De meest ingrijpende, minst begrepen en moeilijkst bespreekbare ontwikkeling van de voorbije eeuw in het oude Europa is ongetwijfeld de ontkerkelijking en ontkerstening van de samenleving geweest. Een alles profanerende tijdsgeest ontnam mensen hun vast gewaande geloof, of bevrijdde hen van mythen waarin ze nooit hebben geloofd; het is niet altijd duidelijk en ook niet eenduidig wat zich heeft afgespeeld. Zeker is dat velen zich beroofd en verraden voelen, en anderen opgelucht. Er is in elk geval veel verscheurd, vergaan of losgelaten de voorbije jaren: banden met het verleden, sacrale symbolen, gregoriaans gezang, volkse devoties... Wat bewaard bleef, onaangetast door alle stormen en erosies, maar waarover het steeds moeilijker wordt te praten, is de kern zelf van het belaagde geloof.
...

De meest ingrijpende, minst begrepen en moeilijkst bespreekbare ontwikkeling van de voorbije eeuw in het oude Europa is ongetwijfeld de ontkerkelijking en ontkerstening van de samenleving geweest. Een alles profanerende tijdsgeest ontnam mensen hun vast gewaande geloof, of bevrijdde hen van mythen waarin ze nooit hebben geloofd; het is niet altijd duidelijk en ook niet eenduidig wat zich heeft afgespeeld. Zeker is dat velen zich beroofd en verraden voelen, en anderen opgelucht. Er is in elk geval veel verscheurd, vergaan of losgelaten de voorbije jaren: banden met het verleden, sacrale symbolen, gregoriaans gezang, volkse devoties... Wat bewaard bleef, onaangetast door alle stormen en erosies, maar waarover het steeds moeilijker wordt te praten, is de kern zelf van het belaagde geloof.Onder het oude regime was het niet nodig, en zelfs amper toegelaten, erover te praten. De waarheden lagen toen vast, de weg naar de eeuwige zaligheid was uitgestippeld en het volstond te geloven en te volgen. De Kerk sprak, de gelovige luisterde, alleen in de biechtstoel was het andersom. Maar nu is er behoefte aan gesprek. Niet aan nog meer discussies over de organisatie van de kerk of het gezag van de paus, maar aan getuigenissen van wat omgaat in de ziel van de gelovige. Het gesprek zou opener kunnen zijn dan ooit, omdat veel van het oude onderscheid tussen gelovigen en niet-gelovigen is weggevallen. Er is nu zoveel dat gelovigen niet meer geloven en niet-gelovigen geloven dat het beide partijen makkelijker moet vallen in elkaar de lotgenoten te zien die ze altijd al waren. Maar hoe nodig ook, elk gesprek over religie wordt steeds moeilijker te voeren omdat het onderwerp verder wegtrekt uit de gedachtewereld van de moderne mens, ongetwijfeld ook als gevolg van het heersende kille religieuze klimaat. Bovendien is de gebruikelijke ontmythologiserende wijze van spreken ongeschikt. De rationele, analytische, ondervragende of onderzoekende stijl waarin het de gewoonte is problemen te bespreken, kan nooit tot de kern doordringen van waar het geloof over gaat. Zo is het religieuze geloof zeker niet te peilen aan de hand van een courante vraag als 'gelooft u in het bestaan van een God?'Voor de gelovige is niet God de vraag, maar hijzelf. 'Besta ik?', zou een zinniger vraag zijn dan 'bestaat God?'