Tijd maakt een landschap menselijk en daardoor vatbaar. Wat doe je met Watou, dat dorp en de wijdse vlakte daaromheen, die ons steeds weer ontsnappen bij elke Poëziezomer? Wat doe je met de herinneringen - organisator Gwy Mandelinck noemt het 'de droesem' van Watou - aan vorige zomers die altijd wel ergens op een sleetse manier op muren, vloeren of daken aanwezig zijn?
...

Tijd maakt een landschap menselijk en daardoor vatbaar. Wat doe je met Watou, dat dorp en de wijdse vlakte daaromheen, die ons steeds weer ontsnappen bij elke Poëziezomer? Wat doe je met de herinneringen - organisator Gwy Mandelinck noemt het 'de droesem' van Watou - aan vorige zomers die altijd wel ergens op een sleetse manier op muren, vloeren of daken aanwezig zijn? In Watou ondervind je het aan den lijve: herinneringen zijn een landschap, je ervaring van wat je ziet en hoort, de associaties die je maakt tussen de gedichten en de beeldende kunst zijn net zo goed een landschap. Je wordt zelf landschap als je een dag door de Poëziezomer wandelt. Omdat alles daar zo veranderlijk is, uitgeleverd aan de natuurelementen. Gedichten worden uit de beschutting van een bundel gehaald en de beeldende kunst wordt niet minder belaagd. Het is de stempel van de tijd. In die zin wordt Watou toch vatbaar, terwijl zo'n Poëziezomer je altijd weer ontsnapt. Poëzie en beeldende kunst herschikken de werkelijkheid, omdat ze onze blik en onze ervaring bijsturen en aanscherpen. Maar ze ontraadselen de werkelijkheid niet en zullen de wereld nooit redden. Poëzie en beeldende kunst blijven altijd actueel en hebben wel degelijk maatschappelijke relevantie, zonder dat ze het nieuws van de dag aan de orde hoeven te stellen. Ze vormen het hier en nu van de eigen, zintuiglijke ervaring van de toeschouwer. Wie dat wil ondervinden, mag deze zomer Watou zeker niet links laten liggen. Het is interessant om te zien hoe Mandelinck vertrokken is vanuit de nachtmerrie van 11 september 2001, maar al snel besliste om de grootst mogelijke openheid te bieden aan de dichters en de beeldende kunstenaars die deze zomer in Watou actief zijn. Want op de vragen die een wereldbrand oproept, is een wereld van antwoorden mogelijk. 'Er is alles in de wereld het is alles' schrijft Lucebert. Mandelinck koos voor het thema Tabula: een conferentietafel, een schrijf- en tekentafel, maar net zo goed een tafel waarrond een gezin zich schaart. Een plek voor verzoening en conflicten. De instorting van de WTC-torens zorgde voor een tabula rasa en bezorgde dichters en kunstenaars ongetwijfeld de vraag naar de relevantie van hun bezigheden. Maar expliciet geëngageerde kunst is in deze tijd bijna een anachronisme. De interessantste vorm van actualiteit voor een dichter of een kunstenaar is de actualiteit van de eigen ervaring van tijd, ruimte en lichamelijkheid. De Poëziezomer lijnt die essentie haarscherp af, omdat hij de poëzie opnieuw centraal stelt en omdat de beeldende kunst niet zomaar aangebracht is, maar wel geïntegreerd in de omgeving. Ook de gedichten zetten zichzelf verder in het landschap, omdat Mandelinck in tuinen en open ruimtes luisterplekken liet aanbrengen, rustplaatsen waar je de stemmen van dichters tot je kan laten doordringen. Het is ook de zomer van de architectuur van de poëzie: scenograaf Niek Kortekaas gaf de gedichten zoveel body dat je er gewoon niet omheen kan. WATERRIMPELS ROND HET HARTHet Douviehuis raakt de kern van deze zomer en vormt daarmee één van de hoogtepunten. In een prangende reeks foto's die de verschuivingen in de lichamelijkheid en onze perceptie ervan blootleggen, wijst Mark Manders op de mogelijkheid om het ik als een woonplaats te beschouwen. Het is een lijf dat je je kan toe-eigenen, zoals in Erik Menkvelds gedicht, dat op een lichtbak is aangebracht: 'Beter toegerust dan ooit beleger ik/ vannacht een flonkerende stad/ die lijkt gebouwd om voor het ochtendgloren/ ingelijfd te worden bij mijn rijk.' Al even lichamelijk-architecturaal zijn de ingrepen van revelatie Dimitri Vangrunderbeek. In het Douviehuis bekleedde hij het aanrecht en een raam met multiplex, om de fysieke aanwezigheid van het huis te accentueren. En buiten vult hij de binnenplaats met twee enorme tafels met ondiepe waterbassins die zich over de hele oppervlakte uitstrekken. Dat water rimpelt rond het hart van deze poëziezomer: de binnenwereld van de bassins haalt via de steeds veranderende schaduwen de ruimte, die zich achter de daken bevindt, binnen. Daar bovenuit klinken versregels van Paul Eluard: 'Waarom niet de stilte/ Van de zondvloed, want in ons is heel de gedroogde ruimte/ Voor de grootste stilte en wij zullen ademen/ Als de wind der verschrikkelijke zeeën, als de wind// Die traag voortkruipt op alle einders.' De tijd maakt het landschap menselijk en het kunstwerk letterlijk lichamelijk, want onvermijdelijk zie je neergedwarreld vuil en bezinksel drijven op de watertafels. Vangrunderbeeks installatie is een moment van verstilling waarin je