De twee Ieren die dit jaar de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst nemen, lijken wel elkaars antipode.
...

De twee Ieren die dit jaar de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst nemen, lijken wel elkaars antipode.David Trimble (54) is protestant en rechtlijnig op het doctrinaire af. Een scherpslijper. Meestal stond hij op de eerste rij als de zogeheten "Oranjemannen" met hun bolhoeden in de katholieke wijken de overwinning van Willem van Oranje op de katholieke koning Jacobus II vierden. John Hume (61) is katholiek, luisterbereid en visceraal afkerig van standpunten en overtuigingen die geen ruimte voor een compromis laten. Hij verafschuwt fanatisme. Al vele jaren zetelt hij in het Europees parlement en nooit liet hij zich daar opmerken door vlammende toespraken of knallende uitspraken. Hume, altijd in een verfomfaaid pak gestoken, vertoeft meestal in de achtergrond. Niet zelden strijkt hij neer in een van de talrijke bars van het parlement. Dat is zijn favoriete actieterrein. Waarnemers kunnen hem daar vaak aantreffen en altijd in gesprek, stilletjes pratend met één, twee, of drie geprekspartners. Er zijn daar in die bars, bij pot en pint - terwijl de collega's zich voor de camera's over de punten en komma's van de Europese verdragen in het haar zaten en daar achteraf ronkende verklaringen over gaven -, eeuwenoude vetes uitgepraat. Zo gaat dat dikwijls. Het bescheiden en tijdrovende werk in de wandelgangen blijkt het nuttigste. Al in 1988 praatte Hume in het geheim met Gerry Adams, de leider van Sinn Fein, de politieke arm van het Ira. Het was een riskant initiatief. Toen het nieuws uitlekte, werd Hume in ruime kring verketterd. Zeker in het Londen van Margaret Thatcher werd schandaal geroepen. Dat een parlementslid zich met terroristen of hun sympathisanten ophield? Ongehoord! "Hume", zo luidde het in een krantencommentaar, "is een irrationele vent. Hij heeft niets te bieden en Adams nog veel minder." Toch zorgden deze gesprekken voor een doorbraak. Voor het eerst slaagde Hume erin om het autisme van de Noord-Ierse samenleving te doorbreken. Zijn initiatieven maakten het begin van een moeizaam vredesproces, dat pas dit jaar via het referendum van 22 mei een breed maatschappelijk draagvlak kreeg. Die dag steunde 96 procent van de katholieke nationalisten in Noord-Ierland het akkoord, terwijl ook een meerderheid van de protestantse unionisten (55 procent) haar fiat gaf. Voor Hume vormde het de bekroning van een jarenlang engagement dat hem meer dan eens aan de rand van de uitputting bracht. Trimble daarentegen - ook op dat punt zijn ze elkaars tegengestelde - verliet pas in de slotfase het kamp van de ultra's. Zijn bekering liet lang op zich wachten, maar ze was wel van beslissend belang om een meerderheid van de Unionisten achter het akkoord te krijgen. Als leider van de Ulster Unionist Party (UUP) - de grootste partij in Ulster - zette hij zijn politieke carrière op het spel door het Goede-Vrijdagakkoord te verdedigen, tegen de wil van de meeste van zijn fractiegenoten in. Trimble trotseerde de toorn van verwante partijen, zoals de Democratic Unionist Party (DUP) van de bulderende fanaat dominee Ian Paisley en de UK Unionist Party van Robert McCartney. Op zijn beurt - en dat heeft hij wél gemeen met Hume - werd hij als verrader gebrandmerkt en moest hij de grofste scheldwoorden slikken. En net als Hume werd de zelfingenomen Trimble, die dikwijls naast zijn schoenen loopt - niet voor niets is hij een groot bewonderaar van de muziek van Richard Wagner - op zijn beurt een vredesmilitant. Hij nam afstand van slogans die tot het erfgoed van alle nationalisten (ook van de Vlaamse) behoren en een negatie van elk politiek vergelijk zijn: "No surrender" en "Not an inch". Trimble haalde het. Hij is nu premier van Noord-Ierland.HET PACT MET DE DUIVELIn dertig jaar tijd vielen in Noord-Ierland meer dan 3200 doden. Het