De auteur is socioloog aan de Vrije Universiteit Brussel.
...

De auteur is socioloog aan de Vrije Universiteit Brussel. Christine Van Broeckhoven leidt het departement Moleculaire Genetica aan de Universiteit Antwerpen. De auteur is politicoloog aan de Universiteit Gent. De auteur is logicus en wetenschapsfilosoof aan de Vrije Universiteit Brussel. Sophie De Schaepdrijver is historicus aan de Penn State University in de VS. De auteur is hoofdredacteur van het christelijk opinieweekblad 'Tertio'. Frank Furedi is socioloog aan de universiteit van Kent in Canterbury. De auteur staat aan het hoofd van het Infertiliteitscentrum aan de Universiteit Gent. De auteur is hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven. Jean-Jacques Cassiman leidt het Centrum voor Menselijke Erfelijkheid aan de KU Leuven. De auteur is filosoof en publiceerde in 2004 'De smaak van de ongelijkheid'. De auteur is filosoof en publiceerde in 1999 'Politicide'. Het is nu officieel een jaarlijkse traditie, waarmee we begin 2004 van start gingen. Toen stelden we twaalf wetenschappers de eerste Vraag van Knack û Wat zien we over het hoofd? Het idee hadden we geleend bij de Amerikaanse auteur John Brockman, die op zijn website www.edge.org elk jaar één welgemikte vraag stelt aan een uitgelezen gezelschap van wetenschappers, filosofen en andere intellectuelen. Om 2005 met een zo ruim mogelijke blik te openen, kozen we deze keer voor de vraag: Waarvoor moeten we de komende 50 jaar strijden? We legden ze voor aan twaalf prominente stemmen uit binnen- en buitenland, academici en intellectuelen uit verschillende hoeken en sectoren in de samenleving.Een perspectief van vijftig jaar legt meteen het volle gewicht van de geschiedenis op onze verwachtingen. Over de laatste vier eeuwen werd in het Westen een project uitgebouwd met als kernwaarden het streven naar zindelijk en wetenschappelijk verantwoord denken, persoonlijke zelfbeschikking en zelfverwezenlijking, gelijkheid en welvaart. Dat was noch is vanzelfsprekend. Het project leek geregeld gebroken en werd ook herhaaldelijk onderbroken. Het moest voortdurend worden verdedigd tegen obscurantisme, mysticisme, totalitarisme, extreme vormen van liberalisme en communisme, tegen fascisme en fundamentalisme. Dat zal de komende vijftig jaar niet anders zijn. Inmiddels werd de ganse wereld bij dat project betrokken. Haar kernwaarden worden nu als verzuchting en droom door grote delen van de wereldbevolking gedragen. Bekeken vanuit een globaal perspectief kan dat westerse ontwikkelingsproject nochtans geen onverdeeld succes worden genoemd. De landen die tweehonderd jaar geleden tot meest vermogende van de wereld behoorden, vormen nog steeds het selecte clubje van rijke landen; de behoeftige landen van weleer zijn - op een paar uitzonderingen na - nog steeds arm. Rond 1800 waren de rijkste landen naar schatting zowat vijf keer meer welvarend dan de armste landen. Vandaag ligt het inkomen per hoofd van de bevolking in Zwitserland 400 keer hoger dan in Mozambique. De wereldbevolking explodeert. De moslimlanden groeien nog sneller dan de andere, vooral daar waar gewild analfabetisme van de vrouwen gepaard gaat met religieus fanatisme, zoals in Oman, Jemen, Sudan... De jonge bevolkingen die daaruit geboren worden, zijn onrustig, gemakkelijk bewogen tot terreur en oorlog. Het is daarenboven niet zeker dat de bestaande modellen voor de ontwikkeling van welvaart te verzoenen zijn met de strakke voorwaarden van duurzame ontwikkeling die zich nu opdringen. Waarom zouden de arme landen nu normen respecteren, die de rijke landen zo lang met de voeten hebben getreden? Uit die problemen ontstaat een strijd, hopelijk geen roofoorlog, maar een intellectuele en politieke strijd tussen de maatschappijmodellen die pretenderen een oplossing aan te reiken. Er zijn, voorlopig, twee duidelijk verschillende manieren waarop een land rijk kan zijn: de sociale Europese manier en