'Als allochtonen vandaag hun naam veranderen, moeten ze morgen misschien hun haar kleuren of hun huid bleken. Dat is puur zelfbedrog.' Senator Fatma Pehlivan (SP.A), zelf van Turkse afkomst, is niet te spreken over het voorstel van haar Gentse collega Meryem Kaçar (Agalev). Die had een wel heel simpel antwoord op discriminatie van allochtonen: maak het ze gemakkelijker om hun naam te veranderen, dan worden ze op basis daarvan alvast niet meer gediscrimineerd. 'Allochtone politici hebben een enorme verantwoordelijkheid. Dus moeten we vooral geen domme voorstellen indienen', aldus Pehlivan.
...

'Als allochtonen vandaag hun naam veranderen, moeten ze morgen misschien hun haar kleuren of hun huid bleken. Dat is puur zelfbedrog.' Senator Fatma Pehlivan (SP.A), zelf van Turkse afkomst, is niet te spreken over het voorstel van haar Gentse collega Meryem Kaçar (Agalev). Die had een wel heel simpel antwoord op discriminatie van allochtonen: maak het ze gemakkelijker om hun naam te veranderen, dan worden ze op basis daarvan alvast niet meer gediscrimineerd. 'Allochtone politici hebben een enorme verantwoordelijkheid. Dus moeten we vooral geen domme voorstellen indienen', aldus Pehlivan. Vorige week ergerde ze zich nog meer toen haar eigen partijgenoot Robert Voorhamme een volgens haar al even domme analyse de wereld instuurde. In De Standaard beweerde hij dat de migrantencultuur, onder meer door het systeem van gearrangeerde huwelijken, de integratie in de weg staat. FATMA PEHLIVAN: Het kán gewoon niet dat iemand als Robert Voorhamme zulke dingen beweert, ook al is dat dan misschien door de Antwerpse situatie geïnspireerd. Hij maakt een onaanvaardbaar amalgaam van alle migrantengroepen. Dé migrant bestaat niet. Voorhamme beweert ook dat gearrangeerde huwelijken de integratie belemmeren, maar weet hij eigenlijk wel wat uithuwelijken is? Het huwelijk van mijn jongste zus is bijvoorbeeld door de twee families geregeld, maar met de instemming van mijn zus en haar aanstaande. En dat huwelijk loopt goed. Geen enkele socialist kan het zich veroorloven extreme uitspraken te doen die het Vlaams Blok in de kaart spelen. Als progressieve partij moeten wij het héle migrantenvraagstuk analyseren, en niet enkele facetten overbelichten. PEHLIVAN: Nee. PEHLIVAN: Voor zover ik weet, is er alleen gezegd dat het probleem moet worden aangepakt. Als vrouw van Turkse origine distantieer ik me volledig van de uitspraken van Voorhamme, omdat hij aan de kern van het migrantenvraagstuk voorbijgaat. Dat de migrantengemeenschap hier aan bepaalde waarden en normen blijft vasthouden, komt omdat ze wordt uitgesloten en niet genoeg kansen krijgt. Belgen van Turkse afkomst - ik wil me niet uitspreken over de Marokkaanse gemeenschap, die heeft genoeg woordvoerders - voelen zich vaak ook niet meer thuis in Turkije omdat hun leeftijdsgenoten daar wél moderner geworden zijn. Waar ligt dat aan? Zeker niet uitsluitend aan de migranten, maar vooral aan de overheid die hen jarenlang heeft verwaarloosd. Een groep die aan zijn lot wordt overgelaten, bouwt een muur om zich heen waarbinnen oude tradities en gebruiken in stand worden gehouden. PEHLIVAN: Nee. Wat binnen de gemeenschap gebeurt, moet die gemeenschap voor zichzelf uitmaken. De migranten moeten met zichzelf afrekenen. Wel moet de overheid ondersteuning bieden om binnen die migrantengemeenschap een emancipatiebeweging op gang te brengen. PEHLIVAN: Daar ben ik toch zelf een voorbeeld van? Er komt wel degelijk iets op gang, maar niet genoeg. En dat verwijt ik de overheid, want die heeft onze gemeenschap jarenlang links laten liggen. We hebben ondertussen twee generaties verloren. Als we willen voorkomen dat hetzelfde gebeurt met de vierde generatie, die nu in de kleuterklas of op de lagere school zit, moeten we nu ingrijpen. In die zin verbaast het me dat de allochtonen niet al lang hebben gerevolteerd. Dat is soms ook mijn frustratie tegenover mijn eigen gemeenschap. Sta op jongens, zeg ik hen, laat zien dat je hier leeft en zorg dat je vooruitkomt. In onze cultuur