1. De surplace Onze economie trappelt al jaren ter plaatse.

Een economie kan groeien en krimpen, dat kennen we. Na de Tweede Wereldoorlog trok onze economie aan, met als hoogtepunt de Golden Sixties. Tussen 1961 en 1974 maakten we een groei van meer dan 4 procent per jaar mee. Toen kwam de oliecrisis en kromp de economie met pakweg 1,5 procent. Maar na een krimp veerde de economie telkens weer op. Maar wat daarbij opvalt, is dat onze economie na een serieuze dip steeds minder hoog opveerde. Met andere woorden: de economische groei vertraagde systematisch. En dat vooral na het midden van de jaren zeventig: tussen 1953 en 1974 steeg het bruto binnenlands product (bbp, wat we met z'n allen aan goederen en diensten produceren) gemiddeld met 4,3 procent per jaar; tussen 1974 en 2010 was dat 2 procent per jaar. De gemiddelde groei is dus gehalveerd.
...

Een economie kan groeien en krimpen, dat kennen we. Na de Tweede Wereldoorlog trok onze economie aan, met als hoogtepunt de Golden Sixties. Tussen 1961 en 1974 maakten we een groei van meer dan 4 procent per jaar mee. Toen kwam de oliecrisis en kromp de economie met pakweg 1,5 procent. Maar na een krimp veerde de economie telkens weer op. Maar wat daarbij opvalt, is dat onze economie na een serieuze dip steeds minder hoog opveerde. Met andere woorden: de economische groei vertraagde systematisch. En dat vooral na het midden van de jaren zeventig: tussen 1953 en 1974 steeg het bruto binnenlands product (bbp, wat we met z'n allen aan goederen en diensten produceren) gemiddeld met 4,3 procent per jaar; tussen 1974 en 2010 was dat 2 procent per jaar. De gemiddelde groei is dus gehalveerd. Economische groei is niet per definitie goed. Er wordt bijvoorbeeld helemaal geen rekening gehouden met de milieuvervuiling die het meebrengt en waar de volgende generaties mee opgezadeld worden. En economische groei komt ook niet altijd iedereen ten goede: soms profiteren de rijken er meer van dan de armen, waardoor de ongelijkheid toeneemt. Maar een mooie economische groei is wel een wezenlijk kenmerk van de wereld waarin we leven. Een gemiddelde groei op lange termijn van pakweg 2 procent zorgt geleidelijk aan voor meer welvaart, meer rijkdom onder de bevolking, en ook voor meer welzijn want er kan geïnvesteerd worden in een goede omgeving om in te leven, in prima onderwijs, in de gezondheidszorg enzovoort. Alleen: die gemiddelde groei van 2 procent is nu ver weg. Na de financiële crisis die in 2008 uitbrak, raakte onze economie in het slop. We maakten een 'dubbele recessie' mee (twee keer twee opeenvolgende kwartalen van negatieve groei). Daarna herpakte de economie zich nooit echt, en de groei is ook zes jaar na het begin van de crisis nog niet terug. Onze economie verkeert in een kramp. Enkele cijfers om dat te illustreren: in het eurogebied groeide de economie in 2011 met slechts 1,6 procent, het jaar daarop was er een krimp van 0,7 procenten en vorig jaar nog eens met 0,4 procent. Voor België zijn die cijfers respectievelijk 1,8 procent, -0,1 procent en 0,2 procent. En de volgende jaren zullen nauwelijks beter zijn: voor Europa wordt dan een gemiddelde groei van zo'n 1 procent van het bbp verwacht, België haalt misschien 0,8 procent groei. Dat is erg pover. Voor het eerst in 21 jaar dalen heel veel prijzen in de winkels. Voeding is gemiddeld 0,72 procent goedkoper dan een jaar geleden, non-food (zoals huisapparaten en gsm's) zelfs 1,24 procent. Goed nieuws, zou je denken, want wie wil nu niet minder betalen voor zijn aankopen? Toch is een aanhoudend lage inflatie (nauwelijks stijging van de levensduurte) en een dreigende deflatie (een algemene prijsverlaging) helemaal