legt haar vinger op de lippen. Je moet hier heel stil zijn en dicht langs de stenen muur lopen, die wat bescherming biedt tegen de kolonisten, gebaart Abir. Op het dak van haar huis is een legerpost gebouwd. Bij de ingang liggen hopen huisvuil, die door Joodse buren naar beneden zijn gegooid. Via de achterdeur gaat Abir naar binnen. Het is er donker. Haar ouders hebben de ramen van de kinderkamers met ijzeren platen dichtgemaakt. 'Ik kan zelfs mijn wasgoed niet meer buitenhangen, want de soldaten urineren op alles wat ik buitenzet', vertelt Waál, de moeder van Abir. 'Maar weet je: alles went.'Het kan altijd nog erger. Lees het verhaal van Kosai maar eens. Op 3 september 2005 bereidt ze de lunch, ze is bijna vijf maanden zwanger van een tweeling. Haar man werkt in Ramallah en haar twee kinderen zitten op school. Plotseling hoort zij gebonk op de voordeur. Iemand met een Hebreeuws accent roept in het Arabisch: 'Open de deur.'Kosai: 'Ik dacht dat het soldaten waren, maar toen ik door het raampje naast de voordeur gluurde, zag ik zeven gewapende kolonisten. Ze beukten met hun geweren op de deuren en ramen. Kolonisten treiterden ons wel vaker maar nooit zo agressief. Ik was doodsbang.'Kosai valt op de grond en kruipt als een tijger naar de slaapkamers. Ze checkt of alle deuren en ramen vergrendeld zijn. Het gebonk wordt oorverdovend. Ze voelt een hevige pijnscheut in haar onderbuik. Haar jurk zit vol bloed. Uit angst voor de kolonisten durft ze niet om hulp te roepen. Ze blijft liggen tot het lawaai ophoudt. Een halfuur later komt haar oudste zoon (10) van school. Zij heeft intussen haar eerste miskraam. 'Ik begreep dat ik met spoed naar het ziekenhuis moest. Maar hoe? Een ambulance kan hier niet geraken', vertelt Kosai met zachte stem. Ondersteund door haar zoon strompelt Kosai het rotsachtige bergpaadje af en loopt naar het ziekenhuis, waar zij haar tweede miskraam krijgt. De Israëlische mensenrechtenorganisatie Btselem is voor Kosai een actie begonnen om schadevergoeding te krijgen. Kosai haalt verdrietig haar schouders op. Haar tweeling krijgt ze niet terug. 's Avonds meldt de Israëlische nieuwslezer op het tweede net dat een Palestijnse terrorist een Israëlische soldaat bij een controlepost in Hebron heeft neergestoken. Een deskundig panel bediscussieert de situatie. Moet het Israëlische leger zich terugtrekken? Moeten de kolonisten uit Hebron worden geëvacueerd? Het panel komt niet tot een oplossing. Voorlopig wordt de oude Palestijnse binnenstad na deze terreurdaad door het leger hermetisch afgesloten. Door Simone Korkus