"Wat voor iemand is Wilfried Martens eigenlijk?" Die vraag kregen ervaren journalisten en CVP-figuren de vorige maanden op hun bord als ze met Marc Van Peel aan tafel zaten. Van Peel mag dan wel voorzitter en historicus zijn, als relatieve nieuwkomer in de partij kent hij Martens slechts van ver. Terwijl Martens, Jean-Luc Dehaene, Herman Van Rompuy en Miet Smet al sinds het midden van de jaren zestig aan het front zitten, moest de vlijtige Antwerpse backbencher tot het begin van de jaren negentig wachten voor hij wat werd ingewijd in de geheimen van het huis-met-de-vele-kamers.
...

"Wat voor iemand is Wilfried Martens eigenlijk?" Die vraag kregen ervaren journalisten en CVP-figuren de vorige maanden op hun bord als ze met Marc Van Peel aan tafel zaten. Van Peel mag dan wel voorzitter en historicus zijn, als relatieve nieuwkomer in de partij kent hij Martens slechts van ver. Terwijl Martens, Jean-Luc Dehaene, Herman Van Rompuy en Miet Smet al sinds het midden van de jaren zestig aan het front zitten, moest de vlijtige Antwerpse backbencher tot het begin van de jaren negentig wachten voor hij wat werd ingewijd in de geheimen van het huis-met-de-vele-kamers. Uitgerekend de nuchtere en flegmatieke Van Peel die van de geladenheid van het verleden slechts een vermoeden heeft, moet nu beslissingen nemen waarbij hij enkele van de founding fathers op hun kleine ziel en hun groot ego dreigt te trappen. Dat kan pijnlijk en ontluisterend worden. Ook hier heeft de strijd om de macht vriendschappen kapotgemalen. De vroegere medestanders die samen de vermolmde partij van ces vieux messieurs opruimden en bijna drie decennia het land stuurden, zijn voorgoed van elkaar vervreemd. Ze kennen elkaar zo goed dat er niet eens ruimte voor onverschilligheid overblijft. Uit alle woorden sijpelt wrok. Premier Dehaene, die niet als een rancuneuze vent bekend staat, diende begin januari zijn gewezen kompaan Martens een sneer toe in een Humo-interview. Velen verbaasden zich over die uitval. Van Peel, die toen al over de Europese lijst piekerde, hield er ongetwijfeld een tip aan over en menig CVP- watcher trok er de conclusie uit dat het lot van Martens bezegeld was. De begeerde Europese lijsttrekkersplaats kon hij vergeten. Minister van Arbeid Smet, lange tijd een van de loyaalste medestanders van Martens, werd plots een rivale. Ook voor haar behoort de tijd tot het verleden dat ze spontaan voor de voormalige patron plaats maakte. MARTENS WERD NIET GEKOESTERDMet Dehaene zijn Martens en Smet de laatsten van de spraakmakende CVP-Jongeren uit 1969 - het fameuze "Wonderbureau" - die nog in de partij actief zijn. Pol Pataer, Rita Mulier en Ward Bosmans zochten inmiddels linkse horizonten op; Jan Huyghebaert en Georges Monard ruilden de politiek voor een carrière in de bankwereld en de administratie. Heel even maakte ook Herman Van Rompuy deel uit van deze groep, maar na enkele vergaderingen hield hij het voor bekeken. Het was hem allemaal "té progressief en té pluralistisch". Met zijn broer Eric week hij uit naar de conservatieve vleugel van de partij. Zo belandden ze in de buurt van Leo Tindemans en botsten herhaaldelijk met de Martens- boys. Hoewel Dehaene de reputatie had de ideoloog te zijn, was Martens de chef. In tegenstelling tot de anderen had hij al een naam toen hij begin 1965 een lidkaart van de CVP kocht. Zowel bij de Vlaamse Expodag en de eerste Vlaamse Mars op Brussel als de rumoerige waarschuwingsbetoging in Wezembeek-Oppem uit 1963 - "Geef ons wapens" - trad Martens op als een van de blikvangers. Hij was ook de auteur van het fameuze federalistisch rapport uit 1962 van de Vlaamse Volksbeweging (VVB). De CVP onthaalde dat werkstuk als veel te radicaal. Bovendien nam Martens zowel premier Theo Lefèvre als de unitaire partijvoorzitter Paul Vanden Boeynants op de korrel. In de Volksunie lag het bedje voor de federalist Martens toen gespreid en toch koos hij voor de CVP. Dat gaf de partij weer een jong imago en mede door de controversiële manifesten van Martens en Dehaene behield ze na '68 nog enig contact met de jongere generatie. Het Wonderbureau zorgde voor boeiend en verfrissend spektakel. Tot tweemaal toe toog Martens naar BSP-voorzitter Leo Collard om over progressieve frontvorming te praten en nadien volgde een geruchtmakend pleidooi voor een pluralistische