. Ik, die slechts mijn kleine, altijd wisselende, nimmer blijvende nu-momenten doormaak; ik, die op elk ogenblik ophoud te zijn wat ik was en daardoor nooit 'ben'; ik, die vervlieg; die bovendien faal in alles wat ik zou willen zijn; die niets weet van wat ik zou willen weten; hoe kan ik zeggen dat ik besta tenzij in de meest beperkte betekenis van dat woord? En toch dringt iets van de aanwezigheid van een absoluut, tijdloos, onvergankelijk 'zijn' in me door waardoor ik er toch ben, hoe weinig ook. Het is die oneindigheid die zich in mijn eigen eindigheid toont, die volkomenheid die ik niet ben, maar waarin ik me opgenomen voel, die ik soms God wil noemen, maar beter onbenoemd zou laten. Hoe daarover spreken? Elk woord schiet te kort, elk begrip is gebrekkig. Door heel de geschiedenis heen hebben mensen alle talenten waarover ze beschikten aangewend om hun religieuze ervaringen tot uitdrukking te brengen; ze spraken niet alleen, ze zongen, dansten, ontstaken vuren, kapten beelden uit marmer, bouwden tempels met hoge zuilen, verbrandden wierook en kozen zich heilige symbolen. Ze vertelden fascinerende scheppingsverhalen, bezwoeren het kwaad dat de schepping bedreigt, schonken wat hen dierbaar was aan de allerheiligste goden, en hielden collectieve erediensten (al trokken de meest toegewijden zich ook terug om zich in eenzaamheid aan het Allesomvattende over te geven). Uit die menselijke drang tot veruitwendiging van de diepste existentiële ervaringen ontstonden de vele religies, een haast oneindige verscheidenheid van mythen, riten en wijze leringen. Alle spreken ze in wezen over het onbespreekbare: het volle, waarachtige 'zijn', het afgrondelijke 'niet-zijn', en het leven, lijden en sterven van de mens tussen die twee in. Alle religies zijn historisch gegroeide gestalten van dit algemene bewustzijn. De christelijke religie geeft op haar eigen wijze uitdrukking aan de ervaringen van het joodse volk en van de boodschap van verlossing waar de rabbi uit Nazareth over sprak. In tweeduizend jaar heeft deze religie een schat aan teksten, kunstwerken en liturgische elementen voortgebracht waarmee ze haar sacrale handelingen stelt. Deze kerk is oud nu, geworteld in een diep verleden. Haar taal, haar hele uitstraling, is die van haar tradities. Zoals een oude eik het mysterie van het bestaan krachtiger uitstraalt dan een jonge den, zo brengen ook oude teksten en gebruiken de eeuwigheid waarover de kerk spreekt, sterker tot uiting dan nieuwe spullen. Het oude legt een verbinding met het diepe, het universele, het blijvende. Een heilig voorwerp is altijd een oud voorwerp. Daarom is het christendom (zoals de andere religies) aan traditie gehecht en over het algemeen tegen modernisering gekant.Maar de samenleving evolueert en moderniseert. De verhouding tussen een seculiere maatschappij, waarvoor innovatie een levensvoorwaarde is, en een kerk waarvan de uitstraling door elke verandering aan kracht dreigt te verliezen, kan niet anders dan contrastrijk zijn. Het is daarom een wezenlijk onnatuurlijk proces wanneer de kerk zich aan maatschappelijke eisen aanpast. Indien het gebeurt, wijst het feit er op zichzelf al op dat deze kerk vermaatschappelijkt is en nog te weinig authentiek en 'onwerelds' religieus. Aangezien de katholieke kerk zich in Europa al eeuwen nauw heeft verbonden met politieke, academische en zelfs economische machten, mag het geen wonder heten dat zij gedwongen wordt de maatschappelijke evolutie te volgen. Vandaar de roep om democratisering, modernisering en aanpassing aan nieuwe maatschappelijke zeden en inzichten. Het probleem voor de kerk is niet dat zij te traag toegeeft, zoals de critici beweren, maar dát zij toegeeft. Daardoor bevestigt en versterkt ze nog haar verwikkeling in het maatschappelijke leven, een toestand die bezig is tot haar effectieve verdwijning te leiden. Een kerk in crisis moet niet moderniseren, maar terugkeren naar haar bronnen.Gerard Bodifée