Het is maar beter dat de twintigste eeuw voorbij is. Dat geeft tenminste het gevoel dat een episode afgesloten is en een nieuw hoofdstuk geschreven kan worden, ook al loopt het verhaal natuurlijk gewoon door. Het is geen goede eeuw geweest, de ergste zelfs sinds we de eeuwen tellen, zeker de meest verwoestende en ontluisterende. Met duivelse bezetenheid hebben de krachten van de vernieling zich precies op de plek gericht waar we het kwetsbaarst zijn: de broze menselijke waardigheid.
...

Het is maar beter dat de twintigste eeuw voorbij is. Dat geeft tenminste het gevoel dat een episode afgesloten is en een nieuw hoofdstuk geschreven kan worden, ook al loopt het verhaal natuurlijk gewoon door. Het is geen goede eeuw geweest, de ergste zelfs sinds we de eeuwen tellen, zeker de meest verwoestende en ontluisterende. Met duivelse bezetenheid hebben de krachten van de vernieling zich precies op de plek gericht waar we het kwetsbaarst zijn: de broze menselijke waardigheid.Al uit de negentiende eeuw stamt het denkbeeld dat de mens niet meer dan een diersoort is, een uit de bomen gedaalde tropische aap die zich over de aarde verspreid heeft. Dat werd als een wetenschappelijk feit vastgesteld en, vreemd genoeg, meteen ook als een degradatie aangevoeld. Het had anders kunnen zijn, evident zelfs om in het feit een bevestiging te zien van het oude bijbelse beeld van de mens als kroon op de schepping: wij zijn immers uit de hoogst ontwikkelde diersoort opgestaan om nog hoger te klimmen op de ladder van het leven, hoger dan welk dier dan ook. Maar nee, zo werd het niet gevoeld, het proces van de zelfontwaarding was al ingezet: Darwin noemde zijn boek over de oorsprong van de mens niet The Ascent of Man, maar The Descent of Man. En dan kwam omstreeks de eeuwwisseling de psychoanalyse op. Die leerde dat we zelfs geen gewone diersoort zijn, maar een ontregelde, een hysterische, een getraumatiseerde en geobsedeerde, vol onderhuidse knopen en conflicten. Bovendien zijn we een woekerende soort, voegden ecologisten er later aan toe, een parasiet die het milieu vervuilt, het klimaat verstoort, en alle andere levensvormen op de planeet bedreigt. Van het oude beeld van de mens als heerser over de schepping, maître et possesseur de la nature, zoals Descartes het zich in de zeventiende eeuw nog voorstelde, blijft niets over. Het beeld is in zijn tegendeel omgeslagen: de kroon op de schepping beschouwt zichzelf nu als een onevenwichtige diersoort, een natuurverwoester, het kankergezwel van een zieke aarde. De zelfontluistering steunt op historische feiten, of bracht die voort; het is altijd moeilijk om oorzaak en gevolg van elkaar te onderscheiden. Al aan het begin van de eeuw richtte de afgedaalde aap onder de eigen soortgenoten de grootste en meest zinloze slachting uit de geschiedenis aan, wreder dan wat het bloeddorstigste beest ooit heeft gedaan. De diagnose van hysterie moet dus juist geweest zijn, want de kwaal barstte collectief uit in een orgie van geweld. Miljoenen jonge mensen stierven in de modder van de slagvelden zonder dat de staatslieden die het bloedfeest organiseerden daar één goede reden voor konden aangeven. In de Grote Oorlog van 1914-1918 werd geen kwaad bestreden, geen perverse ideologie bekampt, maar werd het kwaad uitgeleefd. Gevierd. Uit die razernij is het kwaad zelf in levende gedaante opgestaan, vol vertrouwen in zichzelf: korporaal Hitler, de sinistere held uit de loopgraven aan de IJzer, nam het heft in handen. De Tweede Wereldoorlog die hij in gang zette, was een voortzetting van de eerste die hij niet voltooid achtte. Met dat verschil dat de vechtende partijen nu beter wisten wat ze wilden: de definitieve verdelging van de ander.Tot zover de eerste helft van de eeuw. Van die nachtmerrie zijn we in de tweede helft niet meer hersteld. Het cynisme en de zelfhaat vreten nu de geest van het oude Europa verder op. We geloven in niets meer, tenzij in wat onmiddellijk genot verschaft. Op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog verrezen al snel de glazen paleizen en glitterpanelen van een maatschappij die ongegeneerd ging consumeren en genieten. Nooit eerder werd zoveel welvaart gecreëerd als in de jaren vijftig en zestig, een roes van productie en consumptie waarin het verleden vergeten moest worden. Maar toen op het eind van de jaren zestig een generatie aantrad die de oorlog niet zelf had meegemaakt, nam die het haar ouders kwalijk, méér nog de schaamteloze naoorlogse euforie dan de oorlog zelf. Ze weigerde hen het respect dat de jeugd in alle tijden en in alle beschavingen voor de ouderen opbrengt. Contestatie en afwijzing werden de norm. Er ontwikkelde zich een balorige 'jongerencultuur', een lege huls waarin jonge mensen zich schuil konden houden zolang ze het volwassen leven niet wilden betreden. Maar die vereenzaamde kinderen van een uitgeputte tijd, zelf méér nog dan hun ouders verslaafde genotzoekers, waren niet uit het hout gesneden om de revolutie te plegen die ze preekten. De oproerkraaiers, de stokebranden, die afgaven op de consumptiemaatschappij en tegen elke autoriteit aanschopten, volgden uiteindelijk willoos de weg die voor hen gebaand was en gingen nog massaler consumeren dan hun ouders. Ondertussen beleden ze de ecologie als hun religie. De boodschap ervan paste bij hun zelfbeeld: 'Alle soorten op aarde zijn gelijkwaardig en geen enkele, ook niet deze die zichzelf Homo sapiens noemt, heeft het recht zich boven de andere verheven te wanen.' Maar de adepten van het groene geloof beleefden de religie niet die ze beleden, nog minder dan de katholieken dat ooit met die van hen hadden gedaan, want nooit werd zoveel natuur vernield als onder de consumptiedrift van de jongste generatie. De twintigste eeuw was een verwoestende tijd. Alles van waarde werd neergehaald, ook de menselijke persoon zelf. 'L'enfer, c'est les autres', schreef Sartre ( Huit Clos, 1944), een weerzinwekkende uitspraak, die niet belette dat de man lof oogstte bij zijn tijdgenoten en de Nobelprijs voor Literatuur kreeg (die hij arrogant weigerde). In dat klimaat van zelfafwijzing ontwikkelde de psychologie zich tot een discipline die er niet langer naar streeft de menselijke ziel te begrijpen, maar haar te ontkennen. Behavioristen herleidden de mens tot een machine die reflexmatig op uitwendige stimuli reageert. Zijn innerlijke leven, de wil, het gemoed, werden afgedaan als illusies van het subject, irrelevanties waarmee de wetenschap geen rekening hoeft te houden. Wat telt, is het meetbare en manipuleerbare gedrag. Beyond Freedom and Dignity is de titel van het hoofdwerk van Skinner, de belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming in de psychologie. Maar voorbij de vrijheid en de waardigheid bestaat de mens niet meer. Zelfs een aap niet. Het verwoestende werk is grondig verricht.Gerard Bodifée