Wagners ?Parsifal? door Klaus-Michaël Grüber : een zinderend mythisch verhaal dat veel verder reikt dan een ?theatrale mis.?
...

Wagners ?Parsifal? door Klaus-Michaël Grüber : een zinderend mythisch verhaal dat veel verder reikt dan een ?theatrale mis.?In de Nederlandse Opera in Amsterdam wordt deze maand voor de tweede keer Klaus-Michaël Grübers productie uit 1990 van Richard Wagners ?Parsifal? hernomen. Een routinekwestie ben je dan al gauw geneigd te denken. Niets is echter minder waar. Zelden wist een operahuis van een tweede reprise zo een evenement te maken. Niet enkel de bezetting werd zorgvuldig bijgewerkt. De voorstelling staat onder de muzikale leiding van de Engelse sterdirigent Sir Simon Rattle, die hiermee aan zijn eerste ?Parsifal? toe is. Ook de enscenering van Grüber weet nog altijd te boeien. Dat is goed nieuws voor de Belgische operaliefhebbers. Na deze laatste Amsterdamse halte wordt de productie verkocht : ze zal volgend seizoen te zien zijn in Parijs, Bologna en ook in Brussel. De achtergrond van Wagners laatste werk is al even mythisch als de thematiek zelf van ?Parsifal?. Daar zijn tal van redenen voor. Het feit dat Wagners eigen theater in Bayreuth dertig jaar lang het alleenrecht op de uitvoering van het werk had, de enorme omvang van de opera en de praktische problemen die met de uitvoering ervan verbonden zijn : dit alles droeg bij tot de beeldvorming van ?Parsifal? als een onspeelbaar werk. Maar Amsterdam heeft natuurlijk een bijzondere relatie met Wagners ?Bühnenweihfestspiel?. In 1905 bracht de plaatselijke Wagner-vereniging er een van de eerste opvoeringen van Parsifal buiten Bayreuth, zeer tegen de zin van Cosima Wagner, weduwe van de ?Meister?. Maar tussen die reeks en de eerste naoorlogse ?Parsifal? in Amsterdam in 1981, lag toch weer een gat van meer dan vijftig jaren. ?Parsifal? ging in première op 26 juli 1882 in het Bayreuther Festspielhaus, nog geen jaar voor Wagners dood. Zestien keren werd het werk toen opgevoerd, en tijdens de laatste voorstelling glipte Wagner stiekem de orkestbak in om zelf nog gauw even het laatste bedrijf te dirigeren. Voor Nietzsche, voormalig boezemvriend van de componist, was deze ?theatermis? de spreekwoordelijke druppel die hem voorgoed afstand zou doen nemen. In ?Jenseits von Gut und Böse? (1886) heeft Nietzsche trouwens zijn kijk op de muziek van ?Parsifal? uiteengezet in een ?straatballade? : ?Is dat nog Duits ? Dit zwoel gesteun zou uit een Duitse boezem wezen ? Een Duits lijf zou zich aldus ontvlezen ? Dit priesterlijk handgesprei is Duits ? Al dit in wierook zwelgen van de zinnen ? Duits al dit stott'ren, stamelen, meieren ? Dit vroom gezever, Angelus-beieren ? Dit dwaze dwepen met des hemels minne ? Is dat nog Duits ? Bezint ! Nog staat gij aan de poort : Want wat gij hoort, is Rooms 't geloof, zonder 't woord.?HET GAAT OM IDEOLOGIEMaar in een programmatekst verdedigt dirigent Hartmut Haenchen, die de vorige twee reeksen van Grübers productie in Amsterdam voor zijn rekening nam, precies de stelling dat dit werk in de eerste plaats helemaal geen ?theatermis? of ?nieuwe ceremonie? is. Die visie heeft er integendeel voor gezorgd dat een aantal wezenlijke aspecten van de opera altijd over het hoofd werd gezien : ?de diep-menselijke problematiek, de vraag naar de relatie tussen ?geest en ?daad?, respect voor de vrouw, (daadwerkelijk mededogen als deelaspect van solidariteit?. En Haenchen verwijst daarbij naar een uitspraak van de Nederlandse operaregisseur Harry Kupfe, die een mooie staat van dienst in Wagner eigenste Bayreuth heeft : ?In 'Die Zauberflöte' wordt machtsmisbruik afgezet tegen het gebruik van macht als middel in het streven naar een betere wereld. In 'Parsifal' gaat het om gebruik van ideologie. Het is een misvatting te denken dat in dit werk slechts de christelijke ethiek of ideologie aan de orde wordt gesteld, want deze staat in 'Parsifal' model voor alle vormen van ideologie.?Of de Graalmythe, die aan de grondslag ligt van ?Parsifal?, nu van Egyptische, christelijke, Perzische of Keltische oorsprong is, vast staat dat Wagner zijn werkmateriaal in de eerste plaats haalde in de ?Parzifal? van Wolfram van Eschenbach. Die had dan weer zijn mosterd gehaald in het middeleeuwse epos van de Franse dichter Chrétien de Troyes. Op het eerste gezicht lijkt het allemaal erg log en zwaar op de hand. Sinds Amfortas, vorst van de Graalridders, door de ?wilde vrouw? Kundry werd verleid waarvan de afvallige ridder Klingsor gebruik maakte om de Heilige Speer te stelen , is het voor de gewonde Amfortas en zijn vermoeide kompanen wachten op de ?reine dwaas?, die ?door meelij wetend? redding zal komen brengen. Dat werd Amfortas in een visioen voorspeld. Parsifal verschijnt uit 't niets, maar het zal nog jaren duren voor de onwetende en onbewuste jongeling de levenservaring zal hebben die hem bewust maakt van zijn ?roeping?. In die tijd zal hij Klingsor verslaan en de Speer terugwinnen, en zal een kus van Kundry hem de ogen openen voor zijn verleden en zijn toekomst. Handeling en reflectie houden elkaar in evenwicht, eigenlijk gaat het hier om een mengvorm van opera en oratorium. Na onder andere ensceneringen van ?Die Walküre? en ?Tannhäuser?, waagde de Duitse regisseur Klaus-Michaël Grüber zich in 1990 dus aan ?Parsifal?. Hij werd daarvoor bijgestaan door scenograaf Gilles Aillaud en kostuumontwerpster Moidele Bickel. Samen maakten zij twee fundamentele keuzes. Enerzijds wilden ze de enorme bühne van het Amsterdamse Muziektheater optimaal benutten en ze slaagden daarin zoals allicht nog niemand het hen voordeed. Anderzijds opteerden ze voor een uiterst sobere en suggestieve vormgeving. Zo werd meteen expliciet vermeden dat het werk versmacht zou raken door allerlei verwijzingen naar de theologische context die vaak teveel gewicht krijgt. Kortom, Grüber koos op heel uitgesproken wijze voor de innerlijke dynamiek van het werk en trachtte precies die elementen naar boven te halen waar Hartmut Haenchen het over had. Hij maakte van ?Parsifal? weer een zinderend mythisch verhaal dat veel verder reikt dan een ?theatrale mis?. EEN GESLOTEN WERELDDe suggestieve en sterk abstraherende ruimten die Aillaud voor ieder bedrijf afzonderlijk creëerde, drukken in al hun soberheid een sterke stempel op de productie. Een ellenlange tafel over de hele lengte van de bühne waaraan de Graalridders vermoeid uitrusten : dat is de tempel uit het eerste bedrijf. Klingsors toverslot is eerst een uit mekaar gevallen spiegelpaleis, waarin geleidelijk felgekleurde objecten verschijnen die op vruchten lijken : het is in deze liefdestuin dat Parsifal het herstel van de Graalridders inzet. En voor de laatste scène in de tempel met het definitieve afscheid van de overleden Titurel, de onthulling van de Graal en de machtsovername door Parsifal, heeft Aillaud een indrukwekkende falanx van lege harnassen gecreëerd. Heel open beelden telkens, die toch voldoende mysterie en fantasie in zich dragen om je verbeelding aan het werk te zetten. Binnen die vormgeving neemt de personenregie een uiterst belangrijke plaats in. Ook hier geldt weer : soberheid en een ontzettend