de Angelsaksische. De eerste is beter, brengt meer gelijkheid, minder armoede, meer zelfbeschikking, meer redelijkheid, meer duurzaamheid. Daarom moeten we de komende vijftig jaar strijden voor de globalisering van de Europese verzorgingsstaat. Als wetenschapper wil ik in de eerste plaats pleiten voor meer begrip voor onszelf, als biologische soort. Als we blijven leven zoals we dat nu doen, zullen we moeten aanvaarden dat we allemaal deel uitmaken van dat geheel, van die ene menselijke soort. De wereldbevolking zal de komende vijftig jaar alleen maar toenemen, dus respect en verdraagzaamheid worden almaar belangrijker. Dat respect kan het beste worden gevoed door kennis - kennis over hoe wij als mens biologisch en genetisch in elkaar zitten. Iedereen verdient dezelfde rechten, of je nu man of vrouw, islamiet of katholiek of ongelovig, geel of rood of wit bent. Dat betekent óók het recht om verschillend te zijn. Want iedereen gelijk betekent niet iedereen hetzelfde. In de Europese context houdt dat in: strijden voor één Europa, maar met respect voor de diversiteit. Europa mag geen eenheidsworst worden, iedereen moet in zijn eigen taal, religie en cultuur kunnen blijven leven. Aangezien we met steeds meer zullen zijn, moeten we onvermijdelijk ook nadenken over een andere vorm van samenleving, een ander socio-economisch model. Vandaag heeft iedereen ongeveer hetzelfde levenspatroon: opvoeding, school, werk, pensioen - iedereen komt ongeveer op hetzelfde moment in zijn of haar leven in de volgende fase terecht, iedereen stroomt op hetzelfde moment van de dag naar het werk en weer naar huis. Dat zal op termijn niet meer houdbaar zijn, dus ook daar zou de diversiteit groter moeten worden, zodat iedereen voor zichzelf een eigen levenspatroon kan uitstippelen. De verschillen tussen generaties zullen, met de stijgende levensverwachting, ook blijven toenemen: pas als je met pensioen gaat, beschik je over het geld dat je eigenlijk nodig hebt als je jong bent. In verband met de vergrijzing is het erg belangrijk dat Europa niet blijft achterlopen op Japan en de Verenigde Staten op het vlak van biomedische ontwikkelingen. Straks zitten alle intellectuele eigendomsrechten in Japan en Amerika, en dat zal de mondiale verdeling van gelijke rechten niet ten goede komen. We mogen tot slot ook niet vergeten respect op te brengen voor de natuur. De mens leeft niet alleen in een maatschappelijke, maar ook in een natuurlijke context. En de natuur bepaalt uiteindelijk ook hoeveel mensen zullen kunnen overleven, denk maar aan de recente aardbeving in Zuidoost-Azië. Ook in dat opzicht moeten we strijden voor meer kennis en meer respect. Het lijkt misschien wat overtrokken, maar de komende vijftig jaar moeten we vooral strijden voor het in stand houden van onze democratie. De democratie lijdt steeds meer aan een kwaal die reeds in de jaren '30 van de vorige eeuw opgang maakte: het racisme. De groeiende marginalisering van mensen 'die anders lijken' is een gevaarlijke voedingsbodem voor ideologieën die ons democratisch bestel ondermijnen. Vandaag staan we, mits enig voorbehoud, voor hetzelfde gevaar: een collectieve amnesie voor de werkelijke problemen die men nogal gemakzuchtig afschuift op een ander, meestal 'de moslim'. Het gevaar schuilt helemaal niet in de islam of de hier aanwezige moslims - amper vier procent van de bevolking - het gevaar schuilt in de radicalisering, verzuring en verstarring van de burgers. De burger trekt zich spijtig genoeg steeds minder aan van zijn burgerschap. De massale kiesintenties voor het Vlaams Belang zijn een teken aan de wand. Een partij die openlijk zegt dat ze zich niet gebonden voelt aan het vonnis van een rechtbank, ondermijnt ons geloof in de rechtstaat, toch een van de peilers van onze beminde democratie. Een moslim die dat doet, zou direct antiwesters worden genoemd! Die massale amnesie keert de aard en de logica der dingen om. Vroeger vochten we