zit echter ook een stuk fatalisme: inch allah, iemand zal ons wel komen helpen. Maar de waarheid is dat we het zélf zullen moeten doen. PEHLIVAN: Zeker. Met name de socialisten hebben zich lang niets aangetrokken van de hele migrantenkwestie. Toen ik in de jaren tachtig en negentig actief was in de zelforganisaties van de migrantengemeenschap, vonden wij geen gehoor bij progressieve groepen. Ook niet bij de socialisten. In 1988 werd ik door de Jongsocialisten op een partijcongres uitgenodigd omdat het migrantenstemrecht op de agenda stond. Maar de hele zaak werd zo gemanipuleerd dat het niet eens tot een stemming kwam. Migrantenstemrecht was toen zelfs niet bespreekbaar in de partij. Daarom heb ik ook heel lang de boot afgehouden om echt in de partij te stappen. PEHLIVAN: Op dat moment stonden in de toenmalige SP progressieve krachten op die aandacht hadden voor de problemen van de migranten. Ook het migrantenstemrecht won steun in de partij. Ik was toen overigens al actief bij de Socialistische Vrouwen, die openlijk voor migrantenstemrecht pleitten. Op een bepaald moment heb ik besloten om mijn werk in de migrantenorganisaties en in het onderwijs op politiek niveau verder te zetten. PEHLIVAN: Niet echt. Ze hebben het migrantenbeleid in het verleden helemaal aan de christen-democraten overgelaten. Daardoor wordt er vandaag nog steeds heel veel geïnvesteerd in de integratiesector, die van het begin van de jaren tachtig dateert. Naast zelforganisaties van migranten werden in die periode ook Vlaamse privé-initiatieven opgestart door mensen die de migranten vooral wilden helpen, niet emanciperen. Een echte caritas-aanpak. Migranten kregen de kans niet om het heft in eigen handen te nemen. Het integratiebeleid concentreerde zich vooral op de zogenaamde zachte materies, op de welzijnssector, en eigenlijk is dat vandaag nog altijd zo. Terwijl we net de harde sectoren moeten aanpakken. Onderwijs en werkgelegenheid, dáár gaat het om. PEHLIVAN: De opkomst van het Vlaams Blok heeft daarin zeker meegespeeld. De SP heeft veel kiezers aan het Blok verloren, en probeerde lange tijd om die terug te halen. Daarom durfde de partij nooit openlijk vóór de emancipatie van allochtonen te pleiten. Vandaag is duidelijk dat de SP.A die verloren kiezers niet meer kan terugwinnen. Zeker niet als we geen klare taal spreken over het beleid dat we in Vlaanderen willen voeren: een beleid waarin de minderheden als volwaardige burgers worden behandeld. PEHLIVAN: Minister van Maatschappelijke Integratie Johan Vande Lanotte (SP.A) houdt zich vooral met asielzoekers bezig. Op dit moment gaat er veel, te veel aandacht naar inburgering. Maar het inburgeringsbeleid is op nieuwkomers gericht, niet op allochtonen die hier vaak al generatieslang wonen. Die groepen worden vaak op één hoop gegooid. Migranten die hier al lang wonen, moeten niet 'inburgeren', maar wel de kans krijgen om zich te emanciperen. Voor hen is er dus een specifiek beleid nodig, en dat is de bevoegdheid van de Vlaamse gemeenschap. PEHLIVAN: Zij heeft alleen het beleid van de vorige regeringen voortgezet en geïnstitutionaliseerd. Ach, eigenlijk hebben allochtonen geen minister van Gelijke Kansen nodig die tegelijkertijd ook aan de rechten van gehandicapten en vrouwen werkt. De problemen van de etnische minderheden zijn zo specifiek én explosief dat ze een aparte benadering vergen. Daarom pleit ik voor een Vlaams minister van Minderheden, die zich vooral concentreert op de toegang van allochtonen tot het onderwijs en de arbeidsmarkt. Die minister moet ook kunnen inbreken in de bevoegdheden van andere ministers. Misschien is het een goed idee om die bevoegdheid aan de minister van Begroting te geven. Die kan erover waken dat zijn collega's rekening houden met de etnische minderheden. PEHLIVAN: Hij moet met het allochtone middenveld samenwerken, want dat komt nog altijd veel te weinig aan het woord. Op Vlaams niveau bestaan er vandaag twee instellingen die het beleid moeten voorbereiden: het Vlaams Minderhedencentrum (VMC), dat de integratiesector