Om tussendoor even te peilen naar de tijdsgeest, leggen we naar goede gewoonte elk voorjaar een aantal Vlaamse intellectuelen een Grote Vraag voor. Elf antwoorden op die ene Vraag van Knack.

JEAN PAUL VAN BENDEGEM { Hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie, VUB } In de mogelijkheid van een betere toekomst

Ik geloof in een wereld die voor iedereen leefbaar moet zijn. Zeg maar, zoals het grosso modo in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat neergeschreven. Als we dat kunnen – en we kunnen dat – dan hebben we al een wereld die mag gezien worden door iedereen en, wat mij betreft, ook door een Schepper, indien men daar nood aan heeft. Ik geloof in een wereld waar mensen zo met elkaar omgaan dat altruïsme een evidentie is en zuiver egoïsme een bizarre uitzondering. Waar men niet per se voor elkaar vriendelijk hoeft te zijn, wie onnozel doet, zal het te horen krijgen opdat die zou leren uit die stommiteiten. Ik geloof in een wereld waar mensen oud kunnen worden in zo’n fysieke en mentale toestand dat zijzelf kunnen beslissen dat het goed geweest is, dat hun leven vol is en dat ze met genoegen hun plaats willen afstaan aan diegenen die na hen komen omdat ze het ongetwijfeld beter zullen doen.

Waarschijnlijk gelooft u nu dat de auteur van deze woorden totaal gek moet zijn, zo niet op zijn minst onnozel of onvoorstelbaar naïef. Het kan mij eerlijk gezegd niet schelen wat men denkt over mij, maar ik weiger mee te verzuipen in een doemscenario waarbij de huidige lamentabele staat van de wereld alleen maar kan leiden tot een totale destructie. Dat het dus niet anders kan dan dat we ons nu in een wereld bevinden die overloopt van de ellende en de miserie, bestuurd door machtswellustelingen die in volle middeleeuwse stijl hun macht verantwoorden (een te vleiende term) door naar het Hoogste te verwijzen (vaak daardoor het Laagste bij mij opwekkend), die behandelbare ziektes als straffen van datzelfde Hoogste zien en die, als het erop aankomt, nog een bevolking meekrijgen ook die je blijkbaar wel de hele tijd integraal voor de gek kunt houden, om uit te monden in een vrolijk apocalyptisch gebeuren.

Neen, er moeten alternatieven zijn. Wat we vandaag meemaken is pijnlijk, uiteraard, maar de toekomst is meer open dan we vermoeden. We hebben dus alle redenen om naar een beter scenario toe te werken en het doemscenario af te wenden. Als het mislukt, tot daar, men kan ons niet verwijten niet geprobeerd te hebben, zoals men zo mooi zegt. Waarom ben ik zo ziekelijk optimistisch? Omdat ik vandaag op een kleinschalig niveau en, akkoord, in een aangenaam beschermde, van de kwade buitenwereld afgesloten omgeving, af en toe een glimp opvang van wat zo’n toekomst zou kunnen zijn, de voornaamste reden waarom ik met trots een vrijmetselaar ben.

GUILLAUME VAN DER STIGHELEN { Medestichter van het reclamebureau Duval Guillaume } In de liefde

Er lopen mensen rond die niet graag genoeg gezien worden. Daar komen ongelukken van. Zie wat de oude George Bush aan miserie had kunnen voorkomen als hij zijn zoon wat liever had gezien. In plaats van hem punten te geven, te beoordelen. Gewoon graag zien. Zomaar. Omdat het zijn kind is. Liefde kan zoveel goedheid brengen. Stel dat iemand de vakbondsleiders in ons land graag zou zien. Nu staan ze daar, voor de camera, met hun boze gezichten, als tollenaren van lang geleden verworven rechten. Aanbeden door niemand. Of neem nu de fabrieksbaas, die ook al geen held meer is. Misprezen door zijn gezin omdat ze hem nooit zien. Gekleineerd door zijn aandeelhouders. Uitgelachen door zijn omgeving omdat hij geen tijd heeft voor een boek. Of een film. Gedraaid door een zwaarlijvige regisseur, door iedereen bewonderd en door niemand bemind.