geweld barstte uit in 1968, toen de katholieke minderheid op straat kwam voor gelijke rechten en de protestantse meerderheid - 55 procent van de 1,6 miljoen inwoners - onmiddellijk met scherp reageerde. Aan beide zijden vormden zich terreurgroepen. Noord-Ierland ontstond in 1921 toen Londen Ierland na een bloedige burgeroorlog de onafhankelijkheid toekende. De protestanten die in het noordoosten in de meerderheid waren, wilden echter bij het Verenigd Koninkrijk blijven. Ze kregen zelfbestuur en Ulster werd een "protestantse staat voor een protestants volk". In 1972, toen het geweld een hoogtepunt bereikte, nam Londen het bestuur opnieuw zelf in handen. Een goed jaar later lag een vredesakkoord op tafel dat een machtsdeling tussen protestanten en katholieken oplegde. Vijf maanden later, mede onder aanstoken van de protestantse fundi's, onder hen David Trimble, had het document alleen nog historische waarde. Er ontstak een orgie van geweld. In de eerste maanden van 1974 - de bloedigste in het Noord-Ierse conflict; alleen al bij de Britse veiligheidstroepen vielen er 311 doden - werd er komaf gemaakt met dit eerste vredesexperiment. Vooral dominee Paisley onderscheidde zich toen met een kruistocht tegen het "pact met de duivel". Met de bijbel in de hand slaagde hij erin de protestantse arbeiders tot een algemene staking op te zwepen. In 1998 probeerde Paisley, wiens ideeën over de duivel en zijn handlangers in al die jaren geen millimeter evolueerden, het nummertje nog eens over te doen. Tot dusver is het hem niet gelukt. Een van die loyalisten die destijds voor hem door een vuur gingen, en het uitzichtloze van zijn strategie inzagen, was David Trimble. Dat hij dat uitzichtloze inzag, leverde hem de Nobelprijs op. De oude, bijbelse wet dat de beloning op inkeer hoger is dan die op permanent braaf gedrag, geldt nog altijd. Trouwens, soms lijkt het erop dat men best een oorlog op zijn geweten heeft om de Nobelprijs voor de vrede te winnen. Yasser Arafat, Shimon Peres en Yitzhak Rabin kunnen er over meepraten, en in een verder verleden ook Henry Kissinger en Le Duc Tho. Zonder Trimble was er geen vredesakkoord, dat staat vast. Maar vele anderen mogen het vaderschap van de poging tot Noord-Ierse vrede mee opeisen. Gerry Adams bijvoorbeeld, de leider van Sinn Fein en een man met een onduidelijk verleden. Voor het Brits establishment was hij tot voor kort uitschot. Zijn stem mocht niet eens op radio of televisie komen. Maar deze Gerry Adams betrok het verboden Iers Republikeins Leger bij het vredesproces. En toen hij op 2 september, na de afschuwelijke bomaanslag in Omagh - 28 doden en 220 gewonden - verklaarde dat het Ira eens en voorgoed van geweld afzag, leek Adams zelf op weg naar de Nobelprijs. Al in 1994 werd hij, zeer tot ergernis van Londen, op het Witte Huis in Washington ontvangen. Zo dwong hij enige respectabiliteit af en gingen de Amerikanen en president Bill Clinton zich nadrukkelijk met het vredesproces bemoeien. Een en ander liet de nieuwe Britse premier Tony Blair toe om op zijn beurt met Adams te praten en de republikeinse partij volop in de onderhandelingen te betrekken. Zijn voorganger John Major durfde die stap niet zetten. Daarvoor ontbrak het hem ook aan de noodzakelijke parlementaire meerderheid. Om zijn regering overeind te houden, had hij de steun van de Ulsterse Unionisten in het Britse parlement nodig. Trimble, Adams, Clinton, Major en Blair, allemaal leverden ze een heel belangrijke bijdrage tot de pacificatie. Maar de echte architect was John Hume.VLAGGEN KAN JE NIET OPETENEen van de mensen met wie Hume veel optrok, was de Amerikaanse onderhandelaar, de vroegere senator George Mitchell. Deze voormalige economische adviseur van president Clinton pendelde gedurende meer dan twee jaar tussen Washington en Belfast en geleidelijk aan ontdekte hij de complexe roerselen van de Ierse ziel. "Noord-Ierland", zei hij, "is de enige