overkoepelt, en het Forum van Organisaties van Etnisch-culturele Minderheden. Het VMC heeft ongeveer twintig personeelsleden, terwijl het forum het vandaag nog met 2,5 werkkrachten moet doen. Dat is een wanverhouding. Als het aan mij ligt, bouwen we de hele integratiesector gewoon af. We moeten het middenveld van de migrantengemeenschap rechtstreeks bij het beleid betrekken. PEHLIVAN: Dat middenveld bestaat uit een handvol geëngageerde migranten die uit het moeras zijn geraakt. Uit hetzelfde moeras waarin de meeste migranten steeds verder wegzakken. Een enkeling kon ontkomen dankzij een paar lianen die daar toevallig hingen. Toevallig, niet omdat het integratiebeleid dat mogelijk heeft gemaakt. Maar hoe kunnen wij, met zo weinigen, die grote groep erbovenop helpen? PEHLIVAN: Het ligt aan de subsidieregeling. In 1995 is er een decreet goedgekeurd om de migrantenorganisaties financieel te ondersteunen. Maar vandaag wordt die financiering afgebouwd, en dat terwijl het middenveld dringend versterkt zou moeten worden. PEHLIVAN: Dat is zeker nodig in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Zolang er geen quota zijn, moeten we op de goodwill van die sectoren rekenen. En de ervaring leert dat die aanpak niet werkt: sommige scholen en bedrijven blijven migranten weigeren. Maar om quota op te kunnen leggen, moeten allochtonen de werkgevers ook iets te bieden hebben. Onderwijs en werkgelegenheid moeten dus samen worden aangepakt. Was ik minister van Onderwijs, ik sloot meteen alle concentratiescholen. Als een migrantenkind als kleuter op een concentratieschool terechtkomt, weet je al dat het niet zal doorstromen. De achterstand die een kind daar oploopt, haalt het nooit meer op. Zelfs niet met allerlei goedbedoelde projecten. PEHLIVAN: Mijn gemeenschap wil vooruit. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat veel allochtone ouders in september met hun kinderen van school tot school gaan, om hen toch maar niet naar een concentratieschool te moeten sturen. Want ze weten heel goed dat die scholen hun zonen en dochters niet op hogere studies voorbereiden. Dat is toch een duidelijk teken? PEHLIVAN: De integratiesector investeert veel in vrouwen en jongeren, en heeft de mannen vergeten. Er worden bijvoorbeeld alfabetiseringslessen en cursussen Nederlands georganiseerd voor vrouwen, maar niet voor mannen. Dat heeft de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in onze gemeenschap scheefgetrokken. Steeds meer vrouwen studeren, werken buitenshuis, krijgen meer bewegingsvrijheid omdat ze een rijbewijs halen... Terwijl de mannen aan hun lot worden overgelaten. Sommige meisjes verkiezen dan ook een man uit hun land van herkomst, omdat die wél gestudeerd heeft en iets kan bereiken. Natuurlijk koesteren de mannen dan grote frustraties ten opzichte van hun vrouwen en zussen. En dat is niet meer houdbaar, ook niet voor die vrouwen. PEHLIVAN: Dyab Abou Jahjah is mij voor het eerst opgevallen toen hij in april een betoging organiseerde tegen de Israëlische politiek tegenover de Palestijnen. Daar had ik toen al een raar gevoel bij. Het is niet aan ons, migranten, om het Midden-Oostenconflict hier op de politieke agenda te zetten. Dat moet op internationaal niveau worden opgelost. Het migrantenthema is zo al delicaat genoeg; wij moeten nu al op eieren lopen. Ik betreur dan ook de provocatie van Abou Jahjah om net in Antwerpen, waar veel joden wonen, zo'n betoging te organiseren. Hij zegt dat hij met zijn extreme standpunten in naam van de hele moslimgemeenschap spreekt, maar eigenlijk vertegenwoordigt hij alleen zichzelf: hij wil carrière maken. Ondertussen voeren de media hem wel constant op. Zij hebben hem gemaakt, en dat is zowel bij allochtonen als bij autochtonen in het verkeerde keelgat geschoten. Ik ben voorstander van een soort cordon sanitaire rond figuren als Abou Jahjah. Waarom zouden we zulke extremisten anders behandelen dan het Vlaams Blok? Zijn theorie komt op hetzelfde neer: eigen volk eerst. PEHLIVAN: Abou Jahjah manipuleert de frustraties van vooral jonge