'Hebben er vruchtbare en dorre tijden in de cultuurgeschiedenis bestaan?' Voor Johan Polak (1928-1992), legendarische bibliofiel en uitgever, was deze vraag allesbehalve retorisch. Polaks naam en faam straalt nog altijd af op de kwaliteitsuitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep die als dochter van uitgeverij Querido zich gespecialiseerd heeft in het klassieke, mooi verzorgde literaire boek. Wie zou er niet de recent uitgebrachte Bijbeleditie of het verzamelde werk van Willem Elsschot uit hun fonds cadeau willen krijgen? In die zin mag Polak tevreden zijn over zijn erfgenamen. Maar wie weet er vandaag dat Polak ooit zelf een bevlogen essayist was die in zijn eigen onnavolgbare stijl tijdens zijn graafwerk een schat aan literaire juweeltjes aan de oppervlakte bracht? Daarom is het goed dat veertien jaar na zijn dood Het voorbeeldige boek verschijnt, een best of van de essays die hij op het einde van zijn leven maakte.
...

'Hebben er vruchtbare en dorre tijden in de cultuurgeschiedenis bestaan?' Voor Johan Polak (1928-1992), legendarische bibliofiel en uitgever, was deze vraag allesbehalve retorisch. Polaks naam en faam straalt nog altijd af op de kwaliteitsuitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep die als dochter van uitgeverij Querido zich gespecialiseerd heeft in het klassieke, mooi verzorgde literaire boek. Wie zou er niet de recent uitgebrachte Bijbeleditie of het verzamelde werk van Willem Elsschot uit hun fonds cadeau willen krijgen? In die zin mag Polak tevreden zijn over zijn erfgenamen. Maar wie weet er vandaag dat Polak ooit zelf een bevlogen essayist was die in zijn eigen onnavolgbare stijl tijdens zijn graafwerk een schat aan literaire juweeltjes aan de oppervlakte bracht? Daarom is het goed dat veertien jaar na zijn dood Het voorbeeldige boek verschijnt, een best of van de essays die hij op het einde van zijn leven maakte. En ja, Polak beschouwde zich als iemand die in een min of meer dorre eindtijd leefde. Maar nee, hij was daarom niet de zoveelste doemdenker of onheilsprofeet die steeds weer op dezelfde spijker hamert. In de elf essays die in deze postume hommage zijn bijeengebracht ontwerpt Polak zijn eigen tijdloos museum van vruchtbare hoogtepunten uit de literatuurgeschiedenis. En zoals het een goede gids betaamt, geeft hij deskundig commentaar bij de talrijke uittreksels uit Latijnse, Duitse, Franse, Engelse of oorspronkelijk Nederlandstalige gedichten. In een tijd waarin de literaire canon uit het taal- en literatuuronderwijs bijna compleet is weggevaagd, doet het deugd om hier nog eens herinnerd te worden aan het beste wat de West-Europese poëzie in de negentiende en begin twintigste eeuw te bieden had. Polak is ervan overtuigd dat de expressionistische lyriek van de Duitse republiek van Weimar tussen de beide wereldoorlogen het neusje van de zalm was. Hij bewijst met verve dat de magische gedichten van Rainer Maria Rilke en Stephan George - of van T.S. Eliot, K.P. Kaváfis en J.C. Bloem - een al even magische voorgeschiedenis hadden. Vandaar dat hij ook uitgebreid de laatromantische en symbolistische literatuur uit de negentiende eeuw de revue laat passeren. Hij citeert bijvoorbeeld prachtige gedichten van Charles Baudelaire waarin, aldus Polak, duidelijk de confrontatie tussen stad en land of tussen moderniteit en traditie wordt uitgezongen. Als een enthousiaste liefhebber bloemleest hij genereus uit het werk van de bewonderde meesters en gaat daarbij op zoek naar relevante parallellen in het werk van andere auteurs. Op die manier steken ook Nederlandstalige dichters de neus aan het venster. Vooral J.H. Leopold, Ida Gerhardt en Bloem ('Domweg gelukkig, in de Dapperstraat') maken hun opwachting. Louis Couperus en de Tachtiger Jacques Perk zijn eveneens op het appel. Je moet Polak lezen om eindelijk te weten dat Perk en Oscar Wilde in de Belgische Ardennen meer dan waarschijnlijk