geen goed nieuws. In zo'n geval dreigt de economie namelijk stil te vallen: mensen stellen belangrijke aankopen dan zo veel mogelijk uit, in de hoop dat die diepvriezer of die zitbank volgend jaar nog goedkoper zal zijn. Dan kan er een negatieve spiraal op gang komen: aankopen en investeringen worden uitgesteld, bedrijven moeten minder gaan produceren, de werkloosheid neemt toe, de onzekerheid groeit, wie werkloos wordt heeft minder geld om te besteden en de anderen zijn bang om veel geld uit te geven want wie weet wat er nog op ons afkomt... Gevolg is nog minder consumptie en investeringen. Het is bijzonder moeilijk om dat stramien te doorbreken. De economie trappelt dus ter plaatse en de inflatie is bijna nul procent. En dat ondanks zeer uitzonderlijke maatregelen die genomen werden door de centrale banken - in de Verenigde Staten is dat de Federal Reserve (Fed), in Europa de Europese Centrale Bank (ECB). Zij voerden wat economen 'een soepel monetair beleid' noemen: er werd massaal geld bijgedrukt en in de economie gepompt. Het gevolg is dat er veel geld in omloop komt, zodat je goedkoper kunt lenen. In de VS staat de voornaamste rente van de Fed sinds eind 2008 op 0,25 procent. De ECB heeft de rente ook al stelselmatig verlaagd. Vorige week bracht ze haar basisrente tot 0,05 procent - veel lager kan niet. Dankzij de historisch lage rentes kan geld nu bijna gratis worden ontleend. Maar er is een keerzijde aan deze medaille: het geld dat je op een spaarboekje zet, brengt nog nauwelijks iets op. Je zou dan verwachten dat bedrijven en gezinnen met hun spaargeld dat toch niets opbrengt of met geld dat ze goedkoop lenen méér zullen investeren en consumeren. Dat zou dan voor economische groei en een stijging van de prijzen kunnen zorgen, en zo kan een positieve spiraal op gang komen: bedrijven kunnen meer verkopen, er is meer werk, mensen krijgen meer vertrouwen en geven meer geld uit, en dus kunnen bedrijven nog meer produceren enzovoort. Maar dat gebéúrt dus niet. Ondanks het extreem soepele monetaire beleid dat de centrale banken voeren.Maar waarom trekt de economie niet, ondanks de grote middelen die de centrale banken inzetten? Een eerste verklaring is dat heel wat landen gebukt gaan onder grote schulden en zwaar aan het besparen zijn. Econoom Paul De Grauwe (London School of Economics, KU Leuven) vindt dat al jaren een verkeerde keuze: door te besparen maken de overheden de crisis net erger, zegt hij, in een periode van slabakkende economie zouden de overheden het voortouw moeten nemen en moeten investeren, zodat de economie op gang komt. Zeker nu de overheden heel goedkoop geld kunnen lenen. Een andere verklaring waarom de maatregelen van de centrale banken niet het gewenste effect hebben, is dat de banken nog altijd hun rol niet spelen. Ze laten het geld onvoldoende circuleren. Daar hebben ze zo hun redenen voor. De banken hebben zware verliezen geïncasseerd tijdens de bankencrisis en zweten dat op dit moment nog altijd uit. Bovendien moeten ze van de controlerende overheden grotere buffers aanleggen, zodat ze een nieuwe crisis beter zouden doorstaan. Daardoor zijn de banken niet meer geneigd om nog grote risico's te nemen bij het toestaan van leningen. De centrale banken kunnen dan wel massaal veel geld drukken, de banken sluizen het niet door tot bij de gezinnen en de bedrijven. Zo kom je bij een derde verklaring waarom de economie ter plaatse trappelt ondanks het soepele monetaire beleid: de gezinnen en bedrijven nemen een afwachtende houding aan. Ook zij hebben geleden onder de financiële crisis, het vertrouwen in de banken is zwaar geschokt, en het geloof in een mooie toekomst is nog