allochtonen en kanaliseert hun woede. Hij heeft ook de tijdsgeest mee, want sinds de aanslagen van 11 september 2001 wordt de moslimgemeenschap geviseerd. Daar maakt Abou Jahjah handig gebruik van: hij zaait ongenoegen en kan zo een grote aanhang oogsten. Natuurlijk heeft hij gelijk als hij zegt dat er een tijdbom tikt, maar zelf maakt hij de situatie alleen maar erger. Met zijn extreme taal duwt hij onze gemeenschap nog meer in het verdomhoekje. Wij mogen ons niet in een conflict laten meeslepen, want als minderheid verlies je dat altijd. Daarom moeten we proberen de frustraties van jonge migranten een positieve wending te geven. Anders staat er morgen weer een andere Abou Jahjah op. PEHLIVAN: De meeste migranten beseffen heel goed dat het niet helpt om het halve land tegen ons in het harnas te jagen. Maar dat betekent niet dat we de huidige situatie moeten aanvaarden, integendeel. Het is belangrijk dat we de Vlamingen met hun neus op de feiten drukken: 50 procent van de allochtonen komt in het beroepsonderwijs terecht en zelfs hoogopgeleide migranten hebben de grootste moeite om een job te vinden. Iedereen ziet toch dat zoiets onaanvaardbaar is? Een samenleving zonder migranten is vandaag ondenkbaar. Het wordt hoog tijd dat de Vlamingen dat aanvaarden. PEHLIVAN: Onze gemeenschap heeft behoefte aan allochtone politici die zich met migrantenthema's bezighouden. Voor mij lag die keuze voor de hand: ik kwam al uit de migrantenorganisaties en kon me in de politiek dus moeilijk van die thema's afkeren. Als ik me daar niet mee bezighoud, wie dan wel? PEHLIVAN: Dat klopt, maar in mijn geval was dat anders. Ik ben zélf naar de SP.A gestapt. De partij wist dus van bij het begin dat ik aan politiek wou doen en dat ik daarbij schatplichtig was aan de gemeenschap waaruit ik kom. Daar is toch niets mis mee? Veel politici verdedigen openlijk de belangen van een vakbond, een vereniging of de vrouwenbeweging. Zo is het ook de plicht van allochtone politici om de specifieke zorgen van hun achterban op de agenda van hun partij en van het parlement te zetten. Wie campagne voert bij de allochtone gemeenschap, moet achteraf ook iets met die stemmen doen. Op het moment dat ik niet meer dan een excuus-Fatma zou zijn, stap ik op. PEHLIVAN: Die kritiek is voor een stuk terecht. Maar de critici mogen ook niet vergeten dat wij nog niet zo lang bezig zijn. We moeten nog groeien in onze rol als politicus en het politieke bedrijf leren kennen. Het is ook onmogelijk om in één regeerperiode met een handvol politici recht te trekken wat dertig jaar lang is kromgegroeid. PEHLIVAN: In eerste instantie kijken ze naar de partij waarvoor je opkomt. En sociaal-democraten doen het in heel Europa goed bij migranten. Pas daarna kijken ze naar de kandidaat zelf. Voor mij was het een voordeel dat veel mensen me al kenden. Bovendien kom ik uit een bekende familie, een van de eerste Turkse gezinnen die zich in de jaren zestig in de Gentse Sleepstraat vestigden. Mijn familie wordt ook gerespecteerd omdat de vijf kinderen allemaal iets bereikt hebben, zonder uit de band te springen. Mijn twee zussen en ikzelf zijn 'veilig' - met een man van Turkse afkomst dus - getrouwd. Dat soort dingen speelt ook mee. PEHLIVAN: Zelf ervaar ik dat niet zo. Waarschijnlijk omdat ik niet zomaar door de partijtop bovenaan een lijst ben gezet. Al klopt het natuurlijk wel dat de allochtone gemeenschap enorm veel van ons verwacht. PEHLIVAN: Dat zal wel hebben meegespeeld. Bovendien kon de partij niet negeren dat ik in 1999 vanuit een niet-verkiesbare plaats 16.000 voorkeurstemmen heb gehaald. PEHLIVAN: Dat weet ik nog niet. Maar ik ga ervan uit dat de SP.A verstandig genoeg is om mijn ervaring en deskundigheid te gebruiken. Ik maak me sterk dat ik mijn voorkeurstemmen kan verdubbelen. Ik hoop dat ik daar waardering voor zal krijgen. Anders is er voor mij nog genoeg werk in het onderwijs en in de migrantenorganisaties. Ann Peuteman Han Renard 'Het is onmogelijk om in één regeerperiode recht te trekken wat dertig jaar lang is kromgegroeid.'