Het poëzieklimaat verandert voortdurend. Dichters die bij een veeleer behoudsgezind lezerspubliek niet meteen op het nachtkastje belanden, krijgen belangrijke prijzen. En dat betekent dat de kritiek hun werk officieel als belangrijk wil afficheren. De VSB-prijs, intussen uitgegroeid tot de belangrijkste poëzieprijs in ons taalgebied, ging enkele maanden geleden naar Kees Ouwens. En twee weken geleden kreeg Arjen Duinker de Jan Campertprijs. Duinker schrijft poëzie die je aandacht opeist, want ze zweert de anekdotische verwijzing naar de werkelijkheid af en tegelijk is ze ook niet in sterke mate op de taal gericht. Duinker verzet zich, zoals het ergens in zijn bekroonde De geschiedenis van een opsomming staat 'Tegen de Inhoud/ Tegen de Persoonlijkheid/ Tegen de Essentie'. En precies bij dat laatste punt wordt het interessant, want Duinker kijkt met ongewone aandacht naar de meest banale dingen, zonder het geheel uit het oog te verliezen. Dat laatste is niet onbelangrijk, want anders wordt hij door de kritiek al snel van postmodernisme verdacht. De aandacht voor het gefragmenteerde, weet u wel?
...

Het poëzieklimaat verandert voortdurend. Dichters die bij een veeleer behoudsgezind lezerspubliek niet meteen op het nachtkastje belanden, krijgen belangrijke prijzen. En dat betekent dat de kritiek hun werk officieel als belangrijk wil afficheren. De VSB-prijs, intussen uitgegroeid tot de belangrijkste poëzieprijs in ons taalgebied, ging enkele maanden geleden naar Kees Ouwens. En twee weken geleden kreeg Arjen Duinker de Jan Campertprijs. Duinker schrijft poëzie die je aandacht opeist, want ze zweert de anekdotische verwijzing naar de werkelijkheid af en tegelijk is ze ook niet in sterke mate op de taal gericht. Duinker verzet zich, zoals het ergens in zijn bekroonde De geschiedenis van een opsomming staat 'Tegen de Inhoud/ Tegen de Persoonlijkheid/ Tegen de Essentie'. En precies bij dat laatste punt wordt het interessant, want Duinker kijkt met ongewone aandacht naar de meest banale dingen, zonder het geheel uit het oog te verliezen. Dat laatste is niet onbelangrijk, want anders wordt hij door de kritiek al snel van postmodernisme verdacht. De aandacht voor het gefragmenteerde, weet u wel? Duinkers gedichten worden hier en daar beheerst door opsommingen en herhalingen, allemaal om dat gebrek aan essentie, of zijn onvrede met de manier waarop wij hoofdzaken van bijzaken onderscheiden in ons dagelijks bestaan, te compenseren. Tegelijk is Duinker een dichter die zich niet laat vastpinnen. Doordat hij elke regel met een hoofdletter laat beginnen, ironiseert hij misschien wel de vrolijke verwondering waarmee hij naar de kleine dingen kijkt. In elk geval is zijn poëzie niet naar de maat van een vast denkpatroon geknipt en wil ze geen vertellend karakter hebben. Een dame in een behoorlijk vreemdsoortig jurkje, zeg maar. En net daarom zo interessant. Misschien moeten we de onderverdeling tussen anekdotisch-expressief en taalgericht, als het om de situering van hedendaagse dichters gaat, maar eens in een ander perspectief plaatsen. Natuurlijk is die onderverdeling een vorm van pragmatisme. Iedereen ziet wel dat er een duidelijk verschil bestaat tussen de poëzie van Leonard Nolens en die van Dirk van Bastelaere. Maar het is beslist niet zo dat Nolens er zich niet van bewust zou zijn dat het gedicht via de taal buiten de schrijver van het gedicht gaat staan en zijn concrete aanleiding in de werkelijkheid overstijgt. En het is niet omdat Dirk van Bastelaere - die trouwens in zijn recentste bundel met Nolens' poëtica polemiseert én er respect voor laat zien - in Hartswedervaren het hart als lege betekenaar weer vol schrijft door een boeiend spel van betekenissen op te voeren, dat de gedichten de lezer niet ten harte zouden kunnen gaan en niet meer op de werkelijkheid betrokken zouden zijn. Wel toont Van Bastelaere voortdurend aan, door ons vrolijk door de mechanismen van de taal te laten dwalen, dat de werkelijkheid binnen een gedicht van een andere orde is dan de werkelijkheid om ons heen. Als je betekenis aan deze gedichten wil toekennen, vervluchtigt ze al, zoals de kus in het gedicht In de tijd nadien: 'Een kus als deze, in de tijd nadien./ Zwak voorval, nasuizend/ in het weg en weer van voetstappen/ en de zorg waarmee je het stof / in zijn kieren terugblaast,/ een appel met het oog bezoekt,/ de stengel zijn afsnijding schenkt,/ terwijl in dat voorval een lindebloemige/ theegeur was ontworpen/ huizend in een kus/ die niet, in de sterfelijkheid van haar gedaante al,/ ophield zich in zijn nadering/ te verkondigen als/ uit zijn aroma gestoten.' ECHTE WAARDEMETERWat ik wil zeggen: er moeten dringend vooroordelen uit de weg geruimd worden. Dat dichters als Kopland, de Coninck, Gruwez of van Vliet de taal geen centrale plaats geven in hun poëzie en alleen maar met een weergave van de werkelijkheid begaan zouden zijn. Maar net zo goed de oproep van Ilja Leonard Pfeijffer, een van de rijzende sterren aan het Nederlandse