niet teruggekeerd. De financiële crisis werd een vertrouwenscrisis. En dus stelt iedereen consumptie en investeringen zo veel mogelijk uit, met als gevolg dat de economische groei niet op gang komt. Overheden die besparen, banken die hun rol niet spelen, bedrijven en gezinnen die afwachten - het is allemaal niet positief voor de economie, maar misschien is er nog meer aan de hand. Misschien is onze economie fundamenteel veranderd, en moeten we rekening houden met een langdurige periode van stilstand? Dat idee krijgt steeds meer bijval onder economen. Dat het niet denkbeeldig is, illustreert Japan, waar de economie als sinds de jaren negentig nauwelijks nog groeit, ondanks maatregelen van de Japanse regering en centrale bank. De Amerikaanse econoom Larry Summers zei eind vorig jaar als eerste dat we te maken hebben met een 'secular stagnation', een langdurige stagnatie van de economie, met nauwelijks groei, lage inflatie en lage rentetarieven. In het net verschenen e-book Secular Stagnation: Facts, Causes and Cures (gratis te downloaden via VoxEU.org) wordt zo'n langdurige stagnatie door topeconomen uit alle windstreken druk becommentarieerd. Mogelijke oorzaken? De grote schulden waarmee de overheden opgezadeld zitten, de groeiende inkomensongelijkheid, het uitblijven van belangrijke technologische vernieuwingen, en vooral de vergrijzing. Die demografische ontwikkeling is bijzonder bepalend: door de langere levensverwachting wordt er nog meer gespaard voor later, want of het pensioen zal volstaan om de levensstandaard te behouden, wordt steeds vaker betwijfeld. De combinatie van al die factoren zou tot gevolg hebben dat we niet langer mogen uitgaan van een groeimodel, maar moeten rekening houden met een lange periode van stilstand. Meer dan bijvoorbeeld de VS zouden Europa en vooral de landen van de eurozone een groot risico lopen op een lange periode van stagnatie. Vooral de demografische evolutie, met een sterk verouderende bevolking en met minder oudere werknemers, is ongunstig. Econoom Frank Smets (ECB, KU Leuven) wijst erop dat de verhouding tussen het aantal gepensioneerden (65 jaar en ouder) en mensen op arbeidsleeftijd (20 à 64 jaar) in Europa steeds meer wordt scheefgetrokken: in 2000 was nog geen kwart gepensioneerd, in 2025 zal dat meer dan een derde zijn. Dan rijst al snel de vraag: wie zal die pensioenen blijven betalen? De stijgende levensverwachting en onzekerheid over het pensioen zorgen ervoor dat werknemers en gepensioneerden meer sparen. En dat is vandaag niet goed voor de economie. Nog redenen voor een lange stagnatie in Europa? We hebben een minder hoge productiviteitsgroei, zodat we ook van die kant geen economische groei hoeven te verwachten. De overregulering ondermijnt ook nog eens de groei. Daarnaast zullen de overheidsschulden de volgende jaren moeten worden afgebouwd, zodat alvast de overheden minder geld zullen hebben om te investeren. Bovendien is de ECB ook minder slagvaardig dan de Fed (omdat hun opdracht erg verschilt: de ECB moet ervoor zorgen dat de inflatie bijna 2 procent bedraagt; de Fed moet niet alleen zorgen voor voldoende inflatie maar ook voor voldoende werkgelegenheid. Daardoor grijpt de Fed soms harder in). En tot slot kijken de landen van de EU nog altijd eerst naar zichzelf, wat een gemeenschappelijke aanpak van de problemen bemoeilijkt. Als Europa met een langdurige stagnatie te maken krijgt, zal België de dans niet ontspringen. Verre van, gezien onze erg verouderde bevolking en weinig 55-plussers die nog werken. Al dertig jaar zien we de vergrijzingskosten aankomen. We hadden tijd om een spaarpotje aan te leggen, maar dat is niet gebeurd. En vanaf nu