Het is het allereerste interview dat hij geeft als adjunct-procureur van het Internationaal Strafhof. En het is een wikken en wegen, een voortdurend balanceren tussen wat hij weet en wat hij kan zeggen. Want het Internationaal Strafhof is een nieuwe instelling. Het moet zijn weg nog zoeken, en het moet erover waken dat het geen zware fouten maakt. De advocaten van de eerste beklaagden, die als alles goed gaat nog dit jaar berecht zullen worden, zullen van de ongetwijfeld grote media-aandacht die met de eerste processen gepaard zal gaan, profiteren om zichzelf te profileren.
...

Het is het allereerste interview dat hij geeft als adjunct-procureur van het Internationaal Strafhof. En het is een wikken en wegen, een voortdurend balanceren tussen wat hij weet en wat hij kan zeggen. Want het Internationaal Strafhof is een nieuwe instelling. Het moet zijn weg nog zoeken, en het moet erover waken dat het geen zware fouten maakt. De advocaten van de eerste beklaagden, die als alles goed gaat nog dit jaar berecht zullen worden, zullen van de ongetwijfeld grote media-aandacht die met de eerste processen gepaard zal gaan, profiteren om zichzelf te profileren. Toch groeit de behoefte aan communicatie over de werking van het Strafhof, dat te weinig bekendheid geniet. 'We moeten momenteel grote zorg dragen voor een goed beheer van de verwachtingen die gecreëerd zijn', motiveert Serge Brammertz de timing van dit eerste gesprek. Brammertz is een Belgische magistraat die uit een brede schare internationale kandidaten gekozen werd om de rechterhand te worden (vanaf november 2003) van de Argentijnse procureur Luis Moreno Ocampo. Hij leidt de onderzoeksactiviteiten van het Strafhof: de teams die uitgestuurd worden om misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken, om de dossiers samen te stellen waarmee verdachten in Den Haag ter verantwoording zullen worden geroepen. SERGE BRAMMERTZ: Toen ik begon, werkte er een zestal mensen op het bureau van de procureur. Nu zijn we met bijna honderd, waarvan een goede vijftig in de onderzoeksdivisie die ik leid. Het is een grote uitdaging om tegelijk operationeel te zijn op het terrein én een nieuwe instelling uit te bouwen, mensen te rekruteren, regels te bepalen. We moeten het institutionele aan het operationele koppelen. BRAMMERTZ: Een onderzoeksteam bestaat altijd uit een magistraat die teamleider is: een procureur of een onderzoeksrechter. In elk team zitten klassieke onderzoekers, zoals politiemensen, en analisten. We trekken ook personen met ervaring inzake mensenrechten uit de ngo-wereld aan. En uiteraard mensen uit het land waarin we dossiers openen. We moeten rekening houden met de culturele context in de landen waar we werken. BRAMMERTZ: De eerste maanden hebben we ons vooral met analyse beziggehouden. Je kunt niet zomaar het veld intrekken, je moet op voorhand goed weten wat je gaat onderzoeken en hoe je dat gaat doen. We hebben gekeken naar de ernst van de misdrijven die gepleegd zijn sinds de operationele start van het Strafhof in juli 2002, wanneer onze bevoegdheid begon. Daarvoor hanteren we criteria, zoals het aantal slachtoffers of het soort misdrijven: slachtpartijen, seksuele misdrijven en het inzetten van kindsoldaten bijvoorbeeld. BRAMMERTZ: Zodra we op basis van onze eerste analyse een goed beeld hadden van de situatie, hebben we een prio- riteitenlijst opgesteld en zijn we ons onderzoeksplan beginnen uit te werken. De eerste vragen waren dan: waar gaan we concreet naartoe en welke methodes moeten we gebruiken om de beste resultaten te behalen? We moeten natuurlijk rekening houden met praktische aspecten, zoals de veiligheid van onze mensen en vooral van de getuigen die we ondervragen. Formeel zijn onze veldonderzoeken in de zomer van 2004 begonnen. BRAMMERTZ: Op basis van objectieve cijfers over slachtoffers en misdrijven vallen deze regio's zeker binnen