Stel dat wij allemaal samen van de premier zouden houden, zoals de Jordaniërs van hun Prins Abdullah II. Wij doen dat niet. Wij leren argwanend te zijn ten opzichte van onze leiders. Onze ouders. Onze vrienden. Stel dat wij houden van de postbode die door weer en wind rijdt om ons een kaartje te brengen van een idioot die we op vakantie in Australië hebben ontmoet. Stel dat we houden van onze bankier die zo goed op onze centen past. Of van de bakker die om drie uur is opgestaan om verse boterhammen te maken voor onze kinderen.

Houden van. Zomaar. Hoe moeilijk kan het zijn? Had Saddam ooit het gevoel gehad dat er iemand, één iemand, echt van hem hield, het had een dorp of zeven gescheeld op de rekening van de wereldsmart.

Ik ben vijftig. Ik was zestien toen een paar honderdduizend mensen in een wei luisterden naar muziek en van elkaar hielden. Zomaar. Terwijl de rest van de wereld avond na avond keek naar de doodskisten van jongens die gingen strijden tegen de communisten. Communisten, hoe moeilijk kan het zijn om die jongens graag te zien? Of islamieten. Kijk eens wat een rommel die tegenwoordig maken omdat niemand van hen schijnt te houden. Of de paus. Verguisd, door zijn eigen discipelen dan nog in de eerste plaats. Hoeveel geld zou een Donald Trump ervoor overhebben om één keer, slechts één keer te mogen ervaren wat het is als er iemand diep in je ogen kijkt en een stroom van liefde laat binnenlopen in je hart. Dat je er warm van wordt. Omdat iemand je graag ziet. Zelfs met zo’n kapsel.

De liefde. Daar geloof ik nog in. De liefde voor een mens. Zomaar. De onvoorwaardelijke liefde die alles goed maakt en een leven na de dood overbodig.

JEAN-JACQUES CASSIMAN { Centrum voor menselijke erfelijkheid, K.U. Leuven } In een evenwicht tussen mens en technologie

Ik geloof erin dat we mettertijd een evenwicht zullen vinden tussen mens en technologie. Dat we erin zullen slagen om ons op een harmonische manier te verzoenen met allerlei nieuwe ontwikkelingen. Momenteel is die harmonie er nog niet. Nogal wat mensen verzetten zich tegen de technologie die steeds dieper ingrijpt in ons leven. De technologie wordt door sommigen zelfs gezien als oorzaak voor wat misgaat in de maatschappij. Hierdoor wordt de angst en onzekerheid over de toekomst bij heel wat mensen nog versterkt. En aangezien we afstevenen op een convergentie van nanotechnologie, biotechnologie en informatica, mag je ervan uitgaan dat dat verzet voorlopig niet zal stilvallen. Een aantal mensen, fundamentalistische gelovigen bijvoorbeeld, stelt de technologie nu al verantwoordelijk voor alles wat er fout gaat. Die mensen verwerpen in principe elke wetenschappelijke vooruitgang. Die spanning zal, zeker als ze nog groter wordt, niet lang meer houdbaar zijn. Dus ofwel springt er iets, ontploft dat echt, en gaan we als menselijke soort letterlijk terug naar de natuur. Ofwel aanvaarden we die vooruitgang, en vinden we die harmonie. Ik geloof dus in het laatste.

Die aanvaarding zal ongetwijfeld selectief zijn. We hoeven niet alles te accepteren wat mogelijk zal worden. Dat zie je nu al: de gsm en het internet zijn volledig ingeburgerd, maar van genetisch gemodificeerde organismen moet de Europese consument niets weten. Het is moeilijk te voorspellen wat wel en wat geen ingang zal vinden, maar je kunt toch een aantal voorspellingen proberen te doen. De cyborg, de mens-machine zeg maar, is niet meer zo veraf. De knowhow is nu al aanwezig om met behulp van sensoren in het lichaam ervoor te zorgen dat bepaalde medicamenten vrijkomen als het lichaam daar behoefte aan heeft. Dat soort ingrepen zal steeds verder gaan. In Europa concentreren we ons op het genezen van mensen, maar in de VS heeft men het al expliciet over enhancement, de verbetering van mensen. Die evolutie is haast onvermijdelijk.