gemeenschapsschool. De Guimardstraat ontstak in razernij. Sommigen in de CVP, zo vertelde Frank Swaelen vele jaren later aan Hugo de Ridder, drongen erop aan "Martens buiten te gooien". Zijn federale ideeën verontrustten de unitairen, die nog steeds op veel steun in de zuilen konden rekenen, terwijl de progressieve oprispingen dan weer de behoudsgezinde vleugel verstoorden. Hoewel hij jong bloed en nieuwe ideeën in de partij pompte, werd de afstandelijke, cerebrale en polemische Martens niet gekoesterd. Het ontbrak hem aan het charisma en de wolligheid om de christen-democratische harten te raken. Martens bleef altijd een allochtoon in de Vlaamse christen-democratie. Dankzij voorzitter Robert Vandekerckhove en mensen als Lefèvre slaagden de Jongeren erin zich te handhaven. Ze rondden de scherpe hoeken af. In 1971, na de zoveelste verkiezingsnederlaag, beseften de meest luciden dat alleen een grondige verjonging beterschap kon brengen. Martens dus, want de Boerenbond stond erop dat Tindemans in de regering bleef. Een harde, overwegend oudere kern - onder hen Robert Houben, Raf Hulpiau, Fred Bertrand en Placide De Paepe -, lag echter dwars en probeerde de machtsovername van de jonge Turken te verhinderen. Ze haalde het niet, maar kreeg Martens wel zo ver dat hij ballast overboord wierp. Na enkele demarches bij de bazen van de christelijke zuil zwoer hij in een interview in De Standaard de meest controversiële stellingen van de jongeren af. Niemand van de jongeren die zich aan zoveel politieke wendbaarheid stoorde. Op 4 maart 1972 werd de 36-jarige Martens tot partijvoorzitter verkozen en onmiddellijk begon hij het partijsecretariaat uit te bouwen. Het huidige europarlementslid Raf Chanterie verliet het ouderlijk huis en werd zijn privé-secretaris, terwijl Miet Smet het tot directeur van het Instituut voor Politieke Vorming (Ipovo) schopte. DE USURPATOR IN DE 16Nu veel maatschappijkritische thema's waren afgevoerd, spitste de voorzitter zijn aandacht toe op de partijvernieuwing en de staatshervorming. Het legde de CVP geen windeieren. Mee dankzij de sterk gepersonaliseerde campagne rond Tindemans - een idee van Martens dat vele CVP-baronnen afwezen - boekte de partij bij de verkiezingen van 1974 voor het eerst sinds 1958 winst. Tindemans vormde een centrum-rechts kabinet, de partij liet betijen. De samenwerking tussen premier en voorzitter verliep gesmeerd en Martens bouwde de partij verder uit. De ledenwerving werd professioneel georganiseerd en onder zijn impuls werd Vrouw en Maatschappij opgericht. De vervroegde verkiezingen van 1977, een direct gevolg van de vrijdagstakingen, mede georganiseerd door het ACV, leverden de CVP een nieuwe overwinning op. Ze luidde echter echter ook het einde in van de idylle tussen Martens en het Antwerpse boegbeeld en zijn epigonen. Het Egmontpact dat Martens met socialisten, Volksunie en FDF - de junta van de partijvoorzitters - onderhandelde, stuitte op bezwaren van Tindemans. Die kon op veel steun van de Vlaamse pers rekenen en ook in de eigen partij applaudisseerde een meerderheid toen hij, een en al emotie, in volle Kamer het ontslag van zijn regering aankondigde. Mede op aandringen van Dehaene prijkte Martens naast Tindemans op de verkiezingsaffiches van 17 december 1978. Daarmee kreeg heel Vlaanderen de verdeeldheid binnen de CVP in beeld. Toen Tindemans zich in de Magdalenazaal, op het CVP-congres van 1 april 1979, totaal onverwacht kandidaat stelde om de partij te leiden, bedankte die hem met een minutenlange ovatie. Martens voelde de grond onder zijn voeten wegzinken, maar aanvaardde toch de nieuwe regering te leiden. Zeker na de Europese verkiezingen van 10 juni 1979, die Tindemans bijna één miljoen voorkeurstemmen opbrachten, was het duidelijk dat Martens in de CVP hooguit werd geduld. Velen beschouwden hem als een usurpator, de man die op de plaats van de "heilige" Tindemans zat. Martens werd ook als dusdanig behandeld. Vanuit de Tweekerkenstraat vertrokken voortdurend salvo's die de positie van de premier onderuithaalden. Aan munitie was er nooit gebrek. De ene keer ging het over het communautaire dossier, de andere keer over de budgettaire toestand en altijd stond er wel een van de Van Rompuy- brothers aan het kanon. Moegetergd en ten einde raad - de bonden slikten zijn noodplan om de speculatie tegen de frank