Drie jaar geleden beschreef de publicist Ludo De Witte in zijn opzienbarende boek Crisis in Kongo hoe het neokolonialisme in 1960 vorm kreeg in het pas onafhankelijk geworden Congo. België, de Verenigde Staten en de Verenigde Naties (VN) wilden tot elke prijs verhinderen dat de nieuwe staat een eigen koers zou varen, of erger nog, in het sovjetkamp terecht zou komen. De regering van Congo's eerste premier Patrice Lumumba kwam ten val en kolonel Joseph-Désiré Mobutu werd, eerst achter de schermen, Congo's nieuwe sterke man. Hij zou dat meer dan een kwarteeuw blijven.
...

Drie jaar geleden beschreef de publicist Ludo De Witte in zijn opzienbarende boek Crisis in Kongo hoe het neokolonialisme in 1960 vorm kreeg in het pas onafhankelijk geworden Congo. België, de Verenigde Staten en de Verenigde Naties (VN) wilden tot elke prijs verhinderen dat de nieuwe staat een eigen koers zou varen, of erger nog, in het sovjetkamp terecht zou komen. De regering van Congo's eerste premier Patrice Lumumba kwam ten val en kolonel Joseph-Désiré Mobutu werd, eerst achter de schermen, Congo's nieuwe sterke man. Hij zou dat meer dan een kwarteeuw blijven. Deze week verschijnt van De Witte een nieuwe, even opmerkelijke studie, De moord op Lumumba, waaruit Knack deze week enkele fragmenten brengt. Het boek legt de verantwoordelijkheid voor de moord op Lumumba op 17 januari 1961 bij de Belgische regering. Eerder raakte al bekend dat de Amerikaanse inlichtingendienst CIA huurmoordenaars naar Congo uitstuurde, maar België koesterde volgens De Wittes boek soortgelijke plannen. Deze voorpublicatie vangt aan begin september 1960. Twee maanden tevoren had Congo zijn onafhankelijkheid verworven, maar de machtsovergang werd al na enkele dagen gevolgd door muiterijen in het leger, de Force Publique, dat spoedig tot Armée Nationale Congolaise (ANC) werd omgevormd. Moïse Tshombe riep in Elisabethstad de onafhankelijkheid van de rijke koperprovincie Katanga uit, in Bakwanga stichtte mulopwe Albert Kalonji het operettestaatje Zuid-Kasai. De centrale regering in Leopoldstad, geleid door president Joseph Kasa Vubu en premier Lumumba, slaagde er niet in de rust en de eenheid van het land te herstellen. De VN stuurden blauwhelmen uit. Bij Tshombe waren de Belgische economische belangen veilig. Katanga genoot in Brussel alle sympathie en steun, ook militair. Koning Boudewijn gaf herhaaldelijk blijk van zijn warme gevoelens tegenover Katanga. Hoewel zowel de Congo- als de buitenlandse politiek in handen van christen-democraten waren, stond de rooms-blauwe regering van premier Gaston Eyskens niet geheel op één lijn. De nieuwe minister van Afrikaanse Zaken Harold d'Aspremont Lynden ging, net als het Hof, voluit achter het pro-Belgische (en door België feitelijk gecontroleerde) Katanga staan, minister van Buitenlandse Zaken Pierre Wigny zag Katanga eerder als de spil waarrond Congo's eenheid diende te worden hersteld. Het belangrijkste obstakel in Leopoldstad bleef de nationalistische premier Lumumba. Hij streefde naar een authentieke onafhankelijkheid, vrij van elke voogdij, en heette dus algauw een communist te zijn, volgens de Amerikanen al even erg als de Cubaanse leider Fidel Castro. Geen wonder dat de CIA al spoedig moordplannen begon uit te werken. Eerst werd Lumumba politiek onschadelijk gemaakt: de tamme president Kasa Vubu zette op 5 september zijn premier af en liet Joseph Ileo een nieuwe regering vormen. Lumumba riposteerde met de afzetting van de president. De politieke patstelling was compleet. Maar Lumumba bleef gevaarlijk: hij beschikte nog over een belangrijke aanhang. Op 10 september schreef minister van Buitenlandse Zaken Wigny: "De autoriteiten hebben de plicht om Lumumba onschadelijk te maken." Wat hij daar concreet mee bedoelde, zou spoedig blijken.