ingehouden spanning. De zangers bewegen nauwelijks en zoeken onderling erg weinig contact : ze zingen haast altijd naar het publiek toe. Enerzijds ontstaat zo een beeld van de wereld van de Graalridders als een gesloten, eenzame wereld waarin echte communicatie niet meer mogelijk is. Anderzijds zijn er ook momenten tussen de andere personages die van een enorme onderhuidse spanning zijn, zoals het duet tussen Kundry en Parsifal in het tweede bedrijf. Beide zangers bevinden zich op de uiterste hoeken van de bühne, zeer ver van elkaar verwijderd, en ze gunnen elkaar geen blik. Maar het werkt. Toch slaat hier en daar de verveling toe. Als het deze reprise aan iets ontbreekt, is het dat gevoel van noodzakelijkheid in de vertolkingen van sommige zangers. Zoals zo vaak bij hernemingen kan je je niet van de indruk ontdoen dat de regisseur niet echt de moeite heeft genomen om met al zijn solisten tot een scherp en extreem uiterste te komen. Scenograaf en beeldend kunstenaar Gilles Aillaud gaf ooit deze mooie omschrijving van het regiewerk van Klaus-Michaël Grüber : ?... de fundamentele natuur van zijn theater, (...) bestaat nooit in het overbrengen van een waarheid, in het trekken van een les, in het verhelderen van de realiteit, maar in het produceren van 'iets anders' dat daarnaast bestaat, een soort van parallelle doorslag, een vreemd hybride, (...) Het gaat niet om iets Aristoteliaans of Brechtiaans. Het gaat al evenmin om een portret van de realiteit, maar om een andere realiteit, een zuster van de eerste...? Die uitspraak vat mooi samen wat de kracht en het belang van deze ?Parsifal? uitmaakt. Grüber heeft niet gekozen voor een makkelijk herkenbare standaardinterpretatie van het werk en biedt geen allesomvattende en -verklarende context. ?Parsifal? is hier niet zomaar een ceremonie met christelijke inslag, en al evenmin een muffe Wagneriaanse mythe. Grüber laat allereerst het verhaal zelf spreken en toont dat het eigenlijk een fascinerende actualiteitswaarde heeft. De Graalridders verschijnen hier als een bende uitgebluste, machteloze en voorbijgestreefde machthebbers, die zich wanhopig aan hun privileges vastklampen. Of de verlossing door Parsifal werkelijk heil zal brengen, laat Wagner open. En ook Grüber spreekt zich niet echt uit. Maar de laatste scène is zeker geen groot feest dat een nieuwe start laat vermoeden. Tot slot maakt de muzikale leiding van Simon Rattle deze voorstelling pas echt de moeite waard. Rattle trok al enkele jaren in cirkels om Wagner heen, met uitvoeringen van muziek van Strauss en Janacek, een ?Wozzeck? in Londen of een ?Pélléas et Mélisande? in Amsterdam. Samen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest zet hij een krachtige, heldere en bescheiden ?Parsifal? neer. Met een indrukwekkend strijkerskorps bereikt hij een ritmisch erg uitgebalanceerde en intense orkestklank, terwijl hij toch erg dienstbaar blijft aan de zangers. Daarbij vallen vooral de beresterke Violeta Urmana als Kundry op, die op alle vlakken overtuigt, en een goeie Poul Elming als Parsifal. Toch slaagt hij er evenmin in om van de ?reine dwaas? voor één keer een werkelijk interessant en fascinerend personage te maken. Als dat al mogelijk is. Ook Robert Lloyd is een vocaal wat vermoeide, maar heel aangrijpende Gurnemanz. Brussel mag zich opmaken. En laat ons hopen dat Grüber ook voor die zoveelste reprise nog eens zijn beste beentje zal voorzetten. Jan Goossens Nog voorstellingen in Amsterdam op 12, 15, 18, 21/2. Poul Elming en Robert Lloyd in Parsifal : soberheid en een ontzettend ingehouden spanning.