Sinds jaar en dag verblijdt Kees van Kooten een brede schare van trouwe lezers met verhalenbundels waarin hij zichzelf, zijn gezin, zijn huis en zijn huisdieren in heel alledaagse situaties ten tonele voert. Het zijn verhalen met een hoog aandoenlijkheidsgehalte waarin Van Kooten zijn lezers telkens probeert te charmeren met een zichzelf verontschuldigende levensvreugde en een unieke taalvoering die ervoor zorgt dat er aan de achterkant van de woorden ook nog wat te lachen valt. Geen grote, heftige romantiek, maar verhalen over de afdwingbaarheid van geluk, in de kleine literaire traditie van het Hollandse binnenhuisje na de Tweede Wereldoorlog. Het werkmateriaal van Van Kooten is weinig meer dan de kleinburgerlijke clichés van voorspelbare huis-, tuin- en keukensituaties. Wát hij dan weer doet met die tranches de vie, met die doorsneetafereeltjes van familiaal geluk, is telkens weer van een zeldzame originaliteit. De kleine rimpelingen in een harmonieus bestaan worden voorzien van een ironische toets en een verrassende invalshoek. Wat iedere keer weer opvalt, is de schijnbare achteloosheid waarmee briljante taalvondsten te grabbel worden gegooid. En daarin schuilt dan weer het niet-clichématige.
...

Sinds jaar en dag verblijdt Kees van Kooten een brede schare van trouwe lezers met verhalenbundels waarin hij zichzelf, zijn gezin, zijn huis en zijn huisdieren in heel alledaagse situaties ten tonele voert. Het zijn verhalen met een hoog aandoenlijkheidsgehalte waarin Van Kooten zijn lezers telkens probeert te charmeren met een zichzelf verontschuldigende levensvreugde en een unieke taalvoering die ervoor zorgt dat er aan de achterkant van de woorden ook nog wat te lachen valt. Geen grote, heftige romantiek, maar verhalen over de afdwingbaarheid van geluk, in de kleine literaire traditie van het Hollandse binnenhuisje na de Tweede Wereldoorlog. Het werkmateriaal van Van Kooten is weinig meer dan de kleinburgerlijke clichés van voorspelbare huis-, tuin- en keukensituaties. Wát hij dan weer doet met die tranches de vie, met die doorsneetafereeltjes van familiaal geluk, is telkens weer van een zeldzame originaliteit. De kleine rimpelingen in een harmonieus bestaan worden voorzien van een ironische toets en een verrassende invalshoek. Wat iedere keer weer opvalt, is de schijnbare achteloosheid waarmee briljante taalvondsten te grabbel worden gegooid. En daarin schuilt dan weer het niet-clichématige. Op een speelse manier kleedt hij de taal uit om tot een authentieke omgang met zijn emoties te komen. De alerte onbevangenheid waarmee hij door het leven stapt, maakt hem sympathiek. "Ik zak dieper door mijn hurken, zet mijn zonnebril op en dan zie ik de ontluisterende werkelijkheid: het was mijn zak. Het is mijn eigen zak, die uit de te wijd geworden binnenslip van mijn voetbalbroekje bungelt! Mijn grotendeels grijsbehaarde, als een vijg zo verrimpelde oude zak, die er nu precies zo krachteloos bij hangt als de zak van mijn vader vroeger kon doen. Op het strand, in die uitgelubberde, donkerblauwe wollen zwembroek. Buurmeisjes gingen daar speciaal voor liggen, om hem goed te kunnen zien." Van Kooten heeft een gigantisch publiek gecreëerd voor zijn lichtvoetige scènes vol aangeleerde hulpeloosheid, half-gespeelde bestaansmistroostigheid en onbeschaamde nostalgie naar de jaren van de wederopbouw. Opmerkelijk is de positieve eenstemmigheid bij de kritiek telkens wanneer er een boekje verschijnt. Men heeft er zelfs een genreaanduiding voor gevonden: romantisch realisme. Een enkele keer is er wat reserve, bijvoorbeeld bij Gerrit-Jan Zwier in De Leeuwarder Courant: "Maar zet een onbekende naam op een bundel met Van Kooten-achtige schetsjes, en het boek zou verkocht noch besproken worden. Soms bevatten die verhaaltjes niet meer dan wat slap gezeur of een te grote dosis sentimentaliteit." Iedere nieuwe Van Kooten gaat met honderdduizenden de deur uit. De merknaam is een soortnaam geworden. Een spiegel voor de betere Nederlander, die graag even verwijlt bij een perfect rolmodel van een geslaagd leven. Zoveel geluk is immers te veel om door één man gedragen te worden. ONGEWENSTE MOMENTENEn nu is er dus een nieuwe bundel, "Levensnevel" geheten. In de beste Van Kooten-traditie. Alleen lijkt het nu allemaal wat ernstiger, nog wat nostalgischer, maar daarom niet somberder. Van Kooten raakt steeds meer doordrongen van het feit dat het binnenkort afgelopen kan zijn. Het leven is ondertussen heel wat ouder geworden, familieleden worden bij bosjes gecremeerd, de kinderen zijn het huis uit. Hij krijgt een hangkont: "dat stimulerende gevoel van twee warme handpalmen die onderhands mijn billen optillen, hebben mijn drie spijkerbroeken mij het laatste jaar niet meer gegeven." Hij komt steeds vaker in