Dat je daar bang van kunt worden, lijkt mij begrijpelijk. Maar toch geloof ik dat de pendel uiteindelijk een evenwicht zal bereiken tussen fundamentalistisch geloof enerzijds en het extreme geloof in onbeperkte technologie anderzijds.

Als je ziet wat de mensheid al allemaal heeft meegemaakt, moet dat lukken. Wij zijn enorm flexibel, dus zelfs aan een eventuele integratie mens-robot zullen wij ons op termijn kunnen aanpassen. Daar geloof ik in. Veel keuze hebben we trouwens niet. We moeten optimistisch blijven, anders konden we er net zo goed niet meer zijn.

HILDE KIEBOOM { Voorzitter Sint-Egidiusgemeenschap } In het evangelie als een bron van menselijkheid

Waar ik nog in geloof? Is geloven dan uit de tijd? Niets lijkt me minder waar: de mens van de 21e eeuw is geen ongelovige, maar een veelgelovige. ‘It is not that we believe in nothing, we believe in anything’, hoorde ik het de bisschop van Londen verwoorden. Te horen aan veel onzin die op ons afkomt, vrees ik inderdaad dat we in eender wat willen geloven. In die context is het bon ton het christendom af te schilderen als iets dat zijn beste tijd heeft gehad. Ga jij nog naar de kerk? Laat jij je kinderen nog dopen? Het gevoel aan het einde van een tijdperk te staan is sterk aanwezig. Maar wie zijn wortels doorknipt, kan ook de toekomst niet denken. Met de tijd ben ik gaan geloven dat het evangelie van Jezus meer dan ooit een bron van menselijkheid is. Het leert de liefde voor de zwakke en de vrede in een meedogenloze wereld. Het oriënteert het hart van de verweesde mens in deze angstige tijden van opkomende nieuwe machten, confrontatie met andere culturen, groeiende kloof tussen rijk en arm en hernieuwd geloof in het nut van geweld. Christenen kunnen vandaag vanuit een sterke overtuiging met liefde naar de wereld kijken en openstaan voor andersdenkenden, zonder zich beter te voelen. Identiteit en openheid moeten hand in hand gaan in tijden van groeiende lichtgelovigheid en toenemend integrisme. Ik hou van het beeld van een christen die vriend is van iedereen, vertrekkend van zijn voorkeur voor de zwaksten.

Vlaanderen verloor onlangs twee grote christenen: prelaat Ulrik Geniets van de norbertijnenabdij van Averbode, een man van het onderwijs en het gedrukte woord, met een open blik voor ontwikkelingen in India en Latijns-Amerika. Ondanks een drukke agenda verstond hij de kunst van de vriendschap. En dom Ambroos Verheul, voormalig abt van de benedictijnenabdij van Keizersberg en kerkvernieuwer. Ik leerde hen waarderen als mannen van een stuk, met een groot vertrouwen in de toekomst, en als opvallend vrije geesten.

In jaren van galopperende economisering en zinledigheid, gaven zij niet toe aan gemakkelijk doemdenken, maar gaven zij een getuigenis van een leven dat niet in dienst stond van het eigen comfort en het zelfbeklag. De verkiezing van pater Damiaan tot grootste Belg doet mij beseffen dat er een diepe hunkering leeft naar zo’n geloof dat leidt tot dienstbaarheid. Met hen deel ik het geloof dat het christendom niet tot het verleden behoort, maar spirituele schatten biedt die morgen nog goed van pas gaan komen.