onze bevoegdheden. Het systeem dat wij hanteren is: we krijgen honderden klachten binnen via communicaties met overheden, ngo's en privé-personen. Het grootste deel daarvan betreft landen of personen die niet binnen onze bevoegdheid vallen. BRAMMERTZ: Inderdaad. BRAMMERTZ: Wij zijn enkel bevoegd voor genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Alle misdrijven waar wij mee geconfronteerd worden, zijn bijgevolg belangrijk, maar toch moeten we keuzes maken omdat we niet de middelen hebben om alles te onderzoeken. Daarom gaan we voor heel belangrijke conflicten. En voor conflicten in landen die willen meewerken, zoals Congo en Uganda. BRAMMERTZ: Ik kan natuurlijk geen details geven over onze onderzoeksstrategie. Wij vertrekken van informatie over misdrijven, over plaatsen waar bijvoorbeeld duizend mensen zijn vermoord, tientallen kinderen zijn ontvoerd of systematisch vrouwen zijn verkracht. We onderzoeken die, we ondervragen getuigen en slachtoffers, en zo proberen we de structuur van de daders samen te puzzelen, om dan de chain of command op te klimmen naar de hoofdverantwoordelijken voor de misdrijven: de personen die de opdracht gegeven hebben. BRAMMERTZ: Niet noodzakelijk. Als we tijdens ons speurwerk informatie krijgen over bijvoorbeeld wapenhandel zullen we die zeker verder onderzoeken. BRAMMERTZ: In ieder geval brengen we hun daden in kaart en evalueren we of ze binnen onze bevoegdheden vallen. BRAMMERTZ: Het is vanzelfsprekend dat je, als je met wapenhandel geconfronteerd wordt, op internationale organisaties stuit. BRAMMERTZ: Absoluut. Maar het is goed mogelijk dat wij informatie over buitenlandse betrokkenen doorspelen naar hun landen van herkomst, die dan hun eigen onderdanen kunnen vervolgen. Als wij bijvoorbeeld op een link naar financiële witwasoperaties zouden stuiten, waar wij niet bevoegd voor zijn, zullen wij die informatie aan relevante nationale justitionele instanties bezorgen. BRAMMERTZ: Die kunnen in principe door rechtbanken in hun eigen land berecht worden, in het kader van afspraken tussen de betrokken landen en het Strafhof. BRAMMERTZ: Daar is geen eensluidend antwoord voor, maar de bedoeling is altijd de eindverantwoordelijken te vervolgen. Dat kan een militaire leider zijn, een politieke leider, een lokale bevelhebber. Dat zal van het dossier afhangen. BRAMMERTZ: Moeilijk. U weet ongetwijfeld wie we in Noord-Uganda viseren... BRAMMERTZ: Ik kan nu niet zeggen of we vier, zes of acht personen viseren, maar het is in die orde van grootte. Voor Congo is het mogelijk dat we verschillende dossiers openen, dat we in een bepaalde regio beginnen met één of meerdere organisaties, en dan naar een andere regio met andere organisaties overstappen. Maar het is zeker niet de bedoeling dat we jaren aan een mammoetdossier over Oost-Congo werken. BRAMMERTZ: Ik doe geen uitspraken over de organisaties die we vandaag bekijken of morgen zullen bekijken. BRAMMERTZ: Zeker in Uganda gaat het onderzoek goed vooruit. We hopen binnen afzienbare tijd arrestatiebevelen te kunnen vragen aan onze pretrial chamber - dat is een soort raadkamer. Maar een exacte datum kan ik niet geven. BRAMMERTZ: Daar ga ik van uit. BRAMMERTZ: Druk is misschien niet het juiste woord, maar de verwachtingen zijn zeker hooggespannen en iedereen wenst zo snel mogelijk resultaten te zien. De creatie van het Internationaal Strafhof was een superbelangrijke stap in de geschiedenis van de internationale strafjustitie. We moeten nu bewijzen dat die stap een juiste beslissing was. BRAMMERTZ: Wij moeten er vooral over waken dat we dossiers van hoge kwaliteit afleveren. Dat is onze belangrijkste limiet: de kwaliteit van wat we afleveren. BRAMMERTZ: Het is vergelijkbaar in die zin dat ik in beide gevallen een instelling moest mee opstarten die snel operationeel moest zijn, en dat het in beide gevallen om beperkte bevoegdheden inzake