verzorgingstehuizen: "boven de tachtig spreken de mensen niet langer van de zon, maar liefkozend van het zonnetje, aangezien elke straal de laatste kan zijn." Hoe ouder je wordt, hoe meer je naar de jeugd grijpt, hoe meer troost de weemoed je kan brengen. Hoe belangrijker oude ooms worden, je kindertijd en je moeder als die nog leeft. Van Kooten rekent het ons allemaal voor in "Levensnevel". De trouwe Koot-lezer, stilaan vertrouwd met de tics en de tricks van zijn favoriete hoofdpersonage/schrijver, valt nog altijd voor dat cabareteske effect van "hebt u dat ook wel eens?", dat Van Kooten zo goed weet uit te buiten. Hij herkent de vergeetachtigheid die op onverwachte en ongewenste momenten kan toeslaan en de moeite die het kost om niet te vergeten je geheugensteunpillen te slikken. Kleine, alledaagse dingen worden uitvergroot om de eindigheid en de futiliteit van het bestaan op een luchthartige wijze toe te lichten. Constant is ook de zelfverkleiningsdwang, de demonstratieve lulligheid, het bedremmelde optreden van de onverbeterlijke kluns die ongelukkig wordt in de buurt van ambachtslui die met de moderne technologie uit de voeten kunnen: "De ontspannen manier waarop zij gedrieën zo'n verbouwing klaren maakt mij afgunstig op hun samenhorigheid en onderlinge waardering. Was ik maar een loodgieter, die binnen hun ploeg zijn partijtje meeblies. Dan had ik ook een Pocketline telefoon en dan werd ik tenminste voor vol aangezien. Nu loop ik hun de hele dag met mijn mond vol tanden voor de voeten en als mij vanaf een stelling gevraagd wordt om even iets aan te reiken, geef ik het verkeerde aan, of ondersteboven, zodat het uit elkaar valt. (...) En ik probeer daar nu wel leuk over te doen, maar de repeterende zweep van al die moderne nederlagen maakt mij behoorlijk mistroostig: de audiorevolutie gemist, de videorecorder niet kunnen programmeren, niet in staat mobiel te bellen en nog nooit op Internet durven surfen."ONVERBETERLIJKE VERSIERDERDeze onverbloemde eerlijkheid is er natuurlijk ook om mee te scoren, het is de pose van een charmeur die weet waar lezers en lezeressen gevoelig voor zijn. Van Kooten beheerst die techniek tot in de perfectie: hij weet precies hoe aardig hij gevonden wil worden en richt al zijn stilistische pijlen op dat ene doel. Hij heeft de blik van de ander volledig geïnterioriseerd en tot een integraal onderdeel van zijn doen en laten gemaakt. Hij speelt het spel van de ideale zoon die zichzelf observeert ("Ik kwam redderig overeind, inspecteerde de rolstoel en werd overvallen door een rampzalige aanval van barmhartigheid"), de gulle schenker die zijn geweten vrijkoopt ("Dus bij het afrekenen laat ik nog tien extra francs in het conservenblik voor de giften rinkelen en vind ik mezelf een goed christen"), de onverbeterlijke versierder die in een Frans restaurant een schattig familietafereel schetst ("Als de ober de Graves serveert, verbeeld ik mij dat de aantrekkelijkste van de vijf Franse tantes, half om half naar mij is blijven zitten kijken. Daarom speel ik bij het proeven dat ik de wijn eigenlijk maar zo en zo vind"). Van Kooten is op zijn best in de rol van de stoethaspel die niet eens weet hoe andijvie eruitziet. "In twijfelgevallen zou ik het natuurlijk aan een winkelende huisvrouw kunnen vragen ('het is misschien een gekke vraag mevrouw, maar weet u toevallig of dit andijvie is?') maar dat durf ik niet, uit eerbied. Zo'n drukke dame heeft haar kinderen de oorlog doorgeholpen, duizenden sokken gestopt, nog met de hand gewassen, tien ton aardappelen geschild, kilometers linnen gestreken, en dan blijkt een welgestelde middelbare vent in 1999 niet eens te weten hoe een struik andijvie eruitziet. Waar zaten die kerels dan al die jaren? In het café ja, met grote verhalen over alle romans en toneelstukken die ze zouden gaan schrijven, terwijl hun echtgenote, met een baby op de arm en een ander kind jengelend aan haar rokken bengelend, de andijvie stond klaar te maken." Het spel dat Van Kooten hier met overgave blijft spelen, is dat met het schuldige bewustzijn. Als geen ander weet hij het schuldgevoel over zoveel welvaart en geluk en de onvermijdelijke behoefte tot schaamte te verpakken in een luimig omhulsel. De ouderdom heeft merkwaardig genoeg geen verzwaring van dat schuldgevoel meegebracht: Van Kooten graaft in "Levensnevel" dieper en bewuster naar zijn verleden omdat hij zich er rekenschap van geeft dat hij nog maar een kwart van zijn leven over heeft. Dat wil hij niet verdoen aan somberte of getob, hoe onweerstaanbaar dat ook soms kan komen opzetten. De perfecte samenvatting luidt als volgt: "Een mens zou zich veel vroeger moeten realiseren waar het allemaal te laat voor is." Kees van Kooten, "Levensnevel", De Bezige Bij, Amsterdam, 190 blz., 599 fr.Jan Flamend