JOHAN BRAECKMAN { Hoogleraar filosofie, UGent } In de mogelijkheid tot verstandhouding

De sofist Gorgias poneerde drie stellingen: (1) dat er niets bestaat; (2) dat, als er toch iets bestaat, we het niet kunnen kennen; (3) dat, mocht het toch voor iemand kenbaar zijn, deze persoon het niet zou kunnen meedelen. Ik heb grote waardering voor het gezonde scepticisme dat de sofisten in het westerse denken binnenbrachten, maar geloof manifest in het tegendeel van Gorgias’ stellingen, zeker wat de derde betreft. Afgezien van de logische problematiek rond een uitspraak die duidelijk wil maken dat je iets niet duidelijk kunt maken, ben ik ervan overtuigd dat mensen universeel in staat zijn tot het uitwisselen van informatie, en dat ze die informatie ook wederzijds kunnen begrijpen. Dat betekent dat mensen van over de hele wereld, van om het even welke cultuur, in principe vruchtbare dialogen kunnen voeren. Bovendien geloof ik dat dit vermogen te danken is aan datgene wat ons het meest typeert als mensen: dat we sociale wezens zijn. Precies daarom beschikken we over een rijk en subtiel palet aan emoties en hebben we diverse cognitieve en communicatieve vermogens, waarvan taal wellicht het belangrijkste, maar zeker niet het enige is.

In de loop van de twintigste eeuw werden we ons meer dan ooit tevoren bewust van de enorme verscheidenheid aan menselijke gedragingen en culturele expressies. Het leverde meer respect op voor andere manieren van leven en denken en dwong het Westen tot meer bescheidenheid. Maar er is ook een keerzijde aan deze ontwikkeling. De toegenomen kennis bracht ook angst en onbegrip mee en vanuit de onderbuik geïnspireerde pleidooien om de eigen cultuur, tradities en gewoonten te vrijwaren van invloeden van buitenaf. Velen focussen op de verschillen, vergroten ze uit en worden blind voor de overeenkomsten. Ik geloof dat het belangrijk is om daartegenover de eenheid in plaats van de verscheidenheid te beklemtonen. Ook de vreemdeling, wiens taal we niet spreken, religie niet begrijpen, voedsel niet lusten en kledij onmodieus vinden, voelt angst en pijn, heeft vreugde en verdriet, kent wanhoop en trots. Ook hij is soms moreel verontwaardigd, wordt ontroerd door muziek, door landschappen, beelden en vormen. Ook hij voelt liefde voor familie, vrienden en naasten, en waardeert begrip en samenwerking meer dan onbegrip en uitsluiting. Ik geloof in de mogelijkheid tot dialoog en verstandhouding, omdat de gelijkenissen tussen mensen onvergelijkbaar veel groter zijn dan de verschillen.

JOSIANE VAN DER ELST { Hoofd van het IVF-centrum aan de UGent } In de lichtheid van het bestaan

Ik hou van film. Dwalen door tijd en ruimte, beleven van ongekende en ongehoorde situaties, de hoogste graad van fantasie en fictie. Film is vrijheid. Het is trouwens een van mijn favoriete films die mijn type van geloof illustreert, The Unbearable Lightness of Being. Tegen de achtergrond van Praag 1968 leren we drie mensen kennen, een magnetiserende Daniel Day-Lewis die het leven zeer licht opneemt en door de dagen flirt, de speels-realistische Juliette Binoche die hem als echtgenote rust biedt en de fataal mooie Lena Olin, zijn ultieme temptatie. Hoewel dat soms ondraaglijk is, beseffen zij dat het futiel is te trachten aan de driehoek van hun bestaan te ontsnappen. Ze beseffen de lichtheid ervan en worden onvoorwaardelijk en waarlijk elkaars beste vrienden.

Het bestaan is zo licht omdat het onsignificant is, wat we ook doen of laten, het bestaan van het individu is eenmalig en het einde is onafwendbaar gekend. Vaak leidt dit tot godsdienstig zoeken met de hoop op het bestaan van een hoger wezen, van een hogere macht aan wie we verantwoording schuldig zijn en die goed of kwaad kan belonen of straffen. Ik slaag niet in dat soort fiscaal geloof. Er is geen intelligent ontwerper die onze daden in een dagboek bijhoudt en op het einde het credit- of debetsaldo presenteert. En daarin schuilt precies het ondraaglijke, enerzijds zijn we zo futiel dat we het bestaan licht mogen opnemen, maar anderzijds maakt de gedachte ‘dat het mogelijk allemaal voor niets is’ de lichtheid van het bestaan ondraaglijk.