voor de toepassing van de mensenrechten, vandaag proclameren we dat wij de belichaming van de mensenrechten zijn en dat we ze daardoor, per definitie, niet schenden. De claim democratisch te zijn is verschoven van het register van de beoordeling - want we kunnen nagaan of rechten worden geschonden - naar het register van de identiteit - we zijn zo, dus kritiek is niet gefundeerd. De democratie zien als een essentie of identiteit van 'het Westen' luidt de ondergang van die democratie in. De democratie ontstond in delen van West-Europa, maar het was een lange en pijnlijke strijd voor emancipatorische krachten. De kritische interne component wordt steeds meer vergeten, waardoor we niet meer luisteren naar andere stemmen. Nochtans is dat een voorwaarde sine qua non om onze democratie levendig te houden, teneinde de onvolmaakte balans tussen het algemene belang en de individuele vrijheden zo goed mogelijk in te vullen. De komende vijftig jaar zullen we moeten strijden tegen alle tendensen die de democratie uithollen door ze kritiekloos te verkondigen zonder de inspanning te doen ze te verbeteren, te verdiepen en aan te passen. Zo niet dreigen we, zoals een eeuw geleden, de mensheid naar nieuwe diepten en catastrofes te leiden. De titel suggereert dat ik meen dat we moeten strijden voor meer, meer en meer, want alleen een nooit stoppende groei kan ons redden. Je hoort het zo vaak tegenwoordig dat alleen dat onze redding zal wezen. Maar 'grenzen verleggen' krijgt een andere betekenis indien we iets specifieker denken in termen van onder- en bovengrenzen. De ondergrens van toegang tot onderwijs voor iedereen moet lager komen, eigenlijk moet ze verdwijnen, want iedereen heeft er recht op; de ondergrens van wat een woning mag genoemd worden, moet zo mogelijk nog sneller verdwijnen, want iedereen heeft recht op beschutting; de ondergrens wat betreft respect voor de mensenrechten moet ogenblikkelijk voor onze ogen verdampen, want zou u een buitenaardse intelligentie durven rondleiden op aarde zoals u een bezoeker trots uw nieuwe villa laat zien? Ik niet in ieder geval. De bovengrens (want ze zijn er ook) van het aantal aardbewoners moet dringend omlaag en, rekening houdende met het voorgaande, zullen we proberen om het zo menswaardig mogelijk te doen, alsof er geen ondergrens is aan menswaardigheid? Aids kun je op een perfide manier zien als een 'natuurlijke' remmer op de bevolkingsaangroei en op een perverse manier als een straf van een goddelijke entiteit. Maar, in godsnaam - en ik kies mijn woorden. Willen al die religies en geloofsovertuigingen die een godheid vereren die meent dat elk spermaatje heilig is, hun god - of zijn vertegenwoordiger(s) op aard - daarover alstublieft streng bevragen? Het kan toch altijd dat hij zich wat slordig heeft uitgedrukt of dat de menselijke factor heeft gespeeld, waarmee ik bedoel dat de godheid zich toch uiteindelijk tot een mens moet richten, en welk wezen krijg je minder uitgelegd dan de mens? Zijn dat geen waanzinnig mooie objectieven om na te streven? Ja toch? Maar wat als het meest vervloekte aller vervloekte woorden valt: hoe? Strijden is een zeer actief werkwoord, het smeekt om handelen. Hoe? Ik weet het niet, maar ik weet wel wie het meest geschikt zijn op dit ogenblik om ons misschien een antwoord te geven: de mens-, maatschappij- en cultuurwetenschappers. Let wel: geschikt, maar niet onfeilbaar, heilig of absoluut betrouwbaar. Maar wel, in alle eerlijkheid, het beste wat we nu hebben. Wie wetenschappelijk onderzoek zegt, zegt opleiding. Wie opleiding zegt, zegt onderwijs. Dus kom ik weer uit bij mijn eerste ondergrens. Blijkbaar is dat de belangrijkste zaak om voor te strijden, maar je moet uiteraard eerst de mens opvoeden om dat te beseffen! Het grootste samenlevingsprobleem op dit moment is het in stand houden van de sociaal-democratie, als streven, als mogelijkheid. Dat lijkt mij de grote uitdaging voor Europa te zijn. Want