Niet zelden hebben opnames van Gustav Mahler (1860-1911) een aura van objectieve deugdelijkheid, omdat ze haast direct met de componist zijn verbonden. De dirigenten Bruno Walter en Otto Klemperer, bijvoorbeeld, waren ooit zijn assistenten. Ga daar als hedendaags dirigent maar eens naast staan. 'So what?' is dan ook een begrijpelijke reactie wanneer twee nieuwe Mahlers worden uitgegeven.
...

Niet zelden hebben opnames van Gustav Mahler (1860-1911) een aura van objectieve deugdelijkheid, omdat ze haast direct met de componist zijn verbonden. De dirigenten Bruno Walter en Otto Klemperer, bijvoorbeeld, waren ooit zijn assistenten. Ga daar als hedendaags dirigent maar eens naast staan. 'So what?' is dan ook een begrijpelijke reactie wanneer twee nieuwe Mahlers worden uitgegeven. En tóch zijn er goeie redenen om ze aan te schaffen. De onvoltooide Tiende symfonie die Daniel Harding en de Wiener Philharmoniker net hebben uitgebracht, wordt namelijk zelden gespeeld. Reden: op het eerste deel na gaat het om een reconstructie, van de hand van Deryck Cooke. De Eerste symfonie, in de lezing van de Bamberger Symphoniker onder leiding van Jonathan Nott, is dan weer zo hedendaags in toon en techniek dat ze het vermelden meer dan waard is. Van Mahler is bekend dat hij zich op het einde van zijn leven afvroeg: 'Als dít de toekomst is, waarom schrijf ik dan nog symfonieën? Dit, dat waren de baanbrekende werken van de modernistische goeroes Arnold Schönberg en Alexander Zemlinsky en hun leerlingen. Schönberg bracht zowat de definitieve avant-garde voort, voor zover dat bestaat. Zemlinsky bleef in essentie tonaal denken, en ging als gematigde vernieuwer de geschiedenis in. Mahlers vertwijfeling wekt vandaag verwondering op. Niet alleen gaf hij als muziekdirecteur van de Weense opera veel kansen aan jonge componisten - hij kende als geen ander de strijd met verbeelding- of hersenloze critici. Ook valt maar moeilijk te begrijpen dat hij zich niet zou hebben gerealiseerd hoe dicht zijn late toonspraak aanleunde bij die van zijn jongere collega's. Oké, er was een vormverschil - Mahler verlangde van een symfonie dat ze 'zoals de wereld moest zijn, allesomvattend', terwijl de jongeren meer aforistisch schreven. Maar wie de Eerste symfonie goed beluistert, hoort een collageachtige, haast hedendaags op verzoening van 'hoge' en 'lage' muziek gerichte stijl, die destijds afschrikte en daarom belachelijk werd gemaakt. Wie goed naar de Tiende luistert, beseft dat de chromatiek en het contra-punt Mahler op de grens van de tonaliteit brachten. Vooral mooi aan deze twee opnames (beide technisch uitstekend, trouwens) is dat het analytische vermogen van de dirigenten Daniel Harding en Jonathan Nott, en hun afkeer van romantische poeha het perfecte contrapunt vormen bij Mahlers zenuwzwakke en autobiografische inborst. WIENER PHILHARMONIKER O.L.V. DANIEL HARDING, SYMFONIE NR. 10, DG 00289 477 7347. BAMBERGER SYMPHONIKER O.L.V. JONATHAN NOTT, SYMFONIE NR. 1, TUDOR 7147. Meer klassiek op blogs.knack.be/dissonantRudy Tambuyser