Hoe kan men uit het dilemma van de lichtheid van het bestaan dan levenskracht puren? Wel, net door de lichtheid het gewicht van relativiteit te geven. Ons bestaan is een toevallige passage, het had kunnen plaatsvinden maar ook niet. We hadden het niet hoeven te weten, we hadden niet geboren hoeven te worden en niet te sterven. We zijn hier en maken er onvoorwaardelijk het beste van. Goed en kwaad afwegen tegen de lichtheid.

Men zegt dat we allen 21 gram lichter worden op het exacte moment van onze dood. Is dat de ziel, de anima die ons lichaam verlaat? Is 21 gram het gewicht van de ziel? Is de ziel de lichtheid van het bestaan? Het is in ieder geval de titel van een loodzwaar filmdrama waarin het bestaan van drie personages toevallig maar onherroepelijk verstrengeld raakt in een kamp met leven en dood. En voor Einstein is 21 gram een massa energie. Laat het ons daarop houden, ik geloof in de energie van de lichtheid van het bestaan.

HERMAN DE DIJN { Hoogleraar filosofie, K.U. Leuven } In het mysterie dat blijft bestaan

Waar gelooft u nog in? In engelbewaarders, het hiernamaals? We weten toch beter? Wij geloven in de vooruitgang, de democratie of de wetenschap. Maar hoe meer we worden voorgehouden alleen te geloven in wetenschap en techniek, hoe meer het duidelijk wordt dat zij ons op cruciale momenten in de steek laten. Dit leidt dan weer tot geloof in om het even wat: in homeopathie of reïncarnatie of astrologie – eigenlijk nog ‘erger’ dan geloof in mirakels of het hiernamaals?

Om welk geloof gaat het hier? Telkens gaat het om geloof dat voortkomt uit nood en verwachting, een geloof dat wedt op een of andere vorm van winst of verzekering en altijd weer blootstaat aan verlies en bedrog. Waar gelooft u nog in? Wat heeft u (nog) niet bedrogen? Uit uw antwoord kunnen anderen dan opmaken hoe goedgelovig u (voorlopig) nog bent. Uiteindelijk verliezen we op het einde van de rit altijd?

Er bestaat echter ook een radicaal andere vorm van geloof, die niet voortkomt uit nood en verwachting, maar te maken heeft met een soort openbaring, waar wij niet om gevraagd hebben, en waardoor we dus ook moeilijk bedrogen kunnen worden. Het gaat om de openbaring van een mysterie, een mysterie dat blijft bestaan, ook al heeft de wetenschap helemaal ontrafeld hoe het in elkaar zit. Het mysterie van het kleine meisje dat huppelend aan moeders hand loopt, het mysterie van een gezicht, het (bijvoorbeeld door Rilke) steeds weer bezongen mysterie van de roos.

Dergelijk geloof bestaat zowel binnen als buiten de religie. Wittgenstein parafraserend: ook al zou de wetenschap alle problemen hebben ontrafeld, dan blijft het mysterie volkomen overeind. Het heeft niets met wetenschappelijk onderzoek te maken. Dat geldt niet alleen voor de roos, maar voor alle echte mysteries. Voor wie niet volkomen afgestompt is, voor wie bekwaam is tot de juiste aandacht, is het leven doortrokken met ontmoetingen van dergelijke mysteries. Al de rest is als kaf in vergelijking met wat zich daar toont.

Er zijn minstens twee soorten ‘werkelijkheid’: de empirische werkelijkheid én de werkelijkheid van wat ons appelleert. Deze laatste werkelijkheid is, ook al heeft ze een empirisch waarneembare kant, daar niet toe reduceerbaar.

Het geloof dat wortelt in openbaring is de ultieme basis van de inzet voor datgene wat ons daar wordt toevertrouwd. Daarom heeft ethiek niet met wetenschap te maken, zelfs niet in de eerste plaats met regels en procedures, maar uiteindelijk met trouw aan bepaalde mysteries, zoals de waardigheid van elke mens.

SAMI ZEMNI { Docent politieke wetenschappen, UGent } In een betere, meer vreedzame toekomst

Ik geloof in een betere, meer vreedzame toekomst waarin de mens zijn idealen kan terugvinden door zijn vrijheid te herontdekken. Deze toekomst wordt beter niet gedefinieerd, niet omschreven of tot in de details vastgelegd. Integendeel, het einddoel op zich is niet zo interessant maar de weg ernaartoe des te meer. Het einddoel kan per definitie ook nooit definitief bereikt worden. Dat is maar goed ook, want uit de geschiedenis leerden we dat het vooropstellen van een glansrijke toekomst in de vorm van een goddelijk aards paradijs, een fascistisch rijk of een communistische klassenloze maatschappij telkens weer neerkwam op het hardhandig verknechten van de mens. Het eerste slachtoffer was steeds weer de menselijke vrijheid en daarmee ook het ideaal zelf want, zoals Camus het ooit stelde, wanneer de legitimatie voor wat vandaag gebeurt in de toekomst ligt, dan blijkt in de meeste gevallen de ‘politie’ belast te zijn met het ‘goedspreken’ van het tijdelijke. Een van de paradoxen van onze hedendaagse maatschappij van overvloed en consumptie is dat we onszelf proberen voor te houden dat we zonder ‘grote verhalen’ kunnen. Sommige succesvolle intellectuelen reikten ons het idee van het ‘einde van de geschiedenis’ aan (Fukuyama). Een idee dat op het eerste gezicht een geruststelling bleek, maar in de praktijk de kloof en de diepte van de onzekerheid van het zijn blootlegde. Hoe meer ‘onze vrijheid’ werd afgekondigd, ontdaan van de angsten van de Koude Oorlog, des te meer deze vrijheid moeilijker te vatten en te dragen werd.

Dus volgden andere denkers, met nieuwe ideeën. De geschiedenis was niet tot haar einde gekomen, maar er dreigde een ‘botsing tussen de beschavingen’ (Huntington), of we dreigden te vervallen in ‘een nieuwe anarchie’ (Kaplan). Hoe meer doemdenken, hoe meer waarschuwingen en angstaanjagender de voorspellingen, des te beter de westerse kapitalistische maatschappij blijkt te functioneren. De dreiging van buitenaf is paradoxaal de geruststelling van ‘onze superioriteit’. We gaan liever om met grotendeels onbestaande vijanden (of, in het geval van Irak, maken we ze zelf) om onze identiteit te bevestigen (en we zijn zelfs bereid belangrijke delen van onze vrijheid daarvoor op te geven) dan te leren omgaan met de fundamentele onzekerheid van de vrijheid.

De mens kan inderdaad moeilijk zonder ‘grote verhalen’. Er is nood aan een toekomstbeeld, aan nieuwe idealen. Laten we opnieuw daarover denken en praten, laten we hopen dat politici deze taak opnieuw meer op zich nemen. Maar laten we er onmiddellijk aan toevoegen dat dit beeld, dit ideaal slechts een schim moet blijven. Door het voorop te stellen, verschijnt een weg en het is deze weg die – eenmaal gekozen – het belangrijkste wordt.

CHRISTINE VAN BROECKHOVEN { Departement voor Moleculaire Genetica, Universiteit Antwerpen } In de wetenschap en in de mens

Als wetenschapper geloof ik erin dat we de komende twintig jaar voldoende vooruitgang zullen blijven maken om de ouder wordende hersenen ooit even gezond te kunnen houden als de rest van het lichaam. Vandaag kunnen we dat nog niet. De hersenen zijn namelijk veel ingewikkelder dan we altijd hebben gedacht. En die complexiteit wordt groter en groter. Maar zodra we die complexiteit hebben aanvaard, kunnen we onze onderzoeksstrategieën daarop veel preciezer afstemmen. Het is niet omdat de hersenen zo ingewikkeld zijn, dat we ons doel niet kunnen bereiken. Dat doel is niet het verouderingsproces stopzetten, want dat kunnen we niet. Maar dementie is geen noodzakelijk onderdeel van het verouderingsproces. Dementie is een ziekte, en het doel is om die ooit te kunnen genezen. Zodat het schrikbeeld van mensen met demente hersenen in een gezond lichaam langzamerhand naar de achtergrond zal verdwijnen.

Als mens geloof ik nog met volle overtuiging in de mens, ook al hebben we vaak de indruk dat we alleen maar het slechte, de negatieve tendensen zien: oorlogen, tsunami’s, orkanen, fundamentalisme, agressie, onverdraagzaamheid… Al die zaken bestaan, maar ik ben ervan overtuigd dat we er veel te veel de nadruk op leggen. En dat we zo de positieve zaken uit het oog verliezen. Zeker wij hier in het Westen. Als westerlingen vinden wij onze rijkdom en luxe blijkbaar al zo vanzelfsprekend dat we niet meer beseffen hoe uitzonderlijk die eigenlijk zijn. We zijn zo verwend dat we nogal snel beginnen te zeuren. Als je het vanzelfsprekend vindt dat je elke dag terechtkunt in een rijkgevulde supermarkt, dan ben je al verontwaardigd als je eens een product mee naar huis neemt waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is.

Die negatieve kijk wordt natuurlijk enorm in de hand gewerkt door de media, die vooral inzoomen op de sensationele verhalen, en niet op de positieve en hoopgevende verhalen waarvan er veel meer te rapen zijn. Ik merk dat ook in mijn eigen onderzoeksgebied: je kunt zeggen dat 25 procent van de mensen dement sterft, of je kunt zeggen dat 75 procent van de mensen niet dement sterft. Je kunt winnen of verliezen. Wie denkt, of het gevoel heeft, dat hij altijd verliest, wordt op den duur een zeurpiet. Ik bekijk de zaken liever positief, omdat ik er absoluut nog altijd in geloof dat het positieve overheerst in deze wereld.

BERT CLAERHOUT { Hoofdredacteur Tertio } In vriendschap, liefde, schoonheid en God

De herinnering dateert uit mijn lagereschooltijd, inmiddels alweer tientallen jaren geleden. Vriendschap, liefde, blijdschap, schoonheid, toekomst, hoop, vrede, vaderland en God, noteerde de onderwijzer met vaste hand op het bord. Alsof de woorden eeuwigheidswaarde hadden. En in zekere zin was dat ook zo. Geconcentreerd schreef ik ze zo keurig mogelijk over in mijn schrift. Om daarna voor de rest van mijn leven op zoek te gaan naar de waarheid erachter.

Na al die jaren weet ik nog altijd niet of datgene waarin ik geloof, zoveel verschilt van wat de generaties voor mij geloofden. De tijd was krap en het uitzicht beperkt. Soms verwarde ik het woord met de daad, en omgekeerd. Grote idealen zijn nu eenmaal dubbelzinnig, net als mensen. En toch… Wie de scherven ervan niet opraapt, is gedoemd te leven met het besef dat het geluk utopisch is.

Hechte en tegelijk broze vriendschappen, kwetsbare liefdes, flarden schoonheid en een gastvrije God: is dat al niet te veel om in te geloven? Jammer dat de vriendschap niet in het rijtje van de sacramenten is opgenomen. Dankzij haar spirituele kracht ontmoeten mensen elkaar belangeloos. De banden die ze smeedt zijn teer als een spinnenweb, maar sterk genoeg om elkaar op te vangen en onze eenzaamheid te doorbreken. Ook wie niet meer in de Ware Liefde gelooft, kan niet zonder vriendschap.

Uiteraard heeft vriendschap met liefde te maken, maar de diepmenselijke behoefte om hartstochtelijk lief te hebben en bemind te worden, is een stap verder. Al duikt ook hier weer de dubbelzinnigheid op. Wat ons hopeloos verliefd maakt en ons gepassioneerd naar iemand doet verlangen, roept tegelijk gevoelens van bittere ontgoocheling en frustratie op als het misloopt. Kun je evenwel in het leven geloven zonder rusteloos op zoek te gaan naar de passie die lichaam, hart en ziel verteert?

Schoonheid opent dan weer onze ogen voor de vervoering in ieder van ons. Ik geloof allang niet meer dat kunst de wereld kan redden. Toch ontroert authentieke kunst me doordat ze het alledaagse sublimeert en het triviale transfigureert. Een schilderij van Matisse, bijvoorbeeld, openbaart me telkens weer nieuwe perspectieven doordat het het onzegbare expliciteert.

Tot slot is er God – voor velen niet meer evident in deze tijd van het Grote Gemis. God is voor mij geen projectie van de mens, integendeel. Als christen geloof ik dat Hij mens is geworden. En dus spreekt Hij allereerst via de mensen: door onszelf en door de anderen. Je hart gevoelig maken voor God betekent vooral ook dat je voortdurend tracht ‘een nieuwe mens’ te worden. Als ik in iets geloof, dan is het dat – ondanks alle onvolkomenheden, alle kwaad en ‘ik-zucht’ – leven in Zijn geestelijke ruimte de moeite waard is.

MIA LEIJSSEN { Hoogleraar psychologie K.U. Leuven } In de kracht van de geest

Het cultiveren van goedheid, waarheid, schoonheid is richtinggevend voor mijn leefwijze. Ik geloof dat wij als mens veel kunnen doen om ‘het goddelijke’ in het dagelijkse leven op te merken en gestalte te geven. Voor mij zit dat in eenvoudige dingen zoals vriendelijkheid, dienstbaarheid, samen plezier maken; niet nodeloos iemand kwetsen, oprecht en betrouwbaar zijn; oog hebben voor kleine dingen die getuigen van zorg of creativiteit; genieten van humor, muziek, natuur. Voor een magisch moment, een authentiek moment van verrassing of verbondenheid, ben ik bereid veel inspanning te doen en er banale momenten en miserie bij te nemen. Ik ben geboeid door de onvoorstelbare potentialiteiten van het menselijk organisme. Ik koester de hoop dat vrouwelijke wijsheid meer gewicht krijgt in onze samenleving.

Ik geloof in de kracht van de geest. Ik heb dat zelf vaak ervaren. Stilaan beginnen ook onderzoeksgegevens aan te tonen dat gedachten bijvoorbeeld in het lichaam stoffen kunnen vrijmaken die eenzelfde uitwerking hebben als chemische middelen. Ik denk dat onze cultuur zich blind staart op het materiële en wat met de zintuigen waarneembaar is. Daardoor is er een onderschatting van een realiteit die – momenteel nog – grotendeels ontsnapt aan onze empirisch wetenschappelijke onderzoeksmethoden. Ik geloof dat we over een aantal decennia ons wereldbeeld grondig zullen moeten bijsturen. Wat nu nog door sommigen met scepsis onthaald wordt, kan in een meer gevorderde fase van de wetenschap misschien zo natuurlijk worden als de zwaartekracht. Ik vind positief denken en het goede wensen geen naïeve levenshouding, maar een krachtig middel om levenskwaliteit te verbeteren.

Ik heb een grote openheid voor het bestaan van verschillende waarheden en diverse wegen waarlangs mensen het goede leven en goed sterven kunnen realiseren. Ik ben enkele keren nauw in contact geweest met de dood en heb eruit geleerd daar niet bang voor te zijn. Het moeilijkste aan sterven is voor mij het loslaten van geliefden; de dood op zich is alleen de uitdaging van het onbekende. Ik ben niet zo gehecht aan dit lichaam dat ik het onverdraaglijk vind om het achter te laten op een gegeven moment. Ik vertrouw erop dat als mijn tijd gekomen is, ik de overgang zal maken naar een andere dimensie waarvan wij ons als mens geen voorstelling kunnen maken. Ik ben geen aanhanger van bepaalde theorieën; ik geloof dat het inherent is aan het bovennatuurlijke dat het ontsnapt aan wat wij daarover kunnen bedenken.

Joël De Ceulaer

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content