misdrijven ging. Het grote verschil is uiteraard dat al onze onderzoeken nu in het buitenland gebeuren, in dikwijs moeilijke omstandigheden. BRAMMERTZ: Beide landen hebben ons zelf om medewerking verzocht in deze dossiers. In beide gevallen hebben we bilaterale akkoorden afgesloten met het ministerie van Justitie om ons werk te vergemakkelijken. In beide landen verloopt dat vlot. BRAMMERTZ: Een groot verschil is zeker dat er in Uganda structuren bestaan die een samenwerking vergemakkelijken. We onderzoeken daar trouwens meer dan alleen de LRA. In Congo zijn de structuren nog in heropbouw, dus daar is de samenwerking moeilijker, hoewel het ministerie van Justitie doet wat het kan. BRAMMERTZ: Ik kan daar geen commentaar op geven. Wij voeren onze onderzoeken en zullen te gelegener tijd de eindverantwoordelijken aanduiden. We voelen wel de druk van de slachtofferorganisaties en van de plaatselijke bevolking die grote hoop stelt in ons werk. Daar heb ik uiteraard begrip voor. BRAMMERTZ: Wij hebben geen interventie- of arrestatieteam binnen het Strafhof, dus het zal de internationale gemeenschap zijn die hier haar verantwoordelijkheid neemt. Afhankelijk van de mensen die we zoeken, kunnen de betrokken landen zelf, of eventueel de buurlanden, arrestaties verrichten. BRAMMERTZ: Dat zou ik niet zeggen. Er zullen in ieder geval arrestatiebevelen zijn, wat al een belangrijke stap is. Maar we hopen natuurlijk dat de 97 landen die nu deel uitmaken van het Strafhof voldoende druk zullen uitoefenen om voor de uitvoering van de bevelen te zorgen. BRAMMERTZ: Wat ik daarover kan zeggen, is dat het Strafhof een samenwerkingsakkoord heeft met de Verenigde Naties, en dat er in het kader van dat akkoord samenwerking mogelijk is met de Monuc. Er zijn verschillende modaliteiten voor samenwerking besproken, waarbij uit de bus is gekomen dat wij zelf instaan voor de financiële gevolgen van een samenwerking. BRAMMERTZ: Ja. BRAMMERTZ: Het was een complexe onderhandeling, maar ik houd mij zelf niet bezig met de politieke context van ons werk. BRAMMERTZ: Het is niet aan een justitionele instelling om zich in politieke debatten te mengen of om landen te bekritiseren. Ik hoop persoonlijk dat, als wij kunnen bewijzen dat we onafhankelijk en professioneel werken, de grote landen die daar nu niet van overtuigd zijn, toch over de brug zullen komen. We hopen op termijn echt een wereldhof te worden. BRAMMERTZ: Die vraag is niet aan de orde, aangezien noch Irak, noch de Ver- enigde Staten lid zijn van het Strafhof. BRAMMERTZ: Het concept is dat men altijd eerst gaat kijken naar wat wij de complementariteit noemen: de samenwerking met individuele landen. Als een land zelf in staat is om de misdaden van zijn onderdanen te vervolgen, moeten wij dat niet doen. Landen hebben altijd de prioriteit van vervolging. BRAMMERTZ: Dat is een moeilijke discussie, waarin wij als justitionele instelling geen standpunt innemen. Het is een debat voor de internationale diplomatieke gemeenschap en de Veiligheidsraad van de VN. Wij zullen onze job doen als ons dat gevraagd wordt. Overigens is Sudan vandaag nog geen lidstaat van het Strafhof, wat betekent dat we enkel door een beslissing van de Veiligheidsraad met het onderzoek kunnen worden belast. BRAMMERTZ: U vraagt mij opnieuw om een politiek commentaar of advies te geven, en dat wens ik niet te doen. BRAMMERTZ: Wij moeten ons onderzoek altijd plaatsen in de realiteit van een land, zoals hier Uganda. We moeten rekening houden met elementen als een nationale wetgeving of vredesonderhandelingen. De discussie is altijd: wat is belangrijker, vredesonderhandelingen of justitie? De echte uitdaging voor het Internationaal Strafhof is die twee op elkaar af te stemmen. BRAMMERTZ: Inderdaad, dat heeft een grote invloed op ons onderzoek, en dat is het belangrijkste onderscheid met ad-hoctribunalen, zoals die welke de misdaden