zou willen blijven staan. Je kan ze moeiteloos associëren met Herman de Conincks gedicht Ligstoel, dat hoog tegen een gevel in de Douvietuin aangebracht is, bij helder weer omringd door het wijdse dat hem zo lief was: 'Er is te weinig weinig. De vergevensgezindheid/ van het niets waarin wij, als we eveneens/ niets zouden zijn, zouden passen. ' Een mooiere, want stillere hommage voor de vijf jaar geleden overleden dichter is moeilijk denkbaar. Al even verstild is de voormalige gemeenteschool, waar de lange rij ramen op de speelplaats, met daarin Dat er een zin zou zijn van Guillaume van der Graft weerspiegeld, herinnert aan de watertafels van Vangrunderbeek. De titel van Van der Grafts gedicht is in een schoolse context natuurlijk voor meerdere betekenissen vatbaar. Stilte kan ook onheilspellend zijn. Marthe Wéry's monumentale doeken gaan een gevecht aan met de kleur van de muren en de vloer in de lege lokalen. En in een door blauw, voor de ramen gespannen ruimte, lijken deze regels van Gerrit Komrij op een vijver te drijven waarin je bijna onvermijdelijk overstag gaat, omdat je jezelf herkent: 'Maar niets is er op dit moment zo honds/ Als de bevroren plas waarin mijn hoofd/ Zichzelf- als in een blinkend spiegelglas-// Aanschouwt.' MONGOOLSE STEPPEIs er een grotere confrontatie mogelijk dan die waarbij de wereld van een kunstenaar in een bestaande omgeving binnengebracht wordt? Guillaume Bijl, Erwan Mahéo, Michel Harleman en Jennifer Tee doen het elk op hun eigenzinnige wijze, zonder dat Watou geannexeerd wordt. Bijl heeft de parochiezaal volledig ingepalmd. Met ironische knipogen naar de historie van Watou - zowel de voormalige graven als de filosoof-kluizenaar, die beiden in de kerk rusten, passen in dat plaatje - creëert hij een museum, een banket en een theatervoorstelling die naar Tartuffe verwijst. De werkelijkheid krijgt hier op een intrigerende, speelse manier een even felle draai om de oren als in het werk van Philippe Ramette op de Douviehoeve. Hij creëerde een grotesk oorlogstribunaal. De toeschouwer kan plaatsnemen op streng geordende rijen banken, maar hij kan op de tribune ook zichzelf als dictator opvoeren in een karaoke-act. Wie durft zeggen dat hij zich nooit geroepen voelt? ' Toktok, wie is daar, dat is het kloppende hart van Adolfje', klinkt het in een gedicht van Szymborska. Erwan Mahéo schept in het Grensland de sfeer van een repetitielokaal. En op de Douviehoeve toont Michel Harleman wat een kunstenaar vermag: door een auto uiteen te halen en geleidelijk weer samen te voegen, pleegt hij vivisectie op zichzelf en op de denkwereld van de toeschouwer.De meest ingrijpende poging om de eigen wereld binnen te brengen en ongetwijfeld de meest indringende, komt van de jonge kunstenares Jennifer Tee. Met geel geschilderd gras en was dat als ijs van een balkon lijkt te druipen, terwijl op zolder echt ijs naar beneden parelt, haalt zij de perceptie onderuit. Tee brengt in een uithoek van West-Vlaanderen een Mongools landschap tot stand, terwijl je op een verre helling rond Watou, waar de zon korenvelden uitlicht, een Mongoolse steppe lijkt te ontwaren. Ook in het in opdracht geschreven gedicht van Benno Barnard, een zijn vaderland ontvluchte Nederlander, gehuwd met een Amerikaanse en straks adoptievader van een meisje uit India, converseren werelden met elkaar aan tafel: 'En hij voelt al de hitte des daags, die nog in India natalmt boven de bukkende paria's, de oprapenden/ van deze aarde-/ en de aarde is rond als een tafel,/ altijd verandert Japan in een kersenbloedvingerig Europa,/ zijn boomgaard;// en deze staat op, klopt de nacht van zich af, kerft een hart,/ erft een huis/ om ergens met iemand aan tafel te gaan.' Het lijkt wel van de Fabrezomer geleden dat poëzie en beeldende kunst in Watou zo'n fysieke impact hadden. Lichamelijkheid betekent sterfelijkheid. En zo is dat ook deze zomer in Watou. Op de oppervlaktes van de gedichten en de beeldende kunst, waar maniërisme en vrijblijvendheid geen schijn van kans krijgen, zie je hoe de vergankelijkheid komt opborrelen. Kunst redt de wereld niet, maar ook geen enkele bezoeker van de Poëziezomer. Wie in Watou rondloopt, wordt deze zomer zeker getroffen door één of andere stem. Of door deze regels van Esther Jansma, die op de vijver van de Douviehoeve drijven: 'Vissen likten het bloed van je benen./ Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten/ maar we vielen te snel en er zijn geen woorden// die zonder lucht bestaan, mijn liefde/ bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,/ de plaats markerend van het ongeluk// voordat ze verder dreven.'paul demedtsTabula-Poëziezomer Watou 2002 tot en met 8 september. Ontmoetingen met dichters: Rutger Kopland (28/07), Eva Gerlach (04/08), Gerrit Komrij (11/08), Peter Verhelst (15/08), Anton Korteweg (18/08), Eddy van Vliet (25/08), Stefan Hertmans (01/09) en Hugo Claus (08/09). Info: 057-38 80 93.Expliciet geëngageerde kunst is bijna een anachronisme.