dát is, voor mij, Europa. Als er in de States wordt gesproken over een Europese identiteit, dan denk ik zelden aan Goethe, of aan Beethoven, of aan de Weense binnenstad, maar dan denk ik vooral aan de sociaal-democratie, de christen-democratie incluis. De sociale gedachte: de gedachte dus dat een samenleving qua samenleving haar rechten heeft, dat er dus méér is dan de ambitie van het individu, en dat een beetje samenleving een solide onderbouw van sociale solidariteit, maar ook van sociale burgerzin, vereist - díé gedachte wordt momenteel uitgedaagd, als verouderd en onhoudbaar afgedaan. Toch is, volgens mij, de tegenwoordige Europese identiteit - zoals die historisch is gegroeid, en verankerd in ons verwachtingspatroon - daar onlosmakelijk mee verbonden. Maar dan zonder afsluiting en zelfgenoegzaamheid. Idealiter. Ziedaar de allergrootste uitdaging: hoe dat ideaal consolideren en tegelijkertijd een open samenleving betrachten? Hoe hou je sociale rechten in stand zonder tot een zelfgenoegzame, gesloten, elke inwijking afwijzende samenleving te verstenen? Dat is volgens mij de grote uitdaging. Het denken in termen van culturen die nu eenmaal zus zijn of nu eenmaal zo zijn, zet in deze geen zoden aan de dijk. Grote veralgemenende uitspraken over dé islam, dé westerse waarden brengen ons niet verder. Maar wel zeer concrete vragen, concrete principes... en een serie weldoordachte compromissen. Vaderlandslievend als ik ben, meen ik dat bepaalde elementen in de Belgische politieke cultuur, in de openbare habitus, zich zeer wel lenen tot het zoeken naar compromissen, pragmatisch en inventief. Dat levert enige wanstaltigheid op, maar dan ook weer een schoonheid van de wanstaltigheid, om het met Geert Van Istendael te zeggen. Een bepaalde goede wil, hoe dan ook. Ik denk dat we in dit land, als we goed graven in onze gemeenschappelijke geschiedenis - want alle communautarisme ten spijt bezitten we een gemeenschappelijke geschiedenis - nuttige aanzetten kunnen vinden. Het probleem is globaal, maar er bestaan vaderlandse aanzetten tot oplossingen, die het de volgende halve eeuw nog wel zullen uithouden. Let wel: aanzetten, geen echte oplossingen. Zo hoopvol ben ik nu ook weer niet. Maar ook weer niet helemaal wanhopig. Er is genoeg onrecht en misère in de wereld om tegen te strijden. De armoede berooft nog altijd miljoenen bewoners van onze planeet van een menswaardig leven. Het geweld woedt wereldwijd in verschillende gedaanten: oorlogen en gewapende conflicten, maar ook agressie tegen weerlozen op straat en in het gezin. Aids trekt een dodelijk spoor door de derde wereld. De manier waarop we met het milieu omgaan, baart al evenzeer zorgen. En er is ook nog de dagelijkse portie stompzinnigheid die ons via de massamedia overspoelt en die we met een flinterdun laagje cultuur trachten te maskeren. Toch staat de terugkeer van de 'geest der utopie' bovenaan mijn prioriteitenlijst van datgene waar we de komende vijftig jaar moeten voor strijden. Met het einde van de Grote Verhalen en de teloorgang van de utopieën verdwenen grotendeels ook idealisme en religiositeit uit de samenleving. Voor velen is er geen God, geen ideaal, geen utopie meer. We zijn het vertrouwen in de eenheid achter onze werkelijkheid kwijt en voelen ons, als zandkorrels in een oneindige ruimte, aan onszelf overgelaten. Onttoverd en geobjectiveerd. Daardoor is er een kleurloze generatie opgegroeid die weliswaar degelijk is opgeleid, maar voor wie scepsis, ironie en cynisme het halen van toewijding en overgave. Hedonisme is dan ook het kenmerk van de hedendaagse cultuur. 