van de oorlog in ex-Joegoslavië en de genocide in Rwanda onderzoeken. Die beginnen pas ná een conflict en zijn beperkt in geografie en tijd. Wij hebben veel minder beperkingen. BRAMMERTZ: Wij moeten als gerechtelijke instelling zeer gefocust werken. De politieke context is een realiteit, maar als je kijkt naar de gepleegde misdrijven, naar de duizenden kindsoldaten of de honderden meisjes die als seksslaaf zijn misbruikt, dan denk ik dat we de verantwoordelijken in ieder geval ooit zullen moeten vervolgen. In het kader van het statuut van het Strafhof bestaat de optie een onderzoek te laten stoppen als het niet langer in het belang van gerechtigheid is. Maar ik vind persoonlijk niet dat er een contradictie is tussen ons werk en vredesonderhandelingen. Ze kunnen complementair zijn. BRAMMERTZ: Wij letten er heel erg op dat we geen westers model naar andere culturen exporteren. Voor we op het terrein vertrokken, hebben we trainingen georganiseerd om optimaal te kunnen werken in een Afrikaanse context. Dat vind ik uitermate belangrijk, dat wij begrip opbrengen voor wat de mensen in de regio's waar we actief zijn zelf van justitie verwachten. BRAMMERTZ: Het viel me meteen op dat de notie van tijd ginder heel anders is dan bij ons. Of de relatie tussen mannen en vrouwen, tussen moeders en dochters. Daar moet je tijdens ondervragingen rekening mee houden. Dat is belangrijk voor de interactie met de mensen, maar dikwijls ook om te begrijpen hoe je een antwoord moet interpreteren. BRAMMERTZ: Dat debat woedt al jaren op internationaal niveau. Wij zijn uiteraard verplicht de hoogste internationale standaards te hanteren. Dat is de standaard van onze maatschappij. Toch denk ik dat het nog altijd beter is dat misdadigers onder menswaardige omstandigheden in Den Haag worden veroordeeld dan dat ze nooit voor een rechtbank verschijnen. BRAMMERTZ: Ons systeem is een compromis tussen verschillende rechtssys- temen dat in feite iets nieuws opleverde. Onze rechters hebben hard gewerkt aan interne reglementen over hoe onze opdrachten moeten worden uitgevoerd. Maar ze kunnen natuurlijk niet alles voorzien, zodat bepaalde noties geïnterpreteerd moeten worden. Zoals: vanaf wanneer is een politiek verantwoordelijke ook strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven? Dat is een van de grote uitdagingen, omdat we niet kunnen terugvallen op een al bestaande rechtspraak, wat in nationale systemen wel kan. BRAMMERTZ: Ik denk inderdaad dat het feit dat het Strafhof bestaat, een preventief effect heeft. Als algemeen principe vind ik het belangrijk dat justitie een garantie wordt, niet enkel een van de vele opties. Er zijn veel conflicten geweest waar nadien enkel de onderhandelingen belangrijk waren, maar waar de verantwoordelijken nooit voor het gerecht zijn gedaagd. In Rwanda zijn er de jaren voor de genocide regelmatig op grote schaal misdrijven gepleegd, waar dan amnestie voor werd verleend. Omdat er nooit een vorm van verantwoording gevraagd werd, bleef het maar duren, tot aan de genocide. Nu bestaat er een internationaal mechanisme om mensen ter verantwoording te roepen. BRAMMERTZ: Als de mensen voor wie wij het doen, de slachtoffers, de bevolking, tevreden zijn. Die mensen zullen aan de procedure kunnen deelnemen en een schadeloosstelling kunnen eisen. Op persoonlijk vlak hoop ik dat we snel een performante instelling uitbouwen. BRAMMERTZ: België staat bekend als een land dat zich sterk inzet voor de internationale justitie, en is ongetwijfeld een belangrijke partner voor het Congo van vandaag. Maar mijn functie heeft niets te maken met nationaliteit. Wij werken samen met alle actoren, dus ook alle landen die interesse tonen in de regio. België hoort daar natuurlijk bij. Door Dirk Draulans'De creatie van het Internationaal Strafhof was een superbelangrijke stap in de geschiedenis van de internationale strafjustitie.'