elkaar de hand hebben geschud. Toen Wilde in juli 1880 in La Roche verbleef, sprak hij over Perk als over 'that delightful young boy'. Hij gaf hem toen de raad om vooral Percy Bysshe Shelley te lezen. Op dezelfde aanstekelijke manier leidt Polak de lezer rond in zijn literair museum en maakt hij hem opmerkzaam op de universele klassieke dichtkunst die vandaag veel te weinig aandacht krijgt. Als je hardop de Duitse verzen mee reciteert van August Von Platen of van Rilke, die Polak in extenso weergeeft, dan bevangt je een 'voorbeeldige' huiver voor het mysterie van het bestaan. En tegelijk voel je je ook al even 'voorbeeldig' opgeladen met nieuwe energie om het leven te lijf te gaan. Uiteraard citeert Polak met grote instemming Arthur Schopenhauer die in de negentiende eeuw voor heel Europa amper één dozijn boeken van blijvende waarde ontdekte: 'Te allen tijde bestaan er twee vormen van letterkunde, die elkaar tamelijk vreemd zijnde, toch naast elkaar voortgaan: een wezenlijke en een slechts schijnbare.' Hoeft het gezegd dat Schopenhauer en Polak vreesden dat de 'schijnbare' letterkunde bezig was de 'wezenlijke' te overwoekeren? Polak probeert ook voor de literatuur na Schopenhauer de bokken van de geiten te scheiden om het 'wezenlijke' over te houden. Het gedicht Wachtend op de barbaren van de Alexandrijn Kaváfis wordt door Polak op een verhoog geplaatst. Het was een gedicht dat oorspronkelijk in 1904 in een oplage van amper 100 exemplaren verscheen en pas twee jaar na de dood van de dichter in 1935 in een verzamelde editie werd opgenomen: 'Waar wachten wij op, verzameld op het marktplein? De barbaren zullen vandaag moeten komen.' Maar de barbaren komen niet, ook al verlangt de decadente beschaving nog zo naar een snelle dood: 'En wat moeten wij nu zonder barbaren? Die mensen waren tenminste een uitweg.' Polak vergeleek zichzelf met de verfijnde Romeinen uit dit gedicht die wachtten op de barbaren om komaf te maken met de stuiptrekkingen van een decadente wereld. Maar Polak was geen masochist die hoopte dat de doodsstrijd van de kwijnende westerse beschaving snel zou worden beslecht door een externe vijand. Hij was integendeel een overwinteraar die, zoals de dichter Eliot in The Waste Land, de meest sprekende fragmenten uit het beschavingspuin oppikte om ze als tegengif te gebruiken: 'These fragments I have shored against my ruins.' En niet alleen als tegengif, maar ook als vitaminekuur voor misschien een nieuwe 'vruchtbare periode'. Maar zo ver wou Polak niet meer denken. Die blinde vlek geeft zijn museale terugblik iets gedateerds en nostalgisch. Ook zijn aparte, vaak archaïserende zinsbouw met talloze ingekapselde bijzinnen maken van hem haast een fossiel. Maar tegelijk vraag je je af waar de Polaks van vandaag blijven. Waar zijn de uitgevers die niet alleen een lans breken voor de betere literatuur maar er ook nog zo stimulerend, én met kennis van zaken, over kunnen schrijven als Polak hier doet? JOHAN POLAK, 'HET VOORBEELDIGE BOEK', BALANS, AMSTERDAM, 238 BLZ., A 25Johan Polak (1928-1992) was een buitenbeentje in de Nederlandstalige literatuur. Dankzij het geld van zijn gefortuneerde ouders kon hij de meest zeldzame boeken antiquarisch verwerven. Zijn liefde voor het boek bracht hem ertoe om in 1962 samen met Rob van Gennep (1937-1994) de uitgeverij Polak & Van Gennep op te richten. In 1966 stichtte hij de Amsterdamse Athenaeum-boekhandel aan het Spui die dit jaar dus zijn veertigste verjaardag viert. De uitgeverij heette voortaan Athenaeum, Polak & Van Gennep. Van Gennep begon in 1969 met een eigen politieke uitgeverij terwijl Polak zich in zijn essays meer en meer toelegde op het afstoffen van de klassieke hoogtepunten uit de laatromantische, symbolistische en expressionistische poëzie. Hij publiceerde drie essaybundels: Zeven kleine studies (1984), Bloei der decadence (1991) en Het oude heden (1992). Frank Hellemans