'Je leeft maar één keer', hoor je om de haverklap. Waar kwaliteit haar betekenis heeft verloren, wordt de mens aan kwantiteit overgeleverd, aan de passie van de verdubbeling. Het vele, snelle, nieuwe en fantastische, kortom de superlatief, moet het tekort aan zin opvangen. Zo geraken we collectief in de ban van de uitwas van wat er al was, van de absurde groei van almaar hetzelfde. De metafoor daarvan vinden we terug in de woekering van onze cellen: in kanker en kloon. Een leven zonder utopie is een leven zonder horizon. Waar vind je trouwens nog mensen die rustig in de verte zitten te kijken? Het is niet toevallig dat elke blik in het oneindige ons doet opschrikken. En toch... Ondanks het onbegrip en de ontmoediging die kerk en geloof bij velen oproepen, ondanks de onuitvoerbaarheid van de utopische ontwerpen van de Verlichtingsideologen en ondanks de hedendaagse vlucht in het hedonisme, blijven de grote idealen van de Franse Revolutie - de seculiere vertaling van de hoop die de joods-christelijke beschaving eeuwenlang heeft bezield - de mensheid als een belofte voor ogen staan. Het ergste wat ons kan overkomen, is dat uitgerekend dat verlangen naar utopie in ieder van ons sterft. We beleven momenteel een crisis van het zelfvertrouwen, we zijn gedesoriënteerd en geloven kennelijk niet meer in de mogelijkheid van de mens om zijn eigen lot in handen te nemen en onder controle te krijgen. Dat zelfvertrouwen, dat geloof in het idee van menselijke vooruitgang, moet worden hersteld. In feite hebben we een herstel van de Verlichting nodig. 'Onze cultuur, onze maatschappij, wantrouwt de mens. Er heerst een sterke antihumanistische mood die ook een grote invloed heeft op de politiek. Als we niet uitkijken, beginnen we straks opnieuw te geloven in een soort erfzonde: de mens als bron van alle kwaad, de mens die eigenlijk niet in staat is om rationele en betrouwbare keuzes te maken. We vertrouwen elkáár ook niet meer, dat zie je in relaties, ook tussen ouders en kinderen, ook tussen collega's op het werk... Ook op grotere schaal zijn we achterdochtig, bijvoorbeeld wat betreft wetenschap en technologie. Of het nu gaat om stamcelonderzoek, om dierproeven, om genetische manipulatie - telkens weer blijkt dat we ervan uitgaan dat technologische vooruitgang het recept is voor catastrofes. 'Datzelfde wantrouwen ligt aan de basis van de toenemende beperking van de vrije meningsuiting. In Groot-Brittannië wordt nu zelfs gediscussieerd over het feit of humoristen nog wel grappen mogen maken over godsdienst. Alweer een voorbeeld van overdreven regulering die het gevolg is van wantrouwen en angst. We voelen onszelf te kwetsbaar. 'Hoe we de strijd voor het herstel van de Verlichting moeten aanbinden? Volgens mij kan dat op twee niveaus. Ten eerste is het in hoge mate een intellectuele strijd: we moeten het humanisme opnieuw humaniseren, door het progressieve karakter van de menselijke persoon in ere te herstellen. Die stem moet sterk worden vertolkt in het maatschappelijke debat. Maar ook de overheid kan inspanningen doen, heel praktisch en concreet, door bepaalde dingen gewoon níét meer te doen. Momenteel worden er namelijk veel wetten en wetjes uitgevaardigd die in feite uitgaan van dat wantrouwen in de mens, de overheid bemoeit zich steeds meer met ons privé-leven. Die vorm van micro politics kan worden afgebouwd, als ook politici het antihumanisme verlaten en opnieuw gaan geloven in de mogelijkheid van vooruitgang. Strijden? Moeten we Ten Oorlog trekken? De pers brengt dagelijks nobele strijddoelen aan, zoals wereldvrede en tolerantie. Toch lijkt het een pathetische utopie daarvoor te strijden. Wereldvrede en tolerantie worden al in de kiem gesmoord door de bitsige nijd en bijtende naijver onder collega's op een eiland. Politieke, sociale en economische conflicten zullen onverbiddelijk hun gang gaan. Maar schoonheid en troost kunnen zweven boven het wringen en wroeten van de bewoners van Midden-Aarde. Het is met ongebonden schoonheid van woorden dat Tacitus, Byron, Couperus en Elsschot ons vandaag nog kunnen tormenteren en vertederen. Aragorn leidt ons met duizelingwekkend dreigend dromende blik langs een wervelend kluwen van gedrochten en elfen naar vrijheid, verlossing en schoonheid. De majestueuze rijzigheid van twee