Op 7 juni 2009 zijn er Vlaamse verkiezingen. U weet hoe dat gaat. Wie tevreden is over het werk van de regering-Peeters kan op een van de regeringspartijen stemmen en hopen dat die partij ook na de verkiezingen haar werk mag voortzetten. Wie ontevreden is, kan stemmen voor een oppositiepartij. Op basis van de gewijzigde electorale verhoudingen wordt vervolgens een nieuwe meerderheid gevormd die, zoals dat heet, de wil van de kiezer representeert.
...

Op 7 juni 2009 zijn er Vlaamse verkiezingen. U weet hoe dat gaat. Wie tevreden is over het werk van de regering-Peeters kan op een van de regeringspartijen stemmen en hopen dat die partij ook na de verkiezingen haar werk mag voortzetten. Wie ontevreden is, kan stemmen voor een oppositiepartij. Op basis van de gewijzigde electorale verhoudingen wordt vervolgens een nieuwe meerderheid gevormd die, zoals dat heet, de wil van de kiezer representeert. Op 7 juni 2009 zijn er echter ook Europese verkiezingen. Dat gaat enigszins anders. Voor zover we al vertrouwd zijn met de ploeg van Jose Manuel Barroso, en voor zover we echt een beeld hebben van het werk dat zijn Europese Commissie geleverd heeft (bijvoorbeeld in haar aanpak van de economische crisis), is het bijzonder onduidelijk op wie we moeten stemmen om die aanpak te belonen of te bestraffen. De Commissie en haar voorzitter worden immers benoemd door de regeringsleiders. En hoewel de Commissie in principe het gezamenlijk Europees belang moet dienen, blijft ze daardoor de facto in de greep van de nationale regeringen - en uit de greep van de Europese kiezer. De Europese verkiezingen tonen zo op pijnlijke wijze de onmacht van de Europese kiezer en het democratisch tekort waarmee de Europese Unie nog steeds worstelt. Dat tekort heeft veel, zo niet alles, te maken met het ontbreken van een oppositie op Europees niveau. Op nationaal niveau is het de spanning tussen meerderheid en oppositie die aan het politieke spel haar democratische dynamiek verleent. In het Europees Parlement, daarentegen, is er geen systematisch onderscheid tussen partijen die de Commissie steunen, en partijen die het huidige beleid bekritiseren of alternatieve beleidsopties formuleren. Er is, met andere woorden, geen spanning tussen diegenen die aan de macht zijn en diegenen die na verkiezingen aan de macht zouden kunnen komen. Het belang van zo'n zichtbare oppositie kan nauwelijks overschat worden. Dit is immers de enige manier om politici echt te responsabiliseren. Nu lijkt het alsof onpopulaire maatregelen nergens vandaan komen: nationale politici gebruiken Europa als zondebok, en omgekeerd kan de Commissie de schuld bij de nationale regeringen leggen. Maar er is niemand die rechtstreeks electorale verantwoording moet afleggen voor het gevoerde Europese beleid. Alleen als er een echte oppositie klaarstaat om de verantwoordelijken aan te wijzen, zal zichtbaar worden wie welke beslissingen heeft genomen en zullen de kiezers die verantwoordelijken daadwerkelijk kunnen straffen door de oppositie aan de macht te brengen. De strijd tussen concurrende partijen zou ook een stimulans zijn voor het formuleren van alternatieve beleidsopties. Partijen moeten een electorale incentive hebben om een eigen, enthousiasmerend project voor Europa te schrijven: een sociaal-progressief Europa, een christendemocratisch Europa, een groen Europa enzovoort. De burger moet het ene verhaal kunnen wegstemmen en bewust kunnen kiezen voor een ander verhaal. Het ontbreken van een zichtbare oppositie maakt Europa nodeloos kwetsbaar. Wanneer er geen oppositie is binnen het systeem, dreigt elk ongenoegen over concrete beleidsopties immers om te slaan in ongenoegen over de EU in haar geheel. Alleen als burgers kunnen kiezen voor politieke leiders die binnen de EU staan maar tegelijk het bestaande beleid keihard aanpakken, wordt het mogelijk om de huidige beleidslijn af te wijzen zonder meteen de hele constructie af te wijzen. De nee-stemmen tegen de Grondwet en het verdrag van Lissabon hoeven in dit opzicht niet te verwonderen: als protest geen zichtbare plaats krijgt binnen het systeem, richt het zich tegen het systeem zelf. Niettemin is er hoop. De verkiezingen voor het Europees Parlement die in juni 2009 worden gehouden, zijn een stap in de goede richting en zullen competitiever en Europeser zijn dan vroegere Europese verkiezingen. Voor het eerst gaan de Europese partijen (en dus niet langer alleen de nationale