plek die ik ken, waar iemand vrijwillig meer dan honderd kilometer zal omrijden om door iemand te worden beledigd." Zulke getormenteerde zielen hebben het doorgaans moeilijk om te functioneren in een normaal politiek bedrijf waar er per definitie met "andersdenkenden" moet worden samengewerkt. De advocaat Mitchell kan er zich tot vandaag nog over verbazen. "De Ieren beschouwen het compromis als iets van een andere wereld. Er bestaat hier geen win-winsituatie. Zij vertalen alles in termen van winnaars en verliezers, dat is een deel van hun geschiedenis en cultuur." Vlugger dan zijn generatiegenoten en politieke collega's kon Hume die uitzichtloze logica, waarin alle nationalismes hun brandstof vinden, doorbreken. Nochtans groeide Hume op in een arm arbeidersgezin in Bogside, het katholieke getto van Londonderry. Een gedroomde biotoop voor verbitterde nationalisten. Zijn vader, een wijs man die jarenlang in de werkloosheid verkommerde, greep echter tijdig in. Toen John een jaar of tien was, bezochten ze samen een nationalistische bijeenkomst, waar de gemoederen onder veel vlagvertoon en geroep om een verenigd Ierland hoog opliepen. Toen zijn vader zag dat kleine Johnnie aangedaan was, legde hij zijn hand op diens schouder. "Jongen," zei hij, "raak nooit bij dit spul betrokken." "Waarom niet?", vroeg Hume junior. "Omdat je een vlag niet kan opeten", antwoordde zijn vader. "Dat was mijn eerste politieke les en ik ben ze nooit vergeten", schrijft Hume in een verzameling essays, "Personal Views". "Politiek gaat over het recht op een bestaan - het recht te leven -, brood op de plank en een dak boven je hoofd. Het maakt niet uit in welke vlag je je hult als je in de rij staat voor een uitkering." Hume wantrouwt doctrinaire zuiverheid. Die heeft de vervelende eigenschap dat ze het samenleven bemoeilijkt, zoniet onmogelijk maakt. Omwille van dat brood op de plank en zijn afschuw voor radicale kreten werd John Hume eerst een mensenrechtenactivist en vervolgens socialist. In 1979 richtte hij de Sociaal-Democratische en Arbeiderspartij (SDLP) op en dat jaar werd hij ook lid van het Europees parlement. Volgend jaar is hij er twintig jaar actief en die lange ervaring gaf hem de inspiratie, de begrippen en de modellen om uit de Ulsterse omknelling te komen. Hume werd een overtuigde postnationalist. In Straatsburg leerde hij het belang van de natiestaat zo relativeren dat hij de katholieke nationalisten en de protestantse loyalisten kon overtuigen dat ze een strijd uit de vorige eeuw uitvochten. In een gesprek met dit blad zei hij een paar weken terug: "Het is wenselijk dat het Europees model in alle conflictgebieden wordt bestudeerd. In essentie bestaat het erin dat het anders zijn niet langer als een bedreiging wordt ervaren. Tenslotte is het anders zijn niets meer dan toeval. Bij de geboorte wordt je nationaliteit, godsdienst of ras bepaald en dat moet je met respect, in plaats van met haat, benaderen." Sinds Hume de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, lijkt het er bijna op of hij heilig is verklaard. Daarover beslissen ze echter in Rome en Hume heeft het niet erg op dogma's en evangelies begrepen. "Ik heb geen teksten nodig, het gezond verstand volstaat." Trouwens, de vraag rijst of heiligen wel met macht kunnen omgaan. Hume heeft daar geen problemen mee. De verkozene uit het kleine Bogside is al geruime tijd vriend aan huis bij de groten der aarde. Blair ontmoet hij tenminste één keer per week en in Washington heeft hij directe toegang tot de belangrijkste lieden in het Witte Huis. Het is hem niet aan te zien als hij zijn biertje drinkt in een van de vele bars van het Europees parlement. Een echte backbencher. Maar ook aan de toog en in de pub is de politiek nooit weg. "Het gaat erom de taal van anderen te veranderen. Ik zeg het, en ik ga door met het te zeggen. Tot ik van de man in de pub mijn eigen woorden terughoor." Paul Goossens