torens, toen en nu, bindt schoonheid aan menselijke prestatie. Schoonheid is ook Batistuta, Beckham en Ronaldinho die meedogenloos mooi hun ploeg naar de overwinning leiden. Of Lance Armstrong die bovenmenselijk de goden tart op Luz Ardiden. Schoonheid is zowel een Mexicaanse tempel als de mexican wave, zowel Puccini als U2. Laten we ervoor strijden dat voor ieder een stukje schoonheid betaalbaar blijft. Geef zowel de kunstenaar als de coureur een inkomen als hun muze daarmee kan leven en zij duizenden kunnen beroeren en ontroeren. Eén moment van schoonheid maakt lelijkheid lichter en draaglijker. Schoonheid brengt troost. We moeten ook strijden voor troost die langer dan een moment duurt. Wetenschap kan die troost brengen. Laten we daarom heftig strijden voor vrij wetenschappelijk onderzoek. De magmatische stuwing van aids zal alleen gestopt kunnen worden dankzij fundamenteel onderzoek. Laten we vooral niet naïef zijn, aids is een voorschok en sars een kleine eruptie, maar de opmars uit de microwereld is begonnen. Een ander terrein waarop we preventief moeten werken, is stamceltechnologie. Op een goede dag zijn al onze chemische medicamenten uitgewerkt en kunnen we onszelf alleen nog genezen met onszelf. En als we ooit iedereen willen voeden, zou genetische manipulatie tot hoog kwalitatief voedsel de sleutel kunnen zijn. Misschien kan zelfs hoogtechnologische matrix duellering in cyberspace elke grondoorlog overbodig maken. Maar laten we vooral ook vrij onderzoeken hoe we rijkdom van wetenschap aan iedereen kunnen bieden, aan koningen, mensen en hobbits, aan tovenaars, trollen en elfen. In schoonheid en troost gaat niemand verloren. De utopie nam tot voor kort twee vormen aan: het geloof in de onzichtbare hand van de markteconomie of de hoop gesteld op de sociaal-politieke revolutie. In beide vormen lijkt het utopisch verlangen voor afzienbare tijd gediscrediteerd. Daarmee zijn de vele contradicties tussen Noord en Zuid, tussen eerste en vierde wereld, tussen meerderheden en minderheden natuurlijk niet verdwenen. Voorzover hij niet de ogen afwendt, verlangt ook de mens van de 21e eeuw een oplossing voor die contradicties. Vele tekenen wijzen erop dat die oplossing meer en meer gedacht wordt vanuit de biopolitiek - gesteund op de biotechnologie. De beheersing van 'het mensenpark' lijkt alleen nog op die basis mogelijk. Wat is vandaag meer vanzelfsprekend dan een betere regeling van de productie van menselijke wezens en betere begeleiding van veroudering en dood door biowetenschap en -technologie? Ook aan de aanzwellende gevoelens van nutteloosheid en angsten allerhande kan medisch-technisch het hoofd worden geboden. Plastische chirurgie en orgaantransplantatie staan een grote toekomst te wachten. Meer en meer verhoudt de mens zich tot zijn lichaam als tot een instrument. Hij koloniseert zichzelf tot in zijn diepste vezels. De handel in 'geneesmiddelen', cellen, embryo's, organen, baby's en kinderen neemt toe. De uitdagingen zijn groot. Hoe ver gaan in de verdinglijking en commercialisering van menselijke lichamen of hun onderdelen? Waar zijn de regels voor het beheer van het mensenpark? Zullen die primair gericht zijn op het sussen van de argwaan van de massa, en vooral de commercie dienen? We hebben niet zomaar nieuwe morele verkeersregels nodig, maar een radicale herbronning: waarover gaat het eigenlijk bij de eerbied voor de mens, voor het menselijk lichaam? De ethiek loopt te veel achter op de techniek, zegt men. Alsof alles wat kan - en vooral opbrengt - dan maar moet worden toegelaten... De vraag is ook of de biopolitiek de tegenstellingen niet nog verder zal doen toenemen, niet alleen tussen Noord en Zuid, maar ook tussen hen die bekwaam zijn tot self-management en de groeiende wereld van onaangepasten, zieken, gehandicapten en bejaarden, die meer en meer als overbodige ballast zullen worden gepercipieerd. Het zal wel zo'n vaart niet lopen? Altijd weer