krijgen we daarvoor de rekening gepresenteerd. De sociale uitgaven die met de vergrijzing gepaard gaan (vooral voor pensioenen en gezondheidszorg) zijn al goed voor 26 procent van het bbp; in 2040 zal dat meer dan 32 procent zijn. Dat wordt onbetaalbaar en onhoudbaar. Bovendien gaan we nog altijd veel te vroeg met pensioen, want ook al is de officiële pensioenleeftijd 65 jaar, de Belgen stoppen gemiddeld met werken als ze nog niet eens 60 zijn en dragen dan ook niet meer bij tot het systeem - integendeel. Komt daarbij dat onze overheidsfinanciën al decennialang problematisch zijn. We hebben nog altijd een overheidsschuld die meer dan 100 procent van het bbp bedraagt. We hebben ook geen overschot meer op onze betalingsbalans: we geven meer geld uit dan we binnenkrijgen, vooral omdat we veel energie moeten invoeren tegen hoge prijzen. Fons Verplaetse, ere-gouverneur van de Nationale Bank, concludeerde eerder dit jaar in Knack al dat België vroeger een rijk land was, maar stilaan afglijdt naar de groep van zwakke Europese landen. Conclusie: België is bijzonder kwetsbaar voor een langdurige stagnatie. De lage rentetarieven zijn goed nieuws voor de landen met hoge overheidsschulden, zoals Italië, Frankrijk en België. Zij sparen door de ultralage rentetarieven jaarlijks tientallen miljarden euro's aan rentebetalingen uit. Op het hoogtepunt van de eurocrisis in 2011, toen ons land na anderhalf jaar onderhandelen nog altijd geen federale regering had, moest België lenen tegen bijna 6 procent. Vandaag kunnen we op tien jaar lenen tegen 1,2 procent, het laagste niveau ooit. De historisch lage rentetarieven gaan vandaag zoals gezegd gepaard met nauwelijks groei. Zo'n lage groei betekent minder inkomsten voor de overheid, want er wordt minder geproduceerd, minder geconsumeerd, minder geïnvesteerd en er worden dus ook minder directe en indirecte belastingen betaald. Daardoor dreigt het begrotingstekort op te lopen. Voor dit jaar wordt het begrotingstekort op 2,7 procent geraamd, met een lage groei zal dat snel boven de 3 procent uitkomen (de grens die Europa aan zijn lidstaten oplegt). Als het tekort boven die 3 procent uit stijgt, hangt ons land een boete boven het hoofd. Tegelijk met deze ontwikkeling eisen de vergrijzingskosten steeds meer inkomsten van de overheid op. Niet alleen voor pensioenen, maar ook voor de gezondheidszorg, waar de technologische vooruitgang indrukwekkend is - denk maar aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen tegen kanker. Economen zijn het erover eens: met een groei van 1 procent of minder kan ons sociaal model dat niet meer betalen. Dan moeten er fundamentele keuzes gemaakt worden: elders besparen, nieuwe inkomsten aanboren, de pensioenuitkeringen herzien, of de nieuwe ontwikkelingen in de gezondheidszorg niet meer of slechts selectief toepassen. Hoe dan ook, met een aanhoudende lage groei kraakt onze welvaartsstaat in al zijn voegen. In plaats van groei met sociale vooruitgang moeten we bij stagnatie vrezen voor sociale achteruitgang. De lage groei zet een grote druk op de arbeidsmarkt. De werkloosheid ligt met 8,5 procent al vrij hoog, en met een lage groei wordt het moeilijk om dat cijfer naar beneden te krijgen - een verhoging is realistischer. En wie werkloos wordt, voelt dat natuurlijk onmiddellijk in zijn portemonnee. Wie lang werkloos blijft, voelt dat nog harder. De historisch lage rentevoeten zijn geen goed nieuws voor de spaarders: zij ontvangen nauwelijks interesten. Vooral voor gepensioneerden die een mooi spaarpotje aanlegden en hoopten dat de interesten hun pensioen zouden aanvullen, valt dat tegen. Zij moeten ofwel hun spaargeld aanspreken, of zuiniger