poëziefirmament, om de ontoegankelijkheid van een gedicht als de echte waardemeter voor interessante poëzie te beschouwen. Poëzie bestaat namelijk niet bij de gratie om eenvoudige dingen zo moeilijk mogelijk te zeggen. Terwijl moeilijk toegankelijke poëzie nu ook weer niet meteen misprezen dient te worden. Integendeel. Want ze leert je meer af te gaan op klank en ritme en te vertrouwen op je associatief vermogen. En ze compliceert de verhouding tussen werkelijkheid en poëzie op een manier die de lezer uitdaagt. Zoals Thomas Vaessens in zijn belangrijke essay De verstoorde lezer, met de polemisch bedoelde ondertitel Over de onbegrijpelijke poëzie van Lucebert stelt, zijn mensen altijd geneigd te zoeken naar coherentie door logisch te denken. Zelf stelt Vaessens een manier van lezen voor die niet gericht is op het achterhalen van één bepaalde waarheid. Gedichten van Mark Kregting, Peter Verhelst, Tonnus Oosterhoff of Pfeijffer, allemaal dichters die Vaessens ter sprake brengt, stellen de op de logica vertrouwende, modernistische manier van lezen immers ter discussie. De leesprocedures die Vaessens aanreikt - intertekstuele vervaging, improvisatie, minimale betekenis en ironie - zijn misschien niet nieuw, maar ze zijn in dit essay wel mooi samengebracht en ze worden overtuigend verantwoord. Vaessens zou wel eens een beslissende duw aan het ontregelende lezen kunnen geven met dit dunne en daarom bijna onopvallende boekje. Het verdient zijn plaats op de nachtkast, bijvoorbeeld als leesgids naast het recente werk van Miguel Declercq of Joost Zwagerman. Ondanks de ontregelende lectuur die hier nodig is, zullen deze dichters nog makkelijk hun weg vinden naar de lezer. Dat komt doordat Miguel Declercq bijvoorbeeld met Zomerzot/ Somersault een ogenschijnlijk heldere, vrolijke, in een zomerse sfeer badende bundel heeft afgeleverd. Je leest er een soort studentikoze vrolijkheid in. Maar schijn bedriegt, net zoals de liefde in deze bundel bedreigd wordt en zeker onvatbaar blijft, zoals in Blauwblauw: 'De blauwe plekken/ op haar armen, op haar benen/ hebben niks, zoveel is zeker,/ te betekenen, wellicht. Een blauwe plek/ is niet van tel. Een blauwe plek/ is poëzie, en poëzie is overal,/ ofschoon ik op de vreemdste plaatsen/ blauwe plekken tegenkom./ Niet dat ik haar soms niet vertrouw. Niet dat ze onbetrouwbaar lijkt.' Declercq maakt in deze bundel Schijnmanoeuvres, zoals de titel van een van de afdelingen luidt. Het zijn schijnbewegingen waarmee hij aan de werkelijkheid tracht te ontkomen om ze nadien op zijn manier te vatten. Hij is geïntrigeerd door het kunstmatige, de prothese die de werkelijkheid is, zeg maar. Een gedicht begint bijvoorbeeld met: 'Was wat waar was werkelijk? Het stadspark in april.' Even verder doorstreept hij de regel 'Zoals het stadspark rook', om hem dan daaronder te herhalen. En een gedicht over de nevel besluit hij met 'Er tekent zich geen landschap af: er is alleen de ruis/ van elk onopgemerkt moment is dit de ruis ervan.' Zo freewheelen ook Declercqs gedichten voortdurend tussen wat ze willen meedelen en daadwerkelijk vertellen. Een onbekommerd tochtje is het niet, maar precies daardoor een leeservaring die de moeite loont. TICJES EN TOONTJEOok Zwagerman gaat in Bekentenissen van een pseudomaan aan de haal met de eenduidigheid van de mededeling. Hij laat ons in het gedicht Zeven Joosten weten dat hij in verschillende gedaantes opduikt. Hij beschrijft die zelfs als lege personages: 'Alles wat ze zeggen over mij is altijd waar/ en samen zijn we alle zeven niemandsland.' In de afdeling Collega's kruipt het personage Zwagerman in de huid van andere dichters. Zwagerman betrapt ze op hun ticjes en hun toontje, maar er is meer aan de hand. Niet toevallig verwijst hij in het eerste gepasticheerde gedicht naar K. Schippers, ooit een van de interessantste dichters van Barbarber, een beweging die geboeid keek naar de manier waarop we de werkelijkheid waarnemen en oog had voor reclametaal en mededelingen in allerlei registers. Zwagerman noteert, variërend op Schippers: 'Als je goed/ om je heen kijkt/ zie je dat alles/ gebeurd is.' Jammer dat Zwagermans hyperbewustzijn van de manier waarop we naar de werkelijkheid kijken, waarbij alleen de voorstelling die wij ons van iets maken bestaansrecht geeft aan de dingen, niet leidt tot meer dan spielerei. Weliswaar door iemand die rake regels kan schrijven, maar meestal wordt wat hij met die regels wil te veel geduid, zodat er nog weinig ongrijpbaars in deze bundel overblijft. Als een dichter de geloofwaardigheid van wat hij ons meedeelt op de helling zet, moet hij toch minstens voor een afgrond zorgen. Dirk van Bastelaere, Hartswedervaren, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 109 blz., 570 fr. (14,1 E) Miguel Declercq, Zomerzot/ Somersault, de Arbeiderspers, Amsterdam/ Antwerpen, 64 blz., 585 fr. (14,5 E) Joost Zwagerman, Bekentenissen van een pseudomaan, de Arbeiderspers, Amsterdam/ Antwerpen, 70 blz., 585 fr. (14,5 E)Paul Demets