lijkt de utopie op iets anders uit te draaien dan men verwachtte. De geschiedenis verrast ons steeds weer. Toch is dat geen voldoende reden om niet nu al op een of andere manier weerstand te bieden ter verdediging van de eer van de mens en van de heiligheid van het lichaam. We zullen vooral moeten strijden om te overleven, want over vijftig jaar zijn de meesten van ons er niet meer. (lacht) Maar dat is een boutade, natuurlijk, en erg persoonlijk bovendien. Als maatschappij zullen we er alles aan moeten doen om te voorkomen dat we onszelf voorbijspurten. Want we zitten nu al met een enorm probleem, dat alleen maar groter zal worden. Veel mensen stoppen met werken rond hun vijftigste. Ze hebben genoeg verdiend, hard gewerkt, hun pensioen is verzekerd, ze hoeven zich geen zorgen meer te maken, en dat is hen van harte gegund. Maar ondertussen zitten we met een jongere generatie die zich in bochten moet wringen om het ritme te kunnen blijven volgen: voortdurend bijscholen, flexibel zijn, aanpassen... Tegelijk komen duizenden mensen op straat om te betogen voor arbeidsduurverkorting en loonsverhoging. Zo zitten we op den duur helemaal in de tang. Want we zullen almaar korter willen werken en toch almaar meer moeten presteren om onze welstand te behouden. En dus zullen de mensen die straks op hun vijftigste met pensioen gaan, er niet meer van kúnnen genieten, omdat ze volledig uitgeblust zijn. Dat systeem staat op ontploffen. Doordat we zo vroeg met pensioen gaan, gooien we ook veel menselijk kapitaal weg, dat in een ander ritme zeker nog zou kunnen renderen. Kortom, we moeten onze tijdsbeleving en ons tijdgebruik opnieuw bekijken, opdat we niet in tijdnood zouden geraken. De nadruk moet meer op kwaliteit en creativiteit van het werk komen te liggen dan op kwantiteit en het aantal gepresteerde uren. Jongeren zouden om de vijf jaar bijvoorbeeld een sabbatical kunnen inlassen, om te reizen, of gewoon om te profiteren van het leven. Daardoor zou de druk op de jongere generaties al wat kleiner worden - er zijn per slot van rekening ook steeds mínder jongeren, wat nog een reden is waarom dit op termijn niet houdbaar is. Een ander werkritme en het inlassen van rustperiodes voor wie jonger is, doet de noodzaak om op vijftig met pensioen te gaan misschien stilaan verdwijnen. Anderzijds hoeven zestigers en - waarom niet? - ook zeventigers die nog kúnnen en willen functioneren, niet noodzakelijk op te houden met werken, zij het met een ander ritme dan wat we nu kennen. Nietsdoen is eigenlijk een luxe die we ons niet zo lang kunnen permitteren. Trouwens, er zijn heel wat gepensioneerden die als vrijwilliger nog in belangrijke mate kunnen bijdragen aan de welvaart van onze maatschappij. Die mogelijkheid moet bestaan. Anders raakt onze maatschappij straks in ademnood. De veranderingen op geografisch, sociaal, economisch en cultureel vlak zijn indrukwekkend. Denk aan de enorme verstedelijking in het Zuiden en de problemen in sociale buitenwijken in het Noorden; de ontwikkelingen in de wetenschap en techniek, met de explosieve toename van gsm- en internetgebruik; de gevolgen van bepaalde ecologische rampen; de omvang van het aantal vluchtelingen en de economische afhankelijkheid tussen landen onderling. Die veranderingen zijn ook in Vlaanderen voelbaar. Een terroristische aanslag duizenden kilometers ver leidt tot arrestaties in Brussel en Maaseik. In de mondiale wedren om lagere lonen en lasten verhuizen Vlaamse bedrijven naar het buitenland. De migratie naar Vlaanderen vanuit landen met een zwakke sociale zekerheid duurt voort. In Vlaanderen is de industrie nagenoeg verdwenen en na de liberalisering van de elektriciteitsmarkt komen ook andere sectoren onder druk te staan. Hoe ver staan we in Vlaanderen nog van een commercialisering van watervoorziening, gezondheidszorg, onderwijs en andere collectieve diensten? De bewegingsruimte van politici is beperkt en de machteloosheid van de