partijen waaruit ze zijn opgebouwd) zelf actief campagne voeren en krijgen ze daar ook de financiële middelen voor. Verschillende partijen hebben intussen al plannen voor publieke meetings in grote Europese steden. De verhoogde zichtbaarheid van de Europese partijen moet van de verkiezingen minder een tussentijdse evaluatie van de nationale regeringen maken (zoals nu vaak het geval is), en in plaats daarvan de Europese inzet onderstrepen. De partijen worden immers verplicht duidelijk verschillende beleidsopties uit te zetten voor hun kiezers. Meer competitie dus, en hopelijk ook meer ambities. Het Europees Parlement zal deze keer ook nauw samenwerken met de nationale televisiestations om het verkiezingsproces nadrukkelijk te mediatiseren. Een meer gecoördineerde regie, met binnendruppelende resultaten en livereacties van politici moet van deze verkiezingen een collectief ritueel maken en de 'politieke energie' opwekken die nodig is om een gevoel van betrokkenheid te creëren. Maar de belangrijkste nieuwigheid is dat meerdere partijen een kandidaat naar voren zullen schuiven voor de job van voorzitter van de Europese Commissie. Op die manier maken ze maximaal gebruik van een nieuw element uit het (nog te ratificeren) verdrag van Lissabon. Dat stelt immers dat de Europese Raad in haar keuze van de commissievoorzitter 'rekening moet houden' met de electorale machtsverhoudingen binnen het Europees Parlement. De EVP zal allicht Barroso steunen, maar ook de meeste andere partijen hebben de intentie om expliciet een kandidaat te nomineren. Dat kan de verkiezingen focus geven. Herkenbare Europese boegbeelden strijden dan immers openlijk om de gunst van de burger en moeten zich, mét een programma, richten tot de inwoners van alle lidstaten. De kiezers krijgen zo een (zij het indirecte) greep op de Commissievoorzitter. Hoewel dit belangrijke stappen zijn, is er op termijn meer nodig om binnen Europa een echte democratische dynamiek - een spel van meerderheid en oppositie - op gang te trekken. Twee voorstellen lijken ons van groot belang. Ten eerste zou de voorzitter van de Europese Commissie rechtstreeks door het Europees Parlement moeten worden verkozen. In plaats van een consensuscommissie van zogenaamde expertocraten, zou de Commissie zo veeleer een echte Europese regering worden die gedekt is door een parlementaire meerderheid. Dat zou de winnaars van de verkiezing toelaten om effectief een beleid te voeren, en zou een duidelijk causaal verband creëren tussen de verkiezingsuitslag en het beleid van de Commissie. Een voorstel voor zo'n rechtstreekse verkiezing circuleerde in de grondwettelijke conventie, maar was moeilijk verteerbaar voor de regeringen van grote landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Ten tweede zou bij Europese verkiezingen ten minste een deel van de kandidaten in heel Europa verkiesbaar moeten zijn - een voorstel dat onder meer verdedigd wordt door de Britse liberaal Andrew Duff. Net als bij een federale kieskring zou een beperkt aantal zetels worden toegewezen in een Europese kieskring. Behalve op lokale kandidaten zou iedereen dus ook een stem kunnen uitbrengen voor een groep Europese toppolitici. Dat zou de kandidaten op die lijst ertoe verplichten in heel Europa campagne te voeren en boven de enge nationale belangen uit te stijgen. Uiteraard kan geen van beide voorstellen nog voor juni 2009 gerealiseerd worden. Maar het zijn erg logische stappen in het democratiseringsproces van de EU, en het is essentieel dat ze op de agenda blijven. Wat de Europese partijen wel nog kunnen doen in het komende halfjaar, is blijk geven van hun ambitie om daadwerkelijk het beleid vorm te geven. Door antwoorden te formuleren op de uitdagingen waar we voor staan (klimaatverandering, migratie, een economisch dal), én door hun kiezers ervan te overtuigen dat het Europese niveau het enige niveau is waar dergelijke antwoorden op een geloofwaardige manier kunnen worden geformuleerd. Maar vooral: ze moeten het huidige beleid op de korrel durven te nemen en duidelijk maken dat het verschillende richtingen op kan met Europa. Ze moeten met andere woorden tonen dat ze bereid zijn om het democratisch spel van meerderheid en oppositie te spelen. Zo niet zijn de verkiezingen in 2009 al een gemiste kans nog voor ze feitelijk hebben plaatsgevonden.MEER INFO OVER HET FESTIVAL VAN DE FILOSOFIE VINDT U OP www.flagey.be DOOR RAF GEENENS EN STEFAN RUMMENS