gaan leven en hun levensstandaard verlagen. De lage rente op spaarboekjes en kasbons zal sommigen in de verleiding brengen om wat meer risico te nemen met hun spaargeld. Ze zullen bijvoorbeeld aandelen kopen, om zo wat meer opbrengsten te boeken. Dat vergroot de kans op het ontstaan van zeepbellen: de aandelen stijgen omdat meer mensen hun geld daarin willen beleggen, niet omdat de bedrijven beter presteren (met een lage groei is het voor een bedrijf trouwens niet evident om sterk te groeien). Vroeg of laat komt het besef dat de aandelen overgewaardeerd zijn en volgt een correctie, wat pijnlijk kan zijn voor de beleggers. Een aanhoudende lage groei zal door iedereen in onze welvaartsstaat op een of andere manier gevoeld worden. Hoe langer de stagnatie aanhoudt, hoe meer de overheid zal moeten saneren. Dan zullen we meer maatregelen krijgen zoals we die vandaag al in het Vlaamse regeerakkoord zien: de afschaffing van het gratis busvervoer bij De Lijn voor 65-plussers, een verhoging van het inschrijvingsgeld aan de universiteit, een hoger lidgeld voor sportclubs enzovoort. De federale regering die momenteel gevormd wordt, moet 17 miljard euro vinden. Als de groei zo laag blijft, zal zelfs dat niet volstaan. Is een langdurige stagnatie nog af te wenden? Misschien wel. De economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff bestudeerden de grote crisissen in het verleden en kwamen tot de conclusie dat een herstel gemiddeld acht jaar duurde. Misschien moeten we dus gewoon nog wat geduld oefenen en begint de economie over enkele jaren aan te trekken. Of komt er plots een technologische ontwikkeling te vergelijken met het internet, die de wereldeconomie een boost geeft? 3D-printing misschien? Of robotica? In elk geval raken de mogelijkheden van de centrale banken om de zaak te doen keren uitgeput. ECB-voorzitter Mario Draghi zei eerder deze maand: 'Het is nu de beurt aan de Europese overheden om hun job te doen en de noodzakelijke hervormingen door te voeren.' Wat moet er dan gebeuren? Ontwikkelingen als de toenemende vergrijzing kun je niet zomaar keren. Wel kan er - zeker in België - op worden aangestuurd dat de actieve bevolking langer aan de slag blijft, en kan de pensioenleeftijd of de duur van een volledige carrière worden opgetrokken. Als we daarin slagen, kan dat niet alleen leiden tot meer groei maar ook tot minder pensioenuitgaven. In het e-book Secular Stagnation: Facts, Causes and Cures wordt nog een hele reeks maatregelen opgesomd die de economie kunnen aanzwengelen: innovatie stimuleren, het onderwijs verbeteren, investeren in infrastructuur, de arbeidsmarkt flexibeler maken, de oprichting van bedrijven vereenvoudigen enzovoort. Klinkt bekend, en met een dreigende langdurige stagnatie worden die maatregelen alleen maar urgenter. Natuurlijk zijn dat geen mirakeloplossingen. Zeker op korte termijn mag je er niet te veel van verwachten. Bovendien wordt de economische ontwikkeling in België vooral bepaald door de internationale conjunctuur. Niet voor niets worden we op economisch vlak soms omschreven als de zeventiende lidstaat van Duitsland. In die zin moeten onze politici vandaag niet kijken naar de korte termijn, wel naar de middellange en lange termijn. Dan kunnen hervormingen wel het verschil maken. Dat de groei in ons land dan opnieuw zal opklimmen naar 4 procent, zoals in de jaren zestig en zeventig, is zo goed als uitgesloten. Zelfs met structurele maatregelen zullen we moeten leren leven met een groei van 1 à 2 procent. Zonder ingrepen zeer waarschijnlijk met minder. DOOR EWALD PIRONET, ILLUSTRATIES ZAZAHoe langer de stagnatie aanhoudt, hoe meer de overheid zal moeten saneren.