politiek neemt toe. De terechte indruk dat onze politici de internationale en Europese besluitvorming passief ondergaan, geen greep meer hebben op ons dagelijks leven en daardoor hun toevlucht nemen tot pep- en pretpolitiek in de marge, versterkt het gevoel van onzekerheid bij de mensen. Politiek is de techniek geworden om in het zadel te blijven. Politiek is niet langer de kunst om mensen te bewegen of te motiveren, maar de behendigheid om te beheren of te besturen. Daardoor heeft de politiek haar macht om iets tot stand te brengen, te verhinderen of teniet te doen zelf aan banden gelegd. Politieke middelen - waaronder het besturen - zijn doel geworden. Wanneer macht niet veel meer dan schijn is, wordt politiek schijnheilig en worden mensen bang. En angst om te verliezen wat men moeizaam heeft verworven, werkt extremisme in de hand. Politiek moet meer zijn dan pragmatiek. Het radicaal pragmatisme, waarbij slechts het haalbare wordt nagestreefd, maakt politieke besluiten ongeloofwaardig. Goed bestuur volstaat dan niet meer om het extremisme uit te sluiten van de macht. Politiek moet weer politiek worden. Geen poppenkast van experts en technici die van alles weten, maar een strijdtoneel van verstandige politici die van alles willen. De politieke strijd van de komende vijftig jaar is daarom bij uitstek die voor het eerherstel van de politiek. Een willekeurige bushalte in Brussel-centrum. De bus is laat. Onder de wachtenden twee Marokkaanse tienermeisjes: het ene gesluierd, het andere hooggehakt in lichte zomerjurk. Een veertigjarige man begint te tieren tegen het meisje in zomerjurk. In het Arabisch, voor de zekerheid doorspekt met ' sale pute'. De omstanders kijken toe. Ook uw correspondent komt niet verder dan handenwringen. Allen opgelucht als eindelijk de bus verschijnt. De intrede van de islam in de moderniteit is het belangrijkste politieke verschijnsel van de komende halve eeuw. Het statuut van de vrouw is hier de lakmoesproef. Krijgt zij gelijke rechten? In de Parijse buitenwijken strijden zelfbewuste moslimmeisjes om aan het duivelse dilemma te ontsnappen: Ni putes, ni soumises, Sloeries noch slavinnen. Dat kan een langdurige strijd worden. Vergelijk het met de Verenigde Staten, waar niet de vrouw maar de zwarte de testcase van de modernisering was. Er was in de 19e eeuw een bloedige burgeroorlog nodig, en in de 20e eeuw een moedige burgerrechtenbeweging, voor gelijkberechtiging van zwarten verwezenlijkt was - en zij, om zo te zeggen, erkend werden als ' ni fauves, ni soumis'. Zijn wij nog op weg naar het Einde van de Geschiedenis? Een wereld van liberale democratieën die in vrede met elkaar handeldrijven? Dat profeteerde Francis Fukuyama in 1989, toen het sovjetcommunisme ineenzeeg. Twaalf vette en beschutte jaren volgden. Elf september 2001 bracht echter de schok dat de westerse vrijheid en welvaart van nieuwe zijde worden bedreigd. Na nazibruin en sovjetrood deed nu islamgroen een zet tegen de modern-democratische onbepaaldheid. Het historische 'Einde' wijkt achter de horizon. Niettemin, wie ver genoeg vooruitkijkt, kan optimistisch blijven. Ook die moderniseringscrisis zullen wij doorstaan. In 2054 hebben de moslimbroeders & Osama verloren van de moslimmeisjes en hun stemrecht. Maar dan de vraag van de strijd. Die komt voor elke geschiedfilosofie à la Hegel, Marx of Fukuyama: moeten wij hier nog iets aan doen, of ontrolt de Weltgeist zich vanzelf? Behoeven wij een avant-garde, of kunnen wij de stormen over ons heen laten rollen tot de feministisch-democratische dageraad onzes ondanks ook in Pakistan en Saudi-Arabië aanbreekt? Laten wij - in alle bescheidenheid - op de bres komen. Laten wij tonen dat islam en democratie samengaan. Laten wij Turkije welgemoed ontvangen in de Europese Unie. Laten wij Saudische geldkranen naar het Westen dichtdraaien. Laten wij strijden voor de zomerjurk in het straatbeeld van onze binnensteden. Samenstelling Joël De Ceulaer