De diepe economische crisis, die ook de sociale zekerheid onder zware druk zet (er dreigt dit jaar een tekort van bijna 2 miljard euro), is niet meteen een gunstige context. Maar toch voert het ACW dit jaar een campagne voor het meer dan zestig jaar oude Belgische systeem van so-ciale bescherming. Naast welvaartsvaste uitkeringen, betaalbare gezondheidszorg en bijkomende financiering uit kapitaalsinkomens, focust de christelijke werknemersbeweging op een versterking van de afgeleide pensioenrechten.
...

De diepe economische crisis, die ook de sociale zekerheid onder zware druk zet (er dreigt dit jaar een tekort van bijna 2 miljard euro), is niet meteen een gunstige context. Maar toch voert het ACW dit jaar een campagne voor het meer dan zestig jaar oude Belgische systeem van so-ciale bescherming. Naast welvaartsvaste uitkeringen, betaalbare gezondheidszorg en bijkomende financiering uit kapitaalsinkomens, focust de christelijke werknemersbeweging op een versterking van de afgeleide pensioenrechten. Dat laatste aandachtspunt heeft alles te maken met de manier waarop de sociale zekerheid vorm heeft gekregen. Daarbij stond het kostwinnersmodel centraal: in een gezin gaat de man werken en blijft de vrouw thuis om voor de kinderen te zorgen. Omdat vrouwen in zo'n gezinssituatie geen so-ciale bijdragen betalen, vallen ze terug op 'afgeleide rechten'. Dat zijn bijvoorbeeld de terugbetaling van dokterskosten, een gezinspensioen (als de man met pensioen gaat bedraagt die uitkering 75 procent van zijn loon) of een overlevingspensioen (als de partner overlijdt). Maar intussen hebben verschillende maatschappelijke ontwikkelingen dat kostwinnersmodel op zijn kop gezet en zodoende ook een negatieve impact op die afgeleide rechten. Dat drijft vooral laaggeschoolde vrouwen met een beperkte, afgebroken of veelvuldig onderbroken loopbaan in de armoede. Sociologe Sandra Rosvelds van de studiedienst van het ACW somt drie evoluties en evenveel knelpunten op. Op de eerste plaats werken vrouwen steeds meer buitenshuis (in de leeftijdsgroep 15 tot 64 jaar zijn er in Vlaanderen nog maar 249.000 huisvrouwen; van de hooggeschoolde vrouwen is 82 procent beroepsactief). Maar als hun echtgenoot overlijdt en ze dan ook recht hebben op een overlevingspensioen, worden ze door cumulbeperkingen ontmoedigd om nog verder te werken. Een werkende vrouw met kinderen bijvoorbeeld verliest die pensioenuitkering als ze bruto meer dan 24.840 euro per jaar (of goed 900 euro netto per maand) verdient. Tot begin 2008 kon het overlevingspensioen in een dergelijke situatie zelfs niet gecombineerd worden met een werkloosheids- of ziekte-uitkering voor de vrouw. Dat kan nu wel, maar nog altijd slechts gedurende een jaar. Een tweede ontwikkeling houdt verband met het groeiende aantal echtscheidingen (1 op de 3 huwelijken liep in 2007 uit op een echtscheiding). Vooral huisvrouwen en ook vrouwen die bijvoorbeeld omwille van de kinderen deeltijds zijn gaan werken of hun loopbaan hebben onderbroken, zijn dan inzake afgeleide pensioenrechten de dupe. Op een gezinspensioen hoeven ze uiteraard niet meer te rekenen. Wel hebben ze recht op een 'echtscheidingspensioen', maar pas vanaf het moment dat hun ex-partner met pensioen gaat. Bovendien bedraagt die uitkering slechts 37,5 procent van zijn loon tijdens de jaren van het huwelijk. Een derde evolutie is die van huwen naar samenwonen. Dat schept opnieuw inzake pensioen een groot probleem. Voor uitkeringen bij werkloosheid, (beroeps)ziekte of een arbeidsongeval telt de feitelijke samenlevingssituatie en wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen gehuwden en niet-gehuwden. Maar samenwonen geeft geen recht op een overlevings- of een gezinspensioen. Voor tweeverdieners, met ieder een goed pensioen, is dit doorgaans geen bron van financiële zorgen. Maar vrouwen met een onregelmatige loopbaan en een laag inkomen, kan dit op latere leeftijd zuur opbreken en in de armoede storten. 'Het ACW wil de gevolgen van deze maatschappelijke ontwikkelingen voor afgeleide sociale rechten op een pragmatische en realistische manier benaderen', zegt Rosvelds. 'Daarbij hebben we weinig aan een ideologisch discours over de vraag of vrouwen al dan niet moeten gaan werken en eigen rechten opbouwen. Het ACW wil dat vrouwen daartoe gestimuleerd worden en dat daarbij dan bijvoorbeeld ook gezorgd wordt voor goede kinderopvang. We schieten ook niet veel op met de stelling van sommige vrouwenorganisaties dat afgeleide rechten vrouwen in een afhankelijkheidspositie houden. Afgeleide rechten blijven belangrijk om te vermijden dat gezinnen in de armoede verzeilen. Honderdduizenden mensen maken er nog steeds gebruik van.' Dat is ook de mening van Elisabeth Alofs, die als predoctoraal onderzoeker en medewerker verbonden is aan de rechtsfaculteiten van de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen. Alofs schreef voor het Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid een bijdrage over 'compenserende uitkeringen' na het verlies van een partner door overlijden of echtscheiding. 'Er is een evolutie aan de gang van het kostwinnersmodel naar een model van tweeverdieners. Dat wordt ook aangewakkerd door de Europese Lissabondoelstelling, die wil dat 70 procent van de actieve bevolking tegen 2010 aan het werk is en voor het eigen onderhoud en de eigen sociale bescherming instaat. In het Europese jargon wordt gesproken over het adult worker model, waarbij afgeleide rechten niet meer nodig zouden zijn', aldus Alofs. 'Maar daar heb ik serieuze vragen bij. In de praktijk is het kostwinnersmodel voor een gezin zeker niet verdwenen en moet een koppel trouwens nog altijd een individuele keuze kunnen maken of man én vrouw gaan werken. Om naar een volledige individualisering van sociale rechten over te gaan, is dus minstens een uitdoofscenario nodig. Voorts zijn twee inkomens vaak noodzakelijk geworden, maar dat betekent ook dat het verlies van een van beide inkomens een groot sociaal risico voor het betrokken gezin is en vaak de economische zelfstandigheid van de vrouw onderuithaalt. Bovendien zal ook in een meer veralgemeend model van tweeverdieners nog steeds een systeem nodig zijn dat de combinatie van arbeid met de zorg voor de kinderen mogelijk maakt. Om al die redenen heeft een overlevingspensioen bijvoorbeeld nog steeds een bestaansrecht.' Volgens Rosvelds kunnen niet alle risico's volledig op de sociale zekerheid worden afgewenteld. 'Mensen moeten vrij loopbaan- en gezinskeuzes kunnen maken, maar ze zijn ook mee verantwoordelijk voor die keuzes. Anders komt binnen de sociale zekerheid het evenwicht tussen verzekering en solidariteit op de helling te staan', zegt ze. Daarom volgt het ACW drie sporen: mensen moeten goed geïnformeerd worden over hun rechten en de gevolgen van hun keuzes; vrouwen moeten worden aangemoedigd om een eigen loopbaan uit te bouwen en om voor de combinatie van arbeid en gezin gebruik te maken van formules die hun pensioenopbouw niet in het gedrang brengen (tijdskrediet, loopbaanonderbreking en thematische verloven); en de bestaande afgeleide rechten moeten worden versterkt. Wat het laatste spoor betreft, meent Rosvelds dat de logica van de cumulregels voor een overlevingspensioen na het overlijden van de partner het best wordt omgekeerd: de uitkering moet worden beschouwd als een aanvulling van het arbeidsinkomen van de vrouw (nu vult dat inkomen het overlevingspensioen aan en trekken cumulplafonds een streep door de uitkering). Alofs denkt aan een 'nabestaandenuitkering', als 'een inkomensaanvulling of om zorg voor de kinderen in te kopen'. In haar voorstel zou die uitkering niet meer leeftijdsgebonden zijn (een vrouw moet nu voor een overlevingspensioen 45 jaar zijn), maar wel rekening houden met de kinderlast en ook tijdelijk zijn tot de vrouw (opnieuw) gaat werken. Om dat laatste te stimuleren denkt zowel het ACW als Alofs aan een activerings- of aanpassingsvergoeding. Voor het verbeteren van het 'echtscheidingspensioen' legt het ACW verschillende nader te onderzoeken mogelijkheden op tafel. Dat gaat van het versterken van het huidige afgeleide recht op een overlevingspensioen tot 'pensioensplitting' (met een overdracht van de pensioenbijdragen van de man naar de pensioenopbouw van de vrouw als een vorm van interne solidariteit van een koppel voor de duur van hun huwelijk) en het organiseren van een nieuwe sociale verzekeringstak (met premies of bijdragen) tegen echtscheiding. Ten slotte zouden huwen en samenwonen meer op gelijke voet moeten worden behandeld, maar dan moet het samenwonen wel gaan over een duurzame relatie (bijvoorbeeld door middel van een samenlevingscontract). Alofs: 'Die gelijke behandeling zal niet eenvoudig zijn, want het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vinden een onderscheid geoorloofd omdat mensen een keuzerecht hebben. Maar volgens mij is dat recht om al dan niet voor een huwelijk te kiezen relatief. Tenslotte moet je daarvoor met twee zijn en heeft een man vaak als economisch sterkere partner redenen om niet te trouwen.' DOOR PATRICK MARTENS