te stoppen niet - nam Martens op 31 maart 1981 ontslag. Mark Eyskens kwakkelde met dezelfde coalitie nog zes maanden verder en bezorgde de CVP op 8 november een historische nederlaag. Met inzet van de grote middelen, onder meer de tachtigjarige Paul Willem Segers en de rederij Flandria, werden de brokken enigszins gelijmd. Frank Swaelen slaagde erin de twee opnieuw rond de tafel te brengen voor een soort Dayton-overleg. Martens en Tindemans, respectievelijk vergezeld van Dehaene en Herman Van Rompuy, sloten een gewapende vrede. Zo kwam de "progressieve" Martens aan het hoofd van een rooms-blauwe coalitie - nog een bocht die Martens van zijn supporters vervreemdde - waarin Tindemans op Buitenlandse Betrekkingen belandde. Met de steun van het ACV kon Martens een succesrijke devaluatie doorvoeren en de aanzet tot het herstelbeleid geven. Deze keer maakte de partijleiding, met Swaelen aan het hoofd, het hem niet lastig. Ondanks de harde inleveringen en de installatie van de raketten won de CVP in 1985 de verkiezingen: voor Martens allicht de mooiste dagen uit zijn carrière. Van dan af aan verloor hij steeds meer de greep op de gebeurtenissen en het partijapparaat.WEGZINKEND IN HET MOERASIn de nieuwe centrum-rechtse coalitie werd hij voortdurend door Guy Verhofstadt (PVV) opgejaagd en kwam het herhaaldelijk tot aanvaringen met het ACV. Na twee jaar viel de regering over de kwestie- Happart, maar dat was slechts schijn. De christelijke arbeidersbeweging had schoon genoeg van de neoliberale forcing en de "pretentie van da joenk". Het optreden van het ACV was ook een impliciete kritiek op Martens, die er niet in slaagde zijn rumoerige vice-premier onder controle te krijgen. Die verwijdering met het ACV liet zich toen ook - voor het eerst - bij Dehaene voelen. De twee groeiden uit elkaar. Dehaene verscheen almaar meer alleen in beeld en verweet Martens een gebrek aan leiderschap. Dehaene onderhandelde het regeerakkoord van 1988 - de fameuze honderd dagen - maar werd geen premier - zo besliste koning Boudewijn. Bij de portefeuilleverdeling volgt een botsing tussen Martens en Dehaene. Die begon steeds dichter bij Herman Van Rompuy aan te leunen. In 1988 overtuigde Dehaene de CVP-top en het ACW ervan dat Van Rompuy de enige valabele kandidaat is voor de opvolging van Swaelen. Martens werd niet eens geconsulteerd. Die laatste regering was er één te veel voor Martens. Hij leek uitgeblust en liet, ondanks een trip door Centraal-Afrika, veel dingen op hun beloop. Toen er binnen de coalitie een rel over de wapenhandel uitbrak, liet hij de boel wekenlang verzieken. Ook Dehaene stak geen vinger uit om te verhinderen dat Martens in het moeras wegzonk. Op 24 november 1991, zwarte zondag, presenteerde de kiezer de rekening. Terwijl Van Rompuy nog even als partijvoorzitter doorging en Dehaene naar de Wetstraat 16 verhuisde, werd Martens zonder veel complimenten afgevoerd. Zelfs het voorzitterschap van de Senaat bleek hem niet gegund. Verbitterd nam hij zijn intrek in het Brussels EVP-secretariaat en maakte zich met veel ondankbaar werk nuttig voor de Europese christen-democratie. In 1994 slikte hij een tweede plaats op de Europese lijst - na Tindemans - en werd hij in het Europees Parlement tot fractieleider verkozen. Vijf jaar lang al geldt hij er als een van de invloedrijkste parlementsleden. Zijn partij zelf heeft amper belangstelling voor zijn werk en consulteert hem bijna nooit over de Europese dossiers. Alleen als de EVP naar rechts uitbreidt, rijst er publiek protest en krijgen de West-Vlaamse mollen een gewillig oor. Tussen Van Rompuy en Martens boterde het nooit, en dat is de jongste jaren alleen maar verergerd. Destijds beschikte Martens over voldoende hefbomen en "vrienden" in de partij om zich te weren tegen zijn tegenstanders en de roddels over zijn privé-leven. Vandaag staat de introverte Martens alleen. Alle baronnen van de partij lieten hem in de steek. Zelfs Miet Smet, die veel aan hem te danken heeft, gaat nu met hem in de clinch. Het Europees overleg verloopt langs Dehaene die zelf het contact met Martens tot het absolute minimum beperkt en zijn irritatie over de vroegere medestander de vrije loop laat. Journalisten die Martens opzoeken, probeert de premier te ridiculiseren. Zoveel kleinheid van zo'n groot politicus, het roept vragen op.Paul Goossens