In vergelijking met de chimpansee zijn wij in de loop der tijden een zachtaardige soort geworden. Waarschijnlijk stammen wij af van voorouders die, zoals de chimpansees nu, in vrij kleine groepen leefden en buren niet zagen zitten. Ze gingen meteen in de aanval (of in de verdediging) als vreemdelingen hun territorium naderden.
...

In vergelijking met de chimpansee zijn wij in de loop der tijden een zachtaardige soort geworden. Waarschijnlijk stammen wij af van voorouders die, zoals de chimpansees nu, in vrij kleine groepen leefden en buren niet zagen zitten. Ze gingen meteen in de aanval (of in de verdediging) als vreemdelingen hun territorium naderden. Maar geleidelijk, als gevolg van allerhande demografische en sociale aanpassingen, tilden wij ons goed gevoel over de groepsgrenzen heen, zodat er minder gewelddadige interacties met individuen uit andere groepen kwamen. Wij leerden uit ervaring dat anderen levend meer waard waren dan dood, omdat we er iets van konden leren of, in een later stadium, iets aan konden verpatsen. Toen veranderde de sociale structuur van de menselijke samenleving fundamenteel. Zo'n 10.000 jaar geleden werden wij in (naar evolutionaire normen) korte tijd een soort die véél meer territoriaal werd dan de zwervende jagers-verzamelaars die onze voorlopers misschien wel miljoenen jaren lang waren. We vestigden ons als landbouwers op een kleine oppervlakte die we bewerkten, in een context van gezinnen die samen hechte kleine gemeenschappen vormden, en die zich steeds minder verplaatsten. Een nieuw concept dook de mensenwereld binnen: dat van het bezit. Als zwerver is bezit een rem, want het moet worden meegezeuld, wat de flexibiliteit beperkt. Maar op een vast territorium kun je bezittingen verzamelen en stockeren. De bezittingen gingen steeds zwaarder wegen op de sociale structuur. Ze leidden tot een groeiende animositeit, een groeiend aantal problemen, waarbij bezit de voornaamste inzet van conflicten werd. Pas vanaf de verlichting zou de maatschappij opnieuw op grote schaal zachtaardiger worden, met minder voor de hand liggend geweld. Nu zijn wij een soort die dagelijks veel meer onbekenden ontmoet dan bekenden, zonder dat dat tot noemenswaardige problemen hoeft te leiden. Ons dagelijkse leven draait door de complexe maatschappelijke structuur steeds meer op ons onbekende mensen die dag in, dag uit in de weer zijn om ons een comfortabel bestaan te verschaffen. We doen het daarmee geweldig als soort. Toch blijven op kleinere schaal demografische componenten meespelen, die maken dat mensen niet in alle maatschappijen even vriendelijk zijn voor de medemens. Het is al lang bekend dat op plaatsen waar het minder goed gaat de kans op conflicten of op gemakkelijk te manipuleren animositeit tegenover andersdenkenden (of andersgekleurden) groter is dan in comfortabele leefculturen. Hoever dat kan gaan, blijkt uit een analyse in het vakblad International Studies Quarterly, waarin conflicten in 175 naties in de tweede helft van de vorige eeuw gedetailleerd onder de loep werden genomen, met aandacht voor variabelen in de samenstelling van de bevolking. Daaruit volgde onder meer de vaststelling dat met elk procent toename in de verhouding van de jongeren in de totale populatie, de kans op een conflict met meer dan 4 procent steeg. In een gemeenschap waarin de jeugd meer dan een derde van de volwassen bevolking uitmaakt, is de kans op een conflict anderhalve keer groter dan in andere gemeenschappen. Extreem hoge aantallen jonge mensen zijn vooral frequent in streken waar elementaire geneeskunde voet aan de grond krijgt, waardoor kindersterfte wordt teruggedrongen. Het blad New Scientist paste die inzichten toe op recente conflicten. Afghanistan maakt momenteel een sterke demografische transitie naar meer jongeren door. Daardoor circuleert er veel testosteron, maar er heerst ook veel onvrede over een niet altijd kansrijke toekomst, zodat milities de jeugdige rekruten maar voor het grijpen hebben. In die context is het dan ook niet verwonderlijk dat in ons land vooral in wijken met veel jongeren zonder grote toekomst voor ogen (al was het maar omdat ze van allochtone afkomst zijn) er gemakkelijk geronseld kan worden om in Syrië te gaan vechten. De revoluties in het Midden-Oosten en Noord-Afrika van de laatste jaren wortelen sterk in grote jeugdige populaties, die zulke fundamentele toekomstproblemen voor zich zien opdoemen dat er geen eenvoudige uitweg uit de impasse lijkt te zijn. Het wedervaren van Egypte bewijst dat het niet voldoende is om een al dan niet democratisch verkozen regime in de plaats van de omvergeworpen oude despoten aan de macht te brengen. Elke regering moet in zulke omstandigheden oog hebben voor de noden van de jonge generatie als ze het tij wil doen keren. Wat niet evident is in een omgeving waarin jongeren verondersteld worden naar de pijpen van de oudere generaties te dansen. Europa en Noord-Amerika zijn al een tijd geleden door die demografische transitie gegaan. Die is ook niet voor iedereen even goed verlopen, met veel kinderarbeid en een moeilijke strijd van vakbonden voor een beter bestaan voor niet automatisch gegoede mensen. Maar het kan anders. Japan is een voorbeeld van een natie die profiteerde van de demografische transitie om een sterk draaiende economie uit te bouwen (maar die nu klappen krijgt, omdat die grote jonge generatie collectief oud wordt). In een goede sociale context kunnen jonge generaties ook andere dan gewelddadige revoluties in de hand werken, door innovatie en al dan niet overmoedig ondernemerschap. Andere Aziatische tijgereconomieën volgen hetzelfde parcours. Maatschappijen met een verouderende bevolking hebben sowieso de neiging om minder agressief te zijn, onder meer omdat oudere mensen doorgaans minder gemakkelijk te manipuleren zijn dan jongere. New Scientist presenteert een vrij overtuigende link tussen de stijging van de gemiddelde leeftijd in een natie en de daling van de kans op een conflict. In Tunesië is de gemiddelde leeftijd van de bevolking vijf jaar ouder dan in Egypte, wat gezien wordt als een mogelijk onderdeel van de verklaring waarom de Arabische Lente in Tunesië een stuk vriendelijker verliep dan in Egypte. Syrië staat nog lager op de leeftijdsladder dan Egypte, en volgens de cijfers zou het tot minstens 2023 kunnen duren voor het daar rustiger wordt. Het helpt daarbij dat de mens de neiging heeft om minder kinderen te krijgen naarmate hij beter opgeleid is, of een groeiend comfort in zijn leven krijgt, waardoor de bevolkingsdruk afneemt. De genocide in Rwanda uit 1994 is uitgegroeid tot een schoolvoorbeeld van hoe een te hoge populatiedruk mensen kan aanzetten tot extreem geweld, al was het maar om wat levensruimte te creëren en de overlevingskansen voor zichzelf en zijn gezin te bevorderen. Zelfs ratten worden agressief als ze te dicht op elkaar gepakt zitten - en die zijn toch een en ander gewoon qua bevolkingsdichtheden. Een andere opvallende transitie waar onze soort doorheen gaat, is de verstedelijking. Sinds kort woont meer dan de helft van de mensen wereldwijd in een stad, en de verwachting is dat dat binnen enkele decennia meer dan driekwart zal zijn. Onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat een stad goed is voor de economie en voor het leven van de gemiddelde mens, omdat mensen het doorgaans beter hebben in een stad dan op het saaie platteland, wat mee de onstopbare plattelandsvlucht kan verklaren. Zolang een stad goed gevoed wordt - veel steden hebben een voedselvoorraad die niet verder dan drie dagen reikt, dus er moet een permanente aanvoer van bestaansmiddelen van buitenaf zijn - lijkt de kans op veel animositeit klein, ondanks het feit dat het leven in sloppenwijken niet voor iedereen aangenaam is. Wetenschappers hebben moeite om het sociale weefsel dat een stad zo succesvol maakt in kaart te brengen. Enkele jaren geleden overheerste de visie, gebaseerd op een analyse in het vakblad Complexity, dat een stad functioneert op een manier die vergelijkbaar is met de hersenen, waarbij de complexiteit groeit met het groter worden, maar waarbij er ook steeds efficiëntere connecties worden gemaakt om het geheel leefbaar te houden. De groei van het aantal grote verbindingswegen en uitritten op ringwegen met het groter worden van een stad zou een patroon vormen vergelijkbaar met de groei van het aantal belangrijke verbindingen in de neocortex die de menselijke hersenen zo uniek maakt. Maar een recente analyse in het topvakblad Science werpt een ander licht op de zaak - zo gaat dat in wetenschappelijk werk dat voor een deel steunt op veronderstellingen en moeilijke berekeningen. Daarin wordt een stad gezien als iets nieuws, een soort sociale reactor die deels een ster is en deels een netwerk. De sterrenanalogie volgt uit het inzicht dat een stad mensen aantrekt en sociale interacties intensifieert, op een manier vergelijkbaar met hoe een ster materie uit de omringende ruimte aantrekt om nog helderder te kunnen stralen. Het netwerkverhaal komt voort uit de vaststelling dat steden niet zozeer steunen op de mensen die er wonen, dan wel op de interacties die ze met elkaar hebben. De netwerken zijn belangrijker dan de som van de individuen. Interessant aan de analyse is dat het stadsleven niet moeilijker wordt naarmate een stad groeit. De manier waarop je in het systeem kunt functioneren, blijft dezelfde vanaf een bepaalde grootte van een stad. Helaas is die vaststelling blijkbaar niet van toepassing op een grotere schaal. In Nature stond onlangs te lezen dat de globalisering van de maatschappij, die steunt op enorm uitgebreide netwerken met een speciale structuur, de wereld gevoelig maakt voor een collectieve crash. De huidige economische crisis illustreert dat het sputteren van een banksysteem in één natie (de Verenigde Staten) tot een crisis met wereldwijde tentakels kan leiden. Té groot is dus ook niet goed. Koren op de molen voor een bijsturing van de economie in de richting van minder globale afhankelijkheid en méér lokale productie en consumptie. Dat is dus niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor onze toekomst. DOOR DIRK DRAULANSMet elk procent stijging van het aantal jongeren in een bevolking neemt de kans op een conflict met 4 procent toe. De netwerken en verbindingen in een stad zijn belangrijker dan het aantal inwoners.