De Amerikaanse president George W. Bush geeft nog altijd hoog op van de 'vrienden en bondgenoten' met wie hij samen in een coalition of the willing de wereld wil verlossen van tirannie en terreur. Het klinkt hooggestemd, temeer daar er weinig redenen bestaan om het regime in Bagdad, Bush' eerste doelwit, een warm hart toe te dragen. Alleen valt het in de feiten allemaal nogal tegen. De diepe verdeeldheid binnen de NAVO of de Veiligheidsraad van de VN tonen het aan. De Verenigde Staten hebben dat alleen aan zichzelf te wijten. In de kruistocht tegen Irak en zijn president Saddam Hoessein hebben ze tenslotte nooit enige ruimte gelaten voor discussie of overleg.
...

De Amerikaanse president George W. Bush geeft nog altijd hoog op van de 'vrienden en bondgenoten' met wie hij samen in een coalition of the willing de wereld wil verlossen van tirannie en terreur. Het klinkt hooggestemd, temeer daar er weinig redenen bestaan om het regime in Bagdad, Bush' eerste doelwit, een warm hart toe te dragen. Alleen valt het in de feiten allemaal nogal tegen. De diepe verdeeldheid binnen de NAVO of de Veiligheidsraad van de VN tonen het aan. De Verenigde Staten hebben dat alleen aan zichzelf te wijten. In de kruistocht tegen Irak en zijn president Saddam Hoessein hebben ze tenslotte nooit enige ruimte gelaten voor discussie of overleg. Washington volgde altijd en uitsluitend zijn eigen lijn, de vorig jaar uitgewerkte doctrine van de 'preventieve oorlog', die het Witte Huis exclusief naar eigen inzicht wil afkondigen tegen de zogeheten schurkenstaten. De aanleiding daarvoor is niet ver te zoeken: een herhaling van het trauma van 11 september 2001 moet tot elke prijs worden vermeden. Dat is volstrekt legitiem. Maar het leidde tot een monomanie, waarin alleen het onmiddellijke Amerikaanse belang van tel mag zijn. Het ligt dan evenzeer voor de hand dat de traditionele vrienden en potentiële bondgenoten - anders toch nooit de kwaadsten - van meet af aan het gevoel kregen dat ze uitsluitend als vazallen werden behandeld en alleen met aandrang werden verzocht om te zorgen voor diplomatieke steun, kanonnenvlees voor de oorlog en achteraf geld voor de wederopbouw. Of het om arrogantie gaat, om een imperialistische aandrang, om het verlangen om de hand te leggen op Iraks olievoorraden of om een reële zorg over het imminente gevaar van Irak voor de wereldvrede, het resultaat is hetzelfde. Washington deed nooit enige moeite om deugdelijke argumenten te verzinnen waarom een oorlog tegen Irak nu eigenlijk nodig is. Als een luie eerstejaarsstudent hebben de voorstanders van de oorlog zich laten betrappen op het plagiëren van een scriptie die ze op het internet hadden gevonden. Ze gebruikten een vervalst document om aan te tonen dat Irak in Niger uranium heeft aangekocht. Mogelijke bondgenoten en medestanders worden niet overtuigd, maar afgedreigd of afgekocht. En als de publieke opinie sceptisch blijft, dan heet het pruilend dat ze 'het' niet begrepen heeft. Tegen de legitimiteit van de oorlog pleiten tal van ethische, intellectuele of geopolitieke bezwaren. De Veiligheidsraad had daarvoor een uitkomst kunnen brengen. Daar wegen tenslotte niet zozeer de argumenten, maar wel de machts- en belangenafwegingen het zwaarst door. En zelfs daar viel het tegen. Eerst achtten de VS, na resolutie 1441 van vorig jaar, een tweede resolutie niet nodig om de oorlog tegen Irak te kunnen ontketenen. Zonder een fiat van de Veiligheidsraad bleek het echter onmogelijk om de weinige bondgenoten aan boord te houden, in de eerste plaats de Britse premier Tony Blair, die te kampen heeft met steeds fellere kritiek bij zijn publieke opinie en in zijn eigen partij. Daarom dienden de VS dan toch het voorstel voor een andersoortige 'tweede resolutie' in, samen met de Britten en de Spanjaarden, en gesteund door de Bulgaren. Het maakte de weg naar de oorlog zo goed als meteen vrij. Daarop volgde een Brits amendement, met de deadline van 17 maart, om toch tenminste de schijn te wekken dat Irak nog een reële laatste kans kreeg om zich te ontdoen van zijn veronderstelde massavernietigingswapens. Al verandert dat niets ten gronde, want de conclusie staat toch al vast: Irak werkt niet genoeg mee met de VN-wapeninspecteurs en elke suggestie van het tegendeel - zoals de vernietiging van de al-Samoed-2-raketten - is alleen een schijnmanoeuvre. Zodoende blijft alleen de militaire optie over om Saddam te ontwapenen en voor een regimewissel in Bagdad. Ondanks alles is de internationale diplomatie ondertussen een heel eind mee opgestapt in de Amerikaanse oorlogslogica. Irak wordt inderdaad beheerst door een verfoeilijke dictatuur, maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit land nu een zoveel groter internationaal gevaar zou vormen dan pakweg Noord-Korea of, qua terrorisme, Saudi-Arabië, en dat oorlog daar de enige oplossing voor is. Irak lijkt alleen een dringend probleem omdat de VS dat zo willen. En dan dringt zich een zeer ironische vaststelling op. Gesteld dat met Saddam inderdaad een acuut gevaar dreigt, dan is het precies dank zij Washingtons ernst om oorlogsgewijs korte metten met hem te maken, dat hij eindelijk enige bereidheid toont om zich van